30-01-12
Mijn wonderen: lach...
Mijn wonderen: lach...
Het mooist is de beginnende lach, die mond die zich open legt. Het schijnt een complexe daad te zijn, met honderden spieren die in actie schieten, niet alleen rond de mond, maar in heel het gezicht.
Maar het effect van dat gebaar, dàt is pas complex. Alsof in dat gezicht deuren opengaan. Alsof een groot welkom je gegeven wordt. Alsof de wereld zijn wapens neerlegt, zijn argwaan. Geen spontaner gebaar dan de lach die aan iemand gegeven wordt. Lach als beginselverklaring. Lach als ontwapening. Lach als nieuwsgierigheid. Lach als aanraking.
Vooral dat laatste blijft fascineren. Hoe een lachend gezicht zo dicht kan komen met al zijn overtuigd vertrouwen. Bijna vrijpostig, in elk geval kwajongensachtig vrij komt een lachend gezicht binnen bij wie het ziet, zonder veel plichtplegingen, zo dicht als water als je zwemt en licht als je kijkt. Een lach kan je doen schrikken, zo onverwacht kan hij zijn in bepaalde situaties, zo zonder enige opsmuk zichzelf. Je vertrouwt hem, die lach, of je kijkt weg. Vandaar dat de reclamelach vaak zo onecht is: hij mikt op dat dichtbije ontmoeten en is slechts een zoveelste masker.
Dat is de grote intelligentie van de beginnende, openkomende lach: dat hij weet heeft van leven in zijn essentiële eenvoud. Een gezicht dat openkomt, meer is er niet nodig om iets van de volheid te voelen.
Vandaar ook de lach bij echt grote intelligentie: de humor, de spot. We zouden ook kunnen blozen bij grappen en satire, of enig andere lichamelijke reactie vertonen. Nee, we lachen. Omdat, denk ik, we door zoveel andere lagen boren als we al gewoon glimlachen met dat gezicht van ons: door aanstellerij, door vleierij, door angst, door onmacht. Lachen heeft alles te maken met een ervaring van vrijheid. En vrij is enkel het leven in zijn grootste eenvoud. Vandaar ook dat een glimlach of lach iemand razend kan maken: de keizer ziet plots dat hij naakt is. Lachen doe je soms niet ongestraft: de dichter Mandelstam werd door Stalin opgejaagd omwille van één satirische zin in één gedicht, waarin de grote leider zichzelf herkende.
Maar even zo vaak als die hoogbegaafde wijze en vrije lach is er de verkochte lach. Lach die zich in duizend bochten wringt van strategie, en verkoopstactiek, en mediastatus, en groepsbelang en hiërarchie, en zelfbeschuldiging, en schaamte of onbewuste dwaasheid. De lach die ongemakkelijk maakt, of je ongemakkelijk achterlaat. Ook beginselverklaring, maar van argwaan. Bewapening in plaats van ontwapening. Afweer in plaats van aanraking. De eigenwijze wie-doet-me-wat-lach, die je zo vaak op televisie ziet, is er zo een. Volledig masker geworden, en of de mens eronder nog leeft en waarlijk gelukkig is, doet er niet toe. Geregisseerd leven, dat is het, al te vaak.
Hoe kom je er van af? Door weer de mensen een voor een aan te kijken. Door geen handtekeningen meer uit te delen en rode lopers af te gaan, en je schoenen zelf te poetsen. Door zelf boodschappen te doen en blij te glimlachen als aan de kassa het meisje in je ogen kijkt, niet zoals voorgeschreven en bepaald door het getimede werkritme, maar zomaar, gratis.
Je komt er van af door niet meer onderdanig te willen glimlachen, maar alleen te lachen als je voelt dat er respect is. Dat is niet zo eenvoudig , maar je kunt tenminste proberen. Vriendelijkheid is te kostbaar om er enkel goodwill mee te kopen.
Je komt er van af door om jezelf te lachen. Dat vrijmakende, directe van de lach werkt gegarandeerd ook als je kunt grinniken om je eigen stunteligheid, je eigen kleine en grote tekorten. Als je er om kunt lachen, worden ze ineens weer kostbaar.
Tenslotte: de biezonderste lach. Dat is de aanstekelige lach. De lach die anderen doet glimlachen. Lichter maakt. Doet meelachen. Ik kan haar niet beschrijven, die aanstekelijke lach, maar je herkent haar uit alle andere: ze heeft iets van een komisch motortje, van een grapje dat nooit gaat vervelen. Mijn zoon is een grote humorist, lachen is voor hem een manier om én intelligent én open te kunnen leven. En dan slaat zijn vriendin aan met dat aanstekelijk geluid van haar. En dan denk ik: die twee passen toch goed bij elkaar.
(foto: carnaval in Henegouwen)
27-01-12
Niet meer vergeten (dagboek)
Dins 17.01
Licht kan overstromen. Dat zag ik op een maandagnamiddag, rijdend door Oost-Zeeuws-Vlaanderen, waar de vlakte nog vlakte was, niet ingevuld met dorpen en lintbebouwing en aan grote firma’s verkochte rijkswegen. Licht kan overstromen, zoals water uit een rivier die het zwellen niet meer tegen kan houden. En alles loopt onder, de wereld verandert van uitzicht, en het zijn beelden die je niet meer vergeet.
*
De biografie van Cyriel Buysse ontstelt meer door de beschrijving van de armoede die er toen heerste, dan door het leven van Buysse zelf. Wat een grauwe ellende, zonder eten, zonder informatie en vorming, zonder beschaving. Het pleit voor Buysse dat hij zijn ogen niet gesloten heeft, gezien heeft wat hij heeft gezien.
Maar hij blijkt zelf ook een soort zelfkanter geweest te zijn: niet te best op school, bloemetjesbuitenzetter, blijvende ruzie met de oude heer omdat hij de zaak niet wou/kon overnemen en de oude die letterenkeuze te min vond, slechte naam die hem de liefde van de dochter van Max Rooses kostte (want haar pa was dan weer onwrikbaar), vriendschap met die andere levensgenieter Maeterlinck, enz. Maar Buysse liep verloren tussen het platteland waar hij opgroeide (Nevele) en de stad (zijn schoolvrienden die carrière maakten en hem achterlieten) en vond een merkwaardig evenwicht in het huwelijk met een rijke Haagse freule met kinderen, een weduwe. Nu kon hij rijkdom en prestige verzoenen met de aantrekkingskracht van het platteland (een groot herenhuis in Afsnee, met tuin en water en molen), waar hij een groot deel van het jaar doorbracht. Het gaf hem rust, zonder dat hij zijn inspiratie kwijt raakte...
Sommige van zijn personages blijven in mijn geheugen geëtst: Maria, het frêle meisje (“bloem op een mestvaalt”), dat verkracht wordt door Reus Balduk, stompzinnige kracht, en dan geen andere keus ziet dan met hem trouwen, zeker omdat ze ook zwanger is en hij het recht van de sterkste heeft. De biezenstekker Cloet, die terugkomt van de gevangenis en merkt dat zijn vrouw een kleine jongen lopen heeft in huis die niet van hem is, een mager sprietje van een kind, doodsbang voor het geweld dat dan losbarst, tegen zijn moeder, tegen hem. Het dorpse volk uit dat kleine maar indrukwekkende verhaal ‘Verkiezing’ (uit ‘In de natuur’), dat viert dat de katholieken hebben gewonnen, want die hebben meer bier en jenever geboden dan de liberalen (“en een hiel virken...”). Ze weten wel dat die verkiezingen een farce zijn, eerder een extra feest dan een politieke daad. Of weten ze het niet? In elk geval is het hele dorp na een tijd stomdronken, en wordt het varken bijna rauw verorberd, want iedereen wil een stuk, en wat gratis is, is voor iedereen, en dus voor de sterkste. De drie tantes uit de gelijknamige roman, drie ongetrouwde kwezels, die hun frustratie uitwerken via de tirannie van hun erfenis.
Had Buysse in het Engels geschreven, dan was hij een soort Steinbeck geworden, met dezelfde wereldfaam. Hij heeft nog aan het Frans gedacht, en ook pogingen in die zin ondernomen. Maar een taal is geen kostuum, een taal is een vel, en die stroop je niet af.
24-01-12
Mijn wonderen: dansen...
Mijn wonderen: dansen...
Dansen heb ik maar laat ontdekt. Daarom ben ik geen geoefende danser, als broer en schoonzus, die van voorgeschreven beweging eigen elegantie maken. Alsof ze het ter plekke uitvinden. Nee, ik ontdekte, toen ik over een soort schaamte heen was, oerbeweging in mij. Dat het lichaam andere ritmes verbergt dan enkel lopen, staan, zitten, liggen. Dat als je eenmaal de sluizen openzet, groter beweging door je trekt.
Van klank: je lichaam maakt muziek, als een instrument. Van ruimte: je lichaam komt van de grond. Er zijn er die zelfs kunnen vliegen. Van tijd: je lichaam hoeft niets meer op te tellen, bij te houden, hoeft niet meer achterom te kijken. Dit is het nu, en zo blijft het, zolang je bewegen mag in dit lichaam, zolang beweging bewegen mag in jou. Je vergeet uren al dansend. Zoals een kind als het speelt.
Het moet een beetje intelligente klank zijn die je uitnodigt. Ik kan niet bewegen op technodreunen, ze maken niets los, niets wakker. Maar rock! En walsen, die beweging der sferen!
Soms zweeft door de dag een onhoorbare flard (misschien is het wel een geur...), en dan zet je twee, drie pasjes die even een kleine hulde zijn, die moeten tonen dat wat voorbij kwam niet onopgemerkt is gebleven. Een klein levensmuziekje, en je subtiel luisterende licham was er blij mee.
Soms gulpt een hele brok leven door je. Als je simpelweg blij bent (dat gebeurt, en is niet te koop), als je goed hebt samengewerkt met wie nu je maten zijn, als je iets hebt gecreëerd wat later, bijvoorbeeld op een podium, zal blijken te werken, dan kan er plots een zo hevige beweging door je trekken dat je wild wordt van een grotere kracht. En dan komen er vreemde bewegingen, althans bij mij. Dan moet ik die felle koprol maken, of van dat muurtje springen, of even het hoofd van zo’n maat vastknellen tot hij bijna stikt. Een schreeuw mag er ook bij. Allemaal ruw materiaal voor wat potentieel een mooie dans kan worden.
Sommigen dansen met hun gezicht, dat nooit ophoudt de wereld te acteren. Sommigen dansen met hun blik, van spot tot verwondering tot wilde vreugde.
En ook sport is dansen. Dat lichaam van de Braziliaan Zairzinjo, ik ben nooit vergeten hoe ik als kleine jongen hem op de zwart-wit tv schijnbewegingen zag maken rond een bal die geduldig wachtte omdat hij wist dat de verdediger toch altijd te laat kwam. Of het dansende zwiep van hoogspringers over de lat. Of het lopen van start tot de aankomst, een hele uitgepuurde dans die mij telkens weer verrukt.
Op een bepaald moment ben ik de golven in mijn eigen leven gaan zien als een dans en troostte die blik mij zeer. Dat dit lichaam van mij zijn eigen droefheid mag hebben, net zoals de seizoenen weerkeren. Dat die kop van mij zijn eigen vaak onredelijke gevoeligheden mag hebben, ik kan alleen maar proberen zo goed en zo dicht mogelijk mee te dansen. Want toch liever dansen met twee dan alleen. En net als een danspas zal ik niet louter neerkomen, maar ook weer opveren. Of omgekeerd. Doet er niet toe. Het gaat om het bewegen. Liefst zo soepel mogelijk.
22-01-12
Hemel (Wislawa Szymborska)
Laat ik nog eens een gedicht kiezen, eentje van de befaamde Poolse dame met haar licht-ironische glimlach. Het begin en het einde, die doen het hier voor mij: dat beeld van een ruit-, kozijn- en vensterbankloos groot raam, met niets daarbuiten en toch wijdopen, hoe komt ze toch bij dergelijke eenvoud? En die laatste woorden: geestdrift en vertwijfeling. Mochten ze nu twee woorden vragen waarin ik mezelf zou herkennen, ik citeerde deze twee. Telkens weer verwonderd, geraakt en opgetild door wat bij mij langskomt, en tegelijk even diep beseffend de onvolledigheid van alles...
Hemel
Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.
Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.
Een opening en niets daarbuiten,
maar wijd open.
Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht,
noch mijn hoofd achterover te buigen,
om de hemel te bezien.
Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden.
De hemel omwindt me strak
en tilt me van onderen op.
Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel
dan de diepste dalen.
Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere.
De hemel drukt even absoluut
op een wolk als op een graf.
De mol kan zich even hemels voelen
als de uil die zijn vleugels wiegt,
Een ding dat in de afgrond valt
valt van hemel in hemel.
Korrelige en rotsachtige,
vloeibare, vlammende en vluchtige
lappen hemel, kruimels hemel,
vlagen hemel, stapels.
De hemel is alomtegenwoordig
zelfs in het onderhuidse duister.
Ik neem de hemel op, scheid hemel af.
Ik ben een val in een val,
een bewoonde bewoner,
een omhelsde omhelzing,
een vraag in een antwoord op een vraag.
De verdeling in aarde en hemel
is geen geschikte manier
om aan dit geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
mocht ik worden gezocht.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.
19-01-12
Mijn wonderen: moed...
Mijn wonderen: moed
Sommigen gaan daar heel ver in, in die goede wil. Ze ontwikkelen een soort koppigheid die mensen overstijgt. Zij zullen de eersten zijn om verbaasd te staan dat ze blijven voortdoen, weer niet opgegeven hebben, nog altijd geloven dat het goed is wat ze doen. Zelfs na vele jaren, en de bergen die maar blijven opdoemen.
Hoe verklaar je dat een stel ouders decennialang zorgen voor hun zwaar gehandicapte kind, dat nooit iets anders zal worden dan een groot, hulpbehoevend wezen, verloren in de grote wereld van de mensen, soms angstig, soms boos, en altijd weer overgeleverd? Hoe blijf je van een kind houden dat zonder groei is, dat geen toekomst belooft, van wie je wakker ligt ’s nachts nadat je voor de zoveelste maal bent opgestaan om het te helpen? Hoe hou je het vol de ellende te blijven zien van mensen op de vlucht, en weer een onderdak te zoeken en een bed, en te blijven roepen tegen de onverschilligheid. Hoe breng je het op te blijven presteren, op gevaar van eigen leven soms.
Groot of klein, moed is een geheim. Vanwaar die wil om onmogelijkheden te buigen? Vanwaar dat geloof dat een berg wil verzetten?
Je zou zeggen dat mensen vanzelf in die moed rollen. Weinigen nemen de uiterst heldere beslissing en voeren die dan ook uit. Er zijn er, zoals Socrates. Maar zelfs Jezus, die andere historische dood, lijkt mij nooit goed verstaan te hebben wat hem overkwam in zijn openbaar leven. Individuele contacten, ja, die waren intens en vruchtbaar. Maar welke politieke en religieuze rol hij moest spelen, en hoe, hij heeft het nooit goed geweten. En toen hij naar Jeruzalem trok leek dat feitelijk evenveel onmacht als vrije keuze. Men heeft er nadien een offertheologie van gemaakt, maar deze intens luisterende en communicerende man voelde zich met de dag meer speelbal worden van krachten die hijzelf niet meer beheerste. Behalve misschien door moedig te zwijgen voor zijn beulen.
Zelfs van hem zouden we kunnen zeggen dat moed hem overkwam. Zoals met veel mensen gebeurt wat gebeurt. Moed is dan de tweede stap: het moment om voort te doen. Daarvoor kiezen, dat lijkt mij moed. En het kan iedereen overkomen.
Ik weet niet of de meesten die stap zetten of er van weg lopen. Ooit hoorde ik van Lydia Chagoll hoe verschillend haar zus had gekozen na het jappenkamp waarin ze jaren opgesloten zaten: zij bewust gekozen voor een leven van eigengericht materialisme, Lydia (samen met haar man, de filmer Frans Buyens) voor een levenslang engagement tegen alle vormen van macht die misbruikt. Zelfde kampervaring, verschillende keuzes nadien. (Misschien is er ook moed nodig om voor jezelf te kiezen. Misschien is die ik zo verloren gelopen, dat er veel moed nodig is om haar of hem weer bij elkaar te rapen, of er toch bij te blijven. Ik weet het niet. Dezelfde Jezus zei het al: “Oordeel niet”).
Blijft toch het geheim van moed: vanwaar die onbuigzame kracht die niet lijkt te kunnen opgeven, alsof een sterkere wil het heeft overgenomen en dirigeert? Of is moed niets anders dan de logica die in ons bestaan is gelegd: dat als leven pijn doet, de goede wil mee zich scherpt en opspant? Zo bekeken moeten we meer de moed loven van mensen om elke dag op te staan en aan het werk te gaan. Hun geloof in orde in plaats van in wanorde (schoonmaken, organisatie, afspraken). Hun kleine trouw die een heel raderwerk aan de gang houdt. Hun geloof in het geheel, in plaats van in het corrupte deel (ik vertrok ooit met leerlingen op uitwisseling naar Estland. De bus van St Petersburg, toen nog Stalingrad, zat ’s nachts een uur vast in de donkere bossen omdat het bezninstation geen brandstof wilde leveren zonder dat er iets bijkwam, de winkels in Tallinn waren leeg, de bankbriefjes dik en waardeloos, de mensen overleefden onder andere op voorraden die ze in de zomer aanlegden in buitenverblijven, ik logeerde bij een bekende beeldhouwster die al jaren geen van haar beelden meer in brons had gezien. Voor het parlement lagen grote rotsblokken, het was het einde van de communistische tijd. Zozeer was dit een land van onzekerheid, dat alles mij trof na het landen in Luxemburg: dat er een bus was die wachtte om ons naar het station te brengen, dat er kaartjes waren en de trein reed en de conducteur kwam knippen en de mensen in alle rust hun kaartje lieten zien en je een broodje kon kopen en we op tijd thuiskwamen...)
Misschien, om moed te eren, moeten we de kleine dagelijkse moed eren. De keuze die mensen elke dag maken om mens te zijn. Niet alleen, maar samen. Voor heel lang, want al zo lang. Ik zal niet zeggen: tot in de eeuwen der eeuwen, want van die eindeloosheid ken ik niets, en zo lang wachten is onmenselijk. Maar ik zal misschien wel zeggen: amen.
17-01-12
Mijn wonderen: goede wil...
Mijn wonderen: goede wil
Dit bestaan is te groot en te wild voor een mens. Dit heb ik altijd gevonden, als kind en nu nog. Hoezeer de winkels ook hun best doen om het tegendeel te beweren, in zoveel mensen die daar lopen woedt onmacht, en onbegrip, en zinloosheid. En vaak merk je er niets van, je loopt het ergste verdriet zomaar voorbij .
En dan heb ik het nog niet over grote omwentelingen: sociale spanningen, geweld in de straat, natuurrampen, doodslag. Als een maatschappij al heel diep het hoofd moet schudden om al zijn bijeengebrachte kennis en ervaring terug te vinden, dan lijkt een individuele mens helemaal van nul te moeten herbeginnen.
Oplossingen zijn, een mens vergeet het makkelijk in een rijke maatschappij, bijna luxegoederen. Dat iemand je auto weer aan de praat krijgt of je besmetting geneest, of zelfs dat je met geld eten kunt kopen: misschien moeten we meer beseffen hoe makkelijk die oplossing kan wegvallen.
En dat geldt nog meer voor de niet-materiële nood. Die is veel minder vanzelfsprekend oplosbaar, niet zozeer omdat er minder hulp is, maar vooral omdat ze verborgener is. Hoe zou je rouwen moeten “oplossen”? En een depressie? Vaak komen mensen niet verder dan verdragen, dan leren leven met. Verdragen dat er pijn is die blijft zeuren. Verdragen dat de spijt om wat verkeerd ging, niet overgaat. Het alleen zijn verdragen...
Lijdzaamheid is in deze tijden van aanbeden maakbaarheid een besmet woord. Dat er voor problemen geen oplossingen zouden zijn, is ondenkbaar, laat staan dat men iets positiefs zou kunnen zeggen over een soort eelt die helpt te leven met dat onoplosbare. Voor alles moét een oplossing zijn, is het credo, zoniet zoeken mensen een zondebok en leggen alle schuld op zijn of haar rug... Tevelen gaan vandaag op een heel primitieve manier met problemen om, in termen van (bij)geloof (macht-die-alles-moet-oplossen-nu-direct), van schuld (zondebok die vernietigd moet worden), voortdurend gebed om bescherming (via duizenden wetten en voorschriften en verzekeringen). Waar is het evenwicht van de klassieken? De innerlijke kracht waarin de stoïcijnen zich vervolmaakten? Het zorgvuldige genieten van de epicuristen? Er is, denk ik dan, in onze “beveiligde” maatschappij een cultuur van overleven verloren gegaan. Overleven als kunst, waarom leren we het niet aan en van elkaar...
Beetje vreemd dat ik bij lijdzaamheid uitkom als ik het over een wonder wil hebben. Maar lijdzaamheid is geen synoniem voor hopeloosheid. Lijdzaamheid verbergt misschien wel meer kracht dan ze zelf beseft. Bijvoorbeeld de kracht om te zien wat er wel is. Dat is als levenshouding hoge kunst: zien dat, ondanks het grote gemis, er nog zoveel is dat wel trouw aanwezig blijft. En daar, op een milde manier, dankbaar om zijn. En beseffen dat dankbaarheid een heel speciale manier is van genieten.
Sterker nog: dat die trouw misschien wel een wezenskenmerk is van alles wat bestaat. Ik noem het goede wil, en met de jaren zie ik steeds duidelijker hoe groot dit wonder is. De dokter die met uiterste nauwkeurigheid mij onderzoekt. De loodgieter die trots is dat hij mij een efficiënte en goedkope oplossing kan bieden voor een lekkend dak. De vriendin die mijn verjaardagen niet vergeet. De boom die al zijn bladeren heeft willen maken. De ouders die kun kind wiegen. Mijn longen die blijven ademen en mijn bloed dat blijft stromen. Een groep mensen die er in slaagt vruchtbaar samen te werken. Hulp die zich aandient bij ongeval. De politieman die nog eens langskomt om te zien “of alles goed is”. Het glimlachende groeten, zomaar. De journalist die feiten zoekt voor zijn verontwaardiging. De politicus die bezeten is van oplossingen, hoe moeilijk en vermoeiend ook.
Ach, dat er zoveel is dat van goede wil is, niet alleen vanuit zorg voor zichzelf maar ook vanuit zorg voor de ander, dat grijpt mij aan, soms. Dat de ene mens de ander misbruikt, verkracht, vermoordt, ik wil dat niet ontkennen. Maar normaal is het niet, op zijn minst zijn we het daar over eens. Er zit een richting in wat wij mensen willen, een wil die de wereld beter wil maken. Dat is de onderkant van wat wij mensen doen, van die eerste les leren lezen in de lagere school tot het meest gespecialiseerde wetenschappelijke onderzoek. Dat is het criterium waarmee wij daden moreel wegen. Dat is de blik waarmee geschiedenis wil kijken. Dat is de grote betekenis waarnaar religie verwijst. Wij lijken wel zo geschapen, zegt religie, alsof deze wereld een geschenk is van een grote hand. Maar ook: alsof er een stem is die de richting blijft roepen...
Ik hoef het zo poëtisch groot niet te zien om toch iets van een basisvertrouwen te ontwikkelen. Als ik, empirisch, al die ervaringen van goede wil optel, kom ik uit bij een wondere gedrevenheid, waar ik verder geen woorden voor heb, noch wil hebben. Die diepe goedheid die blijkbaar in bestaan zit, is mij genoeg. Met die vaak tastbare goedheid kan ik overleven. Meer dan dat: kan ik diepe zin vinden. Kan ik uitkijken. Kan ik van wanhoop hoop maken. Kan ik in tijd een bondgenoot vinden, en in geduld, en in aanwezigheid. Kan ik ook leren, beetje per beetje, mij toe te vertrouwen. Aan wie of wat weet ik niet, net zomin als een kind dat weet. Maar dat er liefde is, dat weet het wel.
14-01-12
grootheid van het kleine (dagboek, 12.01)
Don 12.01
Kleinzoon heeft de verre reis met glans doorstaan, veroverde iedereen met zijn glimlach (alsof de persoon voor hem op dat moment de belangrijkste van de wereld was, een ervaring die diep binnendrong, zag ik...), leefde scherp en aandachtig voor alles wat in zijn kleine lichaam binnenkwam: muziek, geluiden, gezichten, aaien.
Hij at voor twee, maar proefde ondertussen toch ook de verschillen, en soms trok hij daarbij een vreemd gezicht en liet het eten voor wat het was.
Hij zong zijn vreemde klanken, leerde grijpen met vingertjes, voorzichtig als het iets nieuws was, wilde beweging, beweging en beweging. De wereld is groot, en hij weet nu al dat je er met gulzigheid moet van drinken.
Daarom was elk te slapen leggen een gevecht: tegen de moeheid, tegen de dwang van zijn lichaam, tegen de trukendoos van degene die hem in die vergetelheid wilde lokken. En dan maar kort toegeven, halve uurtjes, somtijds hele uurtjes. Enkel ’s nachts sliep hij het donker rond, want dan was er toch niets te zien en te horen.
*
Het verschil tussen een foto en haar werkelijkheid is dat die werkelijkheid honderden foto’s ineen is.
*
Wij keken als hij: van diep, ons bewust wordend van de grootheid van wat we zagen, het grootse van zo’n klein leven, hier voor onze ogen.
*
Dat te mogen delen, dat is familie zoals ik het nog niet heb meegemaakt.
*
Vreemd hoe rijk de tijd kan worden, als je er maar weinig van hebt.
29-12-11
Om van te leven in 2012...
Om van te leven in 2012...
Die doordringende blik van een kind, met niets te vergelijken in diepgang en verte, iets wat mensen gegeven wordt om hevig van te leren leven.
Die hemel die zich uitstrekt over allen en alles, doet verlangen om op weg te gaan en allen en alles te zien, wat natuurlijk niet kan, en die daarom niet te beroerd is om zelf langs te komen.
Die vogels in de grote lucht, het kan toch niet dat zij enkel functioneel aan het zwieren zijn, stijgen en dalen heeft zoveel weg van een spel, of van louter genot om al die ruimte die hen gegeven is.
Die gezichten van mensen, soms hevig gevulde momenten zijn het.
Dat gezicht van mijn geliefde, een dagelijkse oefening in aanwezigheid (mijn masterstudie...).
Die bloemknoppen die al een hele lente en zomer in zich dragen.
Die muzikanten, hoe ze kunnen toveren, misschien weten ze zelf niet hoe het hen lukt, maar dat het soms lukt, voelen wij en zij omdat alles wegvalt, opgezogen wordt door dat grotere dat er nu is.
Dat lichaam van ons, en al is het maar een lichaam, het is trouw en koppig, en al doet het soms hevig zeer, het wordt soms ook meegenomen door grotere krachten.
Dat iemand zijn hand op onze hand legt.
Dat er iemand zingt, grinnikt, aanstekelijk lacht, slimme dingen zegt, een groot verband legt, veel weet, lekker kan koken, een prachtig boek doorgeeft, lang luistert.
Dat onze herinneringen zacht mogen worden, glanzend zelfs, als oude huid.
Dat de nachten ons welgezind mogen zijn, wij kunnen de wereld niet redden, maar als er vrede is in ons hoofd, dan is er toch al dat beetje omarmd.
Dat de dag schitterend mag opengaan, en de avond breed en vol mag vallen in de nacht.
Dat we af en toe oude kleren kunnen afleggen, en nieuwe uitproberen waarvan we zeggen: hé, kijk ons nu eens, het doet goed te ervaren dat we nog kunnen veranderen, mee met al de rest rondom ons dat nooit ophoudt te veranderen en te blijven.
Dat de auto zonder panne mag blijven, en het huis zonder gaten, en het land zonder al te veel hebzucht.
Dat onze ogen kijken mogen, en onze oren horen, en al de rest van ons tedere lichaam even gevoelig mag blijven als het voordien was, en misschien nog wat meer.
En altijd weer: die zon, vriend schilder. En dat licht, ook een vorm van heel erg nadrukkelijk kijken. En dan zelf wat staren, of een foto maken, om even te proberen terug te kijken. En die schaduwen, die alles in het licht houden, en waarvan ik leer: tussen het zijnde ligt zoveel afwezigheid, en dat ik er niet bang van hoef te worden (al is dat makkelijker gezegd dan...), alleen moet leren zien hoe die afwezigheid handen heeft die dragen, of toelaten, of diepte geven, enfin, zoiets, ik krijg een jaar om nog een ander woord te vinden.
*
Aan allen die hier langskomen,
bekenden en onbekenden,
een goed 2012 gewenst.
Moge het leven jullie dit jaar genegen zijn...
*
(foto: de cornus uit mijn tuin is zijn bladeren kwijt, maar geeft in de plaats een eigen soort licht...)
27-12-11
Mijn wonderen: familie...
Mijn wonderen: familie...
Kurt Tucholsky, de Duitse satiricus die het nazisme niet overleefde, begint een van zijn scherpe stukjes aldus: “Toen God op de zesde scheppingsdag alles bekeek wat hij had gemaakt, zag hij dat het goed was. De familie was er dan nog niet. Dit premature optimisme heeft zich gewroken. Het verlangen van de mensheid naar het paradijs kan voornamelijk worden opgevat als de vurige wens, tenminste één keer vredig zonder familie te kunnen leven”.
Is familie dan zo erg? Tucholsky grijnst om de bemoeizucht, het kastedenken, de lauwheid, de roddel de tedichtbijheid van familie. Alsof het een soort was: familia domestica communis, de gewone huisfamilie. Alsof het ge(k)leedpotigen zijn, of zoogdieren van een woekerende zoort, met kenmerken die je kunt oplijsten: de stugge nonkel, de zwanzende tante, de zorgenbroer, de mooie zus, de slimme neef, het treurende nichtje, de schattige kleine. En van al dit verschil moet er soep worden gekookt op familiebijeenkonsten, gekruid met wat hartelijkheid, twee duimen spot, wat verse roddel en heel veel van het aloude bekende.
En toch hangen broers en zussen aan elkaar, en missen enige kinderen die merkwaardige bloedband. Familie heeft het aanvoelen dat ze rond het leven moet staan: bij overgangsmomenten als geboorte en dood, bij tijdsmarkeringen als feesten en verjaardagen. Familie is meestal ook de plaats waar je je eerste dode ziet, waar je afscheid leert nemen van geliefde oma; zelfs dat knorrepot opa er niet meer is, vraagt veel van een kind.
Hoe dan ook is familie een van onze grotere lichamen, en die leg je niet zomaar af. Integendeel, die koester je het liefst. Omdat het goed doet een zus te hebben waarmee je lang babbelen kunt, omdat het goed is in je broer genegenheid te hebben die niet zal veranderen.
Familie is ook geschiedenis. Die verhalen die samen tijd hebben gemaakt. En zo ongrijpbaar als tijd soms is, hier is ze tastbaar geworden, in verhalen, in foto’s, in het samen ouder worden. Gedeelde tijd bewaart veel makkelijker, raakt veel minder verloren, en dat is mooi meegenomen in een leven dat al zo vloeibaar en doorzichtig is.
In het beste geval is familie wél het paradijs geweest: die plek waar je voor het eerst je bewust werd dat leven je gegeven werd als aanraking; waar je die hand tot diep in jezelf voelde gaan; waar aanwezigheid alles was wat leven nodig had: zorg, oplossing, glimlach en lach, en de verwondering die gaat van mens tot mens, en samen naar de wereld. Dat is een ervaring die je nooit meer kan vergeten, wil vergeten.
Later is die helderheid, in al zijn eenvoud, niet meer vol te houden. Al die levensstromen drijven uiteen, vinden elkaar alleen nog als er weer eens grotere armen gevraagd worden: om een sterven, om ziekte, om geboorte, om een huwelijk. Als zelfs dat niet lukt, doet familie pijn. Een mens kan wel proberen haar te vergeten, maar een litteken blijft toch, soms groter dan men zelf beseft. Ergens een broer hebben, en die nooit meer zien...
Tussen ouders en kinderen wordt aanwezigheid en gemis nog scherper gevoeld, natuurlijk. De natuur laat hier nog minder keuze. Als hier een kind jarenlang niets meer van zich laat horen, dan groeit er zelfs geen litteken op de wonde. Als hier een ouder er niet is, of niet meer is, dan schrijnt dat een leven lang. Ouders en kinderen zou ik feitelijk niet bij dit stukje over familie mogen plaatsen, daar zou een ander woord voor gevonden moeten worden. Gezin misschien. Eerstaanwezigheid. Tover van aanwezigheid. Schepping. Geven en krijgen, maar zo groot dat er een leven voor nodig is om ze te beleven, te begrijpen. Het dichtste wat een mens bij het mysterie kan komen.
20-12-11
Inleiding op de geliefde (17): Dat jij er bent...
Inleiding op de geliefde (17): dat jij er bent...
Dat jij er bent...
Dat besef is iets anders dan weten dat je in het huis bent, dat je de was doet of de rekeningen klasseert. Is zelfs iets anders dan je zien, bijvoorbeeld als ik opkijk aan tafel, of als je je hoofd om de deur steekt, haren nat, wangen in bloei, nog wat opgewonden van weer een bezoek aan de wereld. Is zelfs iets anders dan je schouders masseren, of praten in het donker in bed.
Om bij dat bed te blijven: het is zoals de man die ‘s morgens wakker wordt, merkt dat zijn hand aan de lege kant van het bed ligt en volkomen overweldigd wordt door het verdriet dat hij daar voelt. Een verdriet zo groot als het lichaam dat er ooit was, en dat hij nu niet meer vinden kan.
Dat jij er bent gaat daarover: over die eindeloze leegten die er ook rond jou liggen, en die mij angst aanjagen, diep vanbinnen. Laat mij iets om naar te kijken, om naar te luisteren, om aan te voelen, om mee te ademen. Het mag klein zijn, groot of klein is geen categorie in die scheiding tussen zijn en niet meer zijn. Iets om het lichaam vanzelf te laten weten dat het goed is, en dat het verder kan doen met wat het op dat moment aan het doen is.
Dat jij er bent: dat duizelige besef dat jij er ook niet kunt zijn, nu, terwijl mijn ogen je zoeken en vinden. Dat er verten tussen ons kunnen komen, die ik niet meer doorkruisen kan. Dat je lichaam ook iets is dat niet kan bestaan, afwezigheid is, hoewel het daarom niet minder groot zal zijn, en dichtbij, hoop ik.
Ach wat een ijle hoop. In een lichaam zijn wij gedragen, lichamen pakten ons op toen we geboren werden, wreven ons warm, begrepen ons als we huilden. Zo leerden we bestaan te herkennen, te vertrouwen, ons er aan over te geven. Maar welke handen heeft afwezigheid? Hoe moeten we daar vertrouwen leren?
Dat jij er bent: ik word er stil van, van die kostbaarheid die ademt en beweegt onder mijn ogen. Zo is het goed, natuurlijk: ik kan je zichtbare, tastbare bestaan niet genoeg eer geven, en die grote leegte er rondom leert het mij, telkens weer. We worden experten in dure geschenken, denk ik er glimlachend bij, terwijl ik met voorzichtige handschoenen ook dit moment weer wegberg.
Is voorzichtigheid genoeg? Is dit besef van kostbaarheid genoeg? Is het voldoende de onmetelijkheid rond je te zien om meer te kunnen bewaren?
Jij zult melancholisch worden van deze woorden, ik weet het nu al. Onder en rond je bestaan wacht een soort eenzaamheid waar je bang voor bent. En dan kijk je weg, met een koppige beweging van je haar, en ga je weer aan het werk. Weer is er iets anders dat ook bewaard moet worden. Zo’n tuin bijvoorbeeld, of dat boek dat schreeuwt om aandacht, of het toevallige gesprek in winkel en op straat (mensen voelen dat, dat jij die vlugge beweging in je hebt om weer iets goed te leggen).
Melancholisch dus. Maar ik heb bijgelovige woorden waarin ik geloof. Al deze woorden samen, dat is mijn kleine credo, houden ons in leven. Woorden rondom ons, in plaats van de vernietiging. Verhalen rondom ons, dat grotere bestaan, dat we delen mogen. Die grote zichtbaarheid rondom ons, die ons behoedt voor de totale eenzaamheid: luchten, huizen, bomen, dieren. En mensen, zoveel aanwezigheden die ook datzelfde geheim meedragen, soms met pijn op hun gezicht. Maar ook in staat zijn het leven door te geven: kinderen, woorden, inzicht dat zo helder werd dat het als lucht ingeademd kon worden, om van te bestaan.
Dat wij er zijn...: het is een besef dat ons nooit verlaat, al hebben we het druk met dammen en muren te bouwen om de afwezigheid buiten te houden. Net dat troost mij: die grenzeloze inspanning, die wil om te bewaren. “Ik sta op de berg en kijk in het dal der plichten” schreef Nescio in 1922. En hij eindigde zijn kleine stukje met: “En ik jank als een hond in de nacht.” Dat is jouw melancholie, maar nog wat zwarter, doordat ze opgeschreven staat, vastgelegd is. Maar ik verzet mij tegen de melancholie, ik gooi woorden op als een sjamaan, ik bezweer door ze met elkaar te laten klinken, ik hoop op muziek, omdat die klank kan toveren. Ook leegte, maar leegte om mee tespelen, leegte die onverwacht betekenis vindt. Misschien zijn mijn woorden ook maar kleine riedeltjes, melodietjes te ijl en te zwak voor de grote kou. Maar toch, de merel heeft ook geen schrik voor de grote avondval. Ik wil ons zingen, ik wil bestaan zingen, en of dit ambitieus is of belachelijk, ik wil geloven dat niets tevergeefs is. Is geweest.
(foto: graf in Mont devant Sassey, Maasvallei, Fr)
16-12-11
Een gesprek (Toon Tellegen)
Een gesprek
"Waar zullen wij afscheid nemen?
"In de regen"
"Zullen wij schuilen?"
"Nee!"
"Hoe zullen wij ons voelen?"
"Ziek, vals en verlegen."
"Wat zullen wij zeggen?"
"Wij zullen het niet weten."
"Wat zullen wij denken? "
"Was het maar gisteren, morgen of nooit."
"Zal een van ons gelijk hebben?"
"Geen van ons zal gelijk hebben."
"Zullen wij elk een andere kant op gaan?"
"Wij zullen elk een andere kant op gaan.
""Zullen wij omkijken?"
"Een van ons zal omkijken. Stilstaan, aarzelen en omkijken"
Zo spraken ze tegen elkaar, telkens weer opnieuw.
Maar zij vroegen nimmer wie. Wie
zou omkijken. Wie.
Toon Tellegen
Uit: Mijn winter
Querido Amsterdam 1987
(Een van die gedichten die leerlingen biezonder aanspraken. Dat zijn dan diezelfde mensen van wie men zegt dat ze geen poëzie meer lezen... Ik denk dat het eerder een leerkrachtenprobleem is, dus ook een docentenprobleem. Het is zoals met koken: wie de kans krijgt om uitzonderlijke gerechten te proeven, zal leren eten, zal zijn smaak ontwikkelen. Altijd weer een hamburger, daar word je alleen maar dik van.
Ik liet ze kiezen uit een zelfgemaakte bloemlezing van honderden gedichten. Er eentje uit kiezen, van buiten leren, en dan in de klas op papier perfect opschrijven, zonder een komma te vergeten. En dan, aansluitend, proberen onder woorden te brengen waarom je dat gedicht had gekozen. Wat soms hele treffende besprekingen opleverde.
(Ik gebruikte die bloemlezing ook om veel gedichten gewoon zelf voor te lezen. Ook dat is klank. Zoals ik hele boeken voorlas (niet overdrijven, Guido, alleen maar verhalen of novellen, zoals Het behouden huis, van Hermans; of De uitvreter, van Nescio; of De roos en het zwijn, van Anne Provoost; of verhalen van Buysse, altijd indrukwekkend, lees maar even het kortverhaal Verkiezing, of het wat langere De biezenstekker; ook de hele Reynaert de vos las ik voor. Dat voorlezen werd natuurlijk onderbroken door toelichting, dat spreekt, er moet ook iets geleerd worden. Maar vaak gebeurde het dat leerlingen hun tekst opzij schoven, en gewoon gingen zitten luisteren, nog net niet met het kopke scheef.)
Geheugenwerk is niet meer van deze tijd, zegt men. Nochtans voelen ze dan spontaan aan wat ritme is, en klank, en waarom het ene vers beter is dan het anderen, en wat de rol is van stilte tussen twee regels, zelfs tussen woorden. Als het van mij afhing (grapje, dat idee alleen al), liet ik alle leerlingen Nederlands, van in de kleuterklas tot op de unief, elke week een gedicht uit het hoofd leren. En hun meesters met hen. Dàt zou pas het taalgevoel opkrikken. Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky pleitte daar ook voor. Ik ben er van overtuigd dat het ook de muziek ten goede zou komen. Muziekland Hongarije heeft (had?) een populaire poëziecultuur.
Enfin, niet geklaagd, het internet biedt veel mogelijkheden. Je kunt er de beroemdste dichters zelf horen voorlezen, veel bekende en onbekende verzen staan online, mooi omringd door foto of muziek, mensen kunnen hun eigen werk op tnet zetten, er is antwoord van lezers, enz. Ik hoorde dichter Mark Boog gisteren toevallig op de radio zeggen dat het nog zo slecht niet gaat met de poëzie. Wel wat de verkoop betreft, maar ja, dat is commercie, en daar staan we dus boven ;-) Negotium, foei, otium, jawel.
14-12-11
Over beschaving (dagboek)
Over beschaving (dins 13.12)
In de krant het verhaal van grove beschimpingen tijdens een televisie-programma op de openbare omroep (betaald met mijn geld dus), waarin een verbrande actrice met naam wordt genoemd, en een zwaarlijvige politica. Ik dacht dat opvoeding er net in bestond dat ouders die lompigheid er bij hun kinderen moesten uitkrijgen. En nu staat de lompste voor de camera’s...
Wordt het geen tijd dat men de eindtermen (wat een gruwelijk lelijk woord), die men in het onderwijs met zoveel geweld oplegt, ook eens opdringt aan die treurbuis? Respect voor feiten, kennis van feiten (toch op een niveau hoger dan de kleutertjes), onderscheid tussen feit en mening, beschaafde omgangstaal (uit respect voor de gebruikers, maar nog meer voor de taal zelf), beschaafde manieren, intelligente humor, de cultuur van het echte gesprek. Aha, en misschien een examen toe, met mogelijkheid om gebuisd te worden...
In The blog of Henry David Thoreau (The Blog of Henry David Thoreau) lees ik hoe een man zich oefent om de weelde van aanwezigheid rondom hem waard te zijn. Ook in de natuur (zeker in de natuur) is beschaving iets om veel en veel te oefenen. Maar als er respectvolle passie is, komt alles wel goed. Wat er is, is zo welwillend voor openheid en nieuwsgierigheid...
12-12-11
Mijn wonderen: bomen...
Mijn wonderen: bomen...
De eerste keer dat ik rondreed in Kent, moest ik de hele tijd aan een park denken. Al die bomen, die daar blijkbaar al langer dan de mensen stonden. En als ze omvielen, mochten ze blijven liggen voor nog een generatie of twee. En als ze in de weg stonden, ging de weg beleefd opzij of errond, dat vond ik heel intelligent.
Nu heeft Engeland geen tekort aan parken, verre van, maar een heel landschap als park, daar keek ik van op. Soms liepen er vernuftig kronkelende beken door, die landschapskunstenaar Andy Goldsworthy niet beter had kunnen verzinnen. En hier en daar was een dorp wat uit de grond recht gekropen. Niet veel, net voldoende om verschil te maken en kleine deuren te kunnen installeren, en kleine ramen met zo’n luchtbel in.
In een van die echte parken stond ik plots voor een eik. Het begon naar de avond te gaan, misschien daarom, maar dit wezen maakte indruk. Alsof de wereld plots rechtop was gezet, en ik het park nu ook in de hoogte zag. Er is iets aan een oude boom dat mensen herkennen. Is het zijn leeftijd? Want ook mensen kunnen oud worden. Is het trouw? Want ook mensen kunnen grond van een bepaalde plek in zich dragen, in hun taal en gezicht en handen, misschien in de manier van lopen of gaan zitten. Is het dat brede ademen dat je in die blaadjes ziet? Want ook mensen moeten het van die brede borst hebben, die in hen open en dicht gaat en er eerder was dan zij. Is het dat verre kijken? Want ook mensen hebben iets met wat achter het nabije ligt, met uitzicht en uitkijken en wachten. Is het dat armgebaar waarmee takken ruimte innemen? Want ook mensen slaan hun armen open als ze willen omhelzen en dichterbij komen. Zijn het de schaduwen die zich zo makkelijk kunnen verbergen? Want ook mensen dragen horden bekende en onbekende schaduwen mee.
In elk geval, ik bleef staan en kijken, en besefte het niet. Dat gaat zo als je plots gefascineerd raakt. Dan maakt de wereld een kwartdraai en jij buigt mee. Ik kan begrijpen dat bomen indruk maken. Zij zijn van de oudste levende wezens op aarde, en ook van de grootste. “Broer boom,” zei Pallieter, expert in het aanvoelen van de ziel van de dingen. Lees het boek maar na, zijn genieten verveelt na al die jaren nog altijd niet. En hij omhelsde zijn boom en kocht hem vrij uit de handen van de koopman die er andere plannen mee had.
Broer boom: misschien moest de boom wel grinniken bij zoveel sentiment van een menswezen dat op zijn best 80 jaar oud wordt en niet hoger komt dan een alledaagse struik. Wat weet dat menswezen van leven dat meer dan duizend jaar kan meegaan, van een geheugen dat alles nauwkeurig in jaarringen bijhoudt, van de geheimen van de grond, van het grote stromen van water in de takken, van het veroveren van kubieke meters lucht? Van kleuren en vruchten, en nesten en vogels, van wind en stormen, van kou en warmte en de grote grote beweging van seizoenen?
Maar het mooiste vind ik dat ze aarde en lucht aan elkaar knopen. Letterlijk. Al wat vertikaal leeft, heeft weet van de diepte. Dat zou ook voor ons mensen kunnen gelden, als we wat meer wilden stilstaan, niet zo druk heen en weer liepen. Maar bomen hebben die ascese bereikt die zich tevreden stelt met de wereld rondom de voeten, en daar een nest maakt voor een hemel.
Toen ik klein was, heb ik wilgen gekend, taaie magere oude vrouwtjes waren dat die nooit opgaven. En kastanjes, met hun statig staan. En atletische, afgetrainde populieren. En rare donders van fruitbomen. En elzen, die niet opvielen. En zachtaderige vlieren, waar we blaaspijpjes van maakten. En olmen, die je van ver moest zien, die hadden iets met de horizon. En timide berken.
En later heb ik linden gezien die ouder waren dan de dorpen waar ze midden in stonden. En beuken die van steen leken. En platanen, aangekleed als voor een uitstap. Elke boom is mooi, hoe krom hij ook is, hoe onzeker of scheefgewaaid. Maar van de mooiste zijn de eucalyptussen, die vreemde kunstenaarsfamilie, met stammen als dreadlocks en eeuwig jonge stralende teinten en de meest eigenzinnige vormen.
Ach, de intelligentie van bomen. Mensen plaatsen nu overal zonnepanelen. Maar wat is een boom anders dan duizend kleine buigzame zonnepanelen, tel maar even op. Ingenieurs moeten jaren studeren om koepels en overhangende daken te kunnen bouwen. Dat doen die zogenaamd ongeletterde bomen al eeuwen. Geen blad dat zich niet 100% vol laat lopen met licht, tot aan de dunste randen die geen randen meer zijn, van efficiëntie gesproken.
Een boom is sierlijke danser, sterk en fraai zijn zijn bewegingen. Een boom is geoefende zanger, met die hese stem van oude volkszangers. Een boom is een bed voor lucht, dak en raam tegelijk, deur die zachtjes opengaat en vogels vrijlaat. Een boom is van twee werelden, zichtbaar en onzichtbaar, en daardoor tijdloos. Een boom kan groot zijn, tegen de verten, maar met hetzelfde gemak klein, als hij even knikt, of even een tak buigt, of zijn schouders ophaalt.
Een boom is zijn eigen sterkte. Wat hij aan energie en groei heeft geproduceerd in één jaar, houdt hij netjes bij. Hij maakt zijn eigen ruggengraat. Kunnen uitrusten in jezelf: als dat niet hoge kunst is...
10-12-11
Vragen bij een borstbeeld
Vragen bij een borstbeeld
Hoe moet het, uitgesneden zijn
uit marmer, glanzend en met zachte
handen van lucht op schouders en
voorhoofd: allemaal goed en wel,
maar wat als het verlangen om weer
te vloeien niet overgaat, wat als dat
gezicht zo dichtbij komt en je het
wil aanraken, al is het maar voor
even, wat als het licht nog mooier
wanneer het van schouders glijdt, zo
voorzichtig en nog altijd zo dichtbij
dat alles mogelijk blijft, terwijl jij
nooit meer tussen iets kan komen
nooit meer in en uit een schaduw
tenzij de lange avond die alle deuren
sluit en alles toedekt, maar je
wil geen kind meer zijn, maar zelf
ontdekken hoe het is van huid
en warmte en een onbekende
hand en hoe pijn en hoe zo heel
langzaam oud en nog ouder
07-12-11
Elias in Europa, of het verschil tussen beeld en werkelijkheid (dagboek)
Woe 0712
Prins Elias is geland, met zijn vader en moeder. Alle drie moe, van zoveel uren in de lucht, maar ala, gezond en wel.
Wat een verschil tussen beeld en werkelijkheid.
Hoe mooi de foto’s ook zijn, elk moment is honderden foto’s ineen, zeker met zo’n expressief gezichtje als het zijne.
Eén glimlach die zich openplooit, en je weet weer waarom mensen verzot zijn op het leven.
Éen blik van hem midden in je ogen en je weet weer hoe diep de verbondenheid is tussen die levens. Hoe hij belofte en vraag is, tegelijk. Hoe ik in hem geschiedenis zie beginnen, denken, voelen, doen, en tegelijk wij al voor hij bestond met die geschiedenis begonnen zijn, en hij dat precies al weet. Enfin, het was een blik die ik niet snel zal vergeten. (Ook de context niet: we schoven voetje voor voetje aan op de Parijse wegen, in de morgenspits, in een donkere tunnel –Parijs is een plek waar de inwoners hun leven doorbrengen met onderweg te zijn, zei Nathalie. Maar net door dat aanschuiven kon ik omkijken, en zag zijn grote ogen op mij gericht).
En hem aanraken, zegt Lieve. Dat wonderlijke aanraken van levens.
En dat hij cranky is van het vele vliegen, en hartstochtelijk huilt in die rotfile, ook dat is leven, het schuurt tegen van alles, en soms kunnen we alleen maar toekijken. Zing dat Hongaarse liedje voor hem, zegt zijn vader, en inderdaad, even wordt hij stil en luistert hij naar zijn moeder. Ik kan nu zijn blik niet zien, want heb mijn ogen gericht op alle bumpers voor en opzij en achter mij, misschien zelfs boven en onder mij. We moeten heelhuids in het appartement van oma geraken.

(Vingertjes toen & vingertjes nu...)
05-12-11
Mijn wonderen: ogen...

Mijn wonderen: ogen...
Een foto verraadt het: ogen spiegelen de wereld. Die lichtjes verraden het: ogen laten alles binnenkomen wat maar wil binnenkomen, en dat is veel. Maar ogen denken niet in veel en groot, ze staan open zoals niets anders in ons lichaam open staat, tenzij misschien onze adem. Ogen en adem leren ons dat we van alles zijn, meer nog dan van onszelf. Alles houdt ons in leven, alles wil ons zien. En die grote golfslag neemt ons mee, als een kind door zijn ouders.
Ogen vatten ons grensbestaan samen: we leven op de grens tussen onszelf en de rest, tussen al wat binnenstroomt en die eigen ogen die het moeten zien. Daarom zijn ogen onze kwetsbaarheid zelf. Huid, beenderen of organen lijken veel minder onherstelbaar. Ogen lijken wel waaghalzerij: je staat rechtop, in weer en wind, en die overmoed maakt ons mens, doet ons nadenken, vindt voor ons woorden en inzicht. Maar tegelijk lijkt dat rechtstaande kijken zo kwetsbaar voor wat groter, sneller, feller is, lijken we, rechtstaande, even dun als die dunne glanzende ogen.
Ogen zijn binnen- en buitenkant tegelijk. Ze laten de wereld binnen, maar tonen ook een glimp van die wereld binnen in ons. Daarom slaan mensen hun ogen neer, om niets van die innerlijke gloed te verraden. Of om tenminste die innerlijkheid niet prijs te geven, als er van buiten teveel macht op hen afkomt. Daarom drinken ogen wat ze liefhebben, alsof ze enkel daar zichzelf binnenste buiten kunnen keren, zo groot is het verlangen en zo stug en traag het lichaam. Maar ogen zijn groot genoeg om voor de rest van het lichaam te kunnen spreken. Een hart kan maar heviger kloppen, huid kan zinderen, maag kan pijn doen van verwachting. Slechts ogen, omdat ze zo op de grens wonen, slagen er in van de binnenkant buitenkant te maken, even makkelijk als de omgekeerde beweging.
Bij een baby raakt ons dat: wat gaat er in dat hoofdje om, als het zo staart? Maar eigenlijk is elke blik nog diezelfde levende verwondering: twee (grote) werelden ontmoeten elkaar, en uit die ontmoeting ontstaan inzichten die niet minder groot zullen zijn. Daarom moet elke blik die we mogen zien, elk paar ogen dat ons aankijken wil, ons blijven raken. Hier gebeurt iets: we ontmoeten, we ontdekken een andere wereld. Als avontuur kan dat tellen. En we mogen onze eigen wereld meenemen. Voorzichtig, zoals elke overgave beter maar voorzichtig gebeurt. Maar toch, als uitnodiging kan dat tellen.
Daarom dat de blik sociaal gereglementeerd is. Je kijkt niet ongestraft lang in de ogen van iemand anders. Daar komen verliefdheden van of, in sommige stadswijken, ruzie en een pak slaag. Een lichaam kan zich hullen in kleren, ogen zijn altijd naakt, en daarom is schroom nodig, van beide kanten. Daarom zijn het ook maar vlekjes die op de ogen liggen. Kleine vlekjes licht. Intens, maar niet alles overheersend. Altijd dat nodige evenwicht, tussen ik en het andere, op de grens tussen binnen en buiten, op de grens tussen krijgen en teruggeven. We kijken niet alleen met onze ogen, we denken er ook mee. En we houden er ons mee in leven.
02-12-11
Tijd tegenhouden (dagboek)

Woen 2311
Tabea Zimmermann, altviool, en Kirill Gerstein, een jonge Russische pianist, in de Gentse Handelsbeurs. Zo’n altviool heeft een ongrijpbare klank. Niet de buik van een cello, niet de keel van een viool, maar zo ergens tussenin, mannelijk én vrouwelijk, breedte én hoogte.
De avond eindigde met Sonate voor altviool en piano, opus147, van de donkere Rus Sjostakovitj. Dat was hevige emotie. Die twee instrumenten die met elkaar spraken, maar dan met al die stiltes tussen hen, al die aarzelingen. Zinnen die begonnen en niet eindigden. Omdat het belangrijkste niet uitgesproken kon of niet mocht worden?
Zelf kwamen ze, nadien, maar na ettelijke seconden uit hun concentratie. Ook voor hen was het intens geweest, dat zag je. Je applaudisseerde, maar hoopte ondertussen dat er geen bis zou komen. Die kwam er ook niet.
Zater 2611
Dat opschrijven van mezelf is een tegengif tegen het verraderlijke wegvluchten van de dagen. Je denkt ’s morgens dat ze van jou is, de dag, maar ze trekt zich van jou zo weinig aan. Ze doet haar ding, en soms komt daar iets van in het nieuws. Maar of en waar de dag van jou is...
En zo schuiven jaren voorbij, en zelfs een heel leven. En mensen kijken verbaasd achterom waar al die dagen naartoe zijn. Zijn wij dan toch maar stomme bakstenen in een gebouw? Het wordt door ons overeind gehouden, die eer mogen we opeisen. Maar een naam en een gezicht hebben we nauwelijks, tenzij iemand heel dichtbij komt, en zijn vinger langs onze huid laat gaan, of ziet hoe speciaal de kleur is die we dragen, en hoe recht of krom we gebakken zijn.
Vandaar dat opschrijven. Dat is luidop denken, zelfs een beetje luidop muziek maken. Een kleine nieuwe bries tussen de grote wind die nooit overgaat. Misschien hoort iemand, die wil stilstaan, er wel een flard van.
Maar het zijn vooral markeringen voor mezelf. Stukjes van mezelf die ik bijeenvoeg, een vormpje geef, zodat ik ze kan sparen. Vreemd dat zoiets groots als de dolle tijd door zoiets kleins als een paar woorden kan worden tegengehouden. Enfin, toch even. Maar genoeg om mezelf niet te voelen verpulveren in mijn eigen hoofd en handen. Genoeg om nog te weten waar ik begin en ophoud. Genoeg om te kunnen fluisteren: ik...
Kleinzoon Elias groeit en bloeit. En elke zaterdag zien we voor het schermpje iets van weer een week meer mens worden. Dat is zo vol wonder dat de afstand ons geen parten speelt, geen verlangen of frustratie achterlaat. Telkens zien we weer dat magere mannetje van iets meer dan een kilo, met zijn huidje zonder vet op zijn ribbenkast, en dan is de aanblik van hoe hij nu kijkt, lacht, graait, eet, gaapt, rondkijkt, onrustig of rustig, wonder genoeg om ons volledig te vullen. Ook daar zijn we sterker dan de tijd: zo’n kleine mens is sterker dan al dat onbepaalde, vormloze, eeuwige voorbijvloeien...
30-11-11
Oefeningen in ver kijken (de foto's van Jan Decreton)
Jan Decretons landschaps- & zeefoto’s zijn even zovele oefeningen in ver kijken. Ver kijken betekent niet voor iedereen hetzelfde. Er zijn er die dat schoon vinden, en als daar bijvoorbeeld wat rood van een ondergaande zon bij is, nog schoner. Of indrukwekkend, als je eerst je adem en je borstkas hebt getergd door een helling of twee te beklimmen, en dan ver kunt kijken als een soort beloning. Een mens kan nu eenmaal niet vliegen. En vanuit de hoogte (hoe relatief ook) lijkt alles veel verder en groter.
Dan zijn er de stappers. Die zien graag verten, omdat ze zo spontaan goesting krijgen om op weg te gaan. Verten zijn er om hun grenzen af te tasten: lichamelijke grenzen in de eerste plaats, geestelijke grenzen soms ook, en ten slotte ook wel uit grote genegenheid voor een landschap. Geef mij Engeland, en ik begin ook te stappen. Een verliefde wil ook voortdurend naar zijn geliefde trekken, en op een landschap kan je verliefd worden.
De derde categorie verre-kijkers is van een andere orde. En vanaf nu heb ik het over Jan Decreton (en ook over mezelf, en over al wie zich in dit andere kijken herkent). Voor sommigen is ver kijken iets dat buiten de woorden valt. Iets dat bijna raakt aan mystiek. Al geeft dit woord mij schroom, wegens al zoveel misbruikt (net zoals wellness zen is, en driesterreneten/duiken/een concert van Bjork een waar mystiek moment kan zijn, althans volgens de copywriters en de boekskens). Dat neem ik aan (ik ben een leek als het op verzamelen van ervaringen aankomt, ik begin nog maar), maar het is dus niet die mystiek die ik bedoel.
Zo ver kijken als Jan Decreton doet, is een onderzoek naar eindeloosheid. Hoe dicht is zichtbaarheid? Wat ligt er achter die zichtbaarheid? Hoeveel daarvan kan ik nu al bespeuren, in wat ik zie? Hoe kijk je dan?
Is onzichtbaarheid voorbije tijd? Dan kijkt Jan naar de IJslandvisschers die zijn voorouders waren, en ziet alleen maar leegte. Maar zonder die visschers was hij er niet, noch zijn kinderen. Hoe gaat dat dan, dat doorgeven, dat onttrekken van zichtbaarheid aan de onzichtbaarheid? Of dat bewaren van de onzichtbaarheid door de zichtbaarheid?
Of is onzichtbaarheid enkel een nog grotere ruimte? Zoals het heelal slechts grotere ruimte is, ondefinieerbaar, onmeetbaar? Dan is zo’n horizonlijn, zoals Jan die graag vastlegt in zijn foto’s, meer dan zomaar een lijn in de verte. Net door een streep te zien, beseffen wij dat er meer is dan wat we zien, dat onze ogen niet alles kunnen vatten, dat er een grens is voor al wat leeft. Zo’n streep aan de rand van de eindeloosheid doet mij altijd iets. Dan betrap ik er mijzelf op dat ik kijk als een kind: dat wil zeggen met ogen die helemaal open staan, en veel te weinig begrijpen. Onderschat die ervaring niet: begrijpen gebeurt later ook al zo weinig, als het kind groter en ouder is, maar wat niet begrepen kon, is wel binnen gekomen. Heeft zich wel in dat kleine, en later grotere, lichaam genesteld. Is het daarom dat mensen die hunker hebben naar verten? Die zeeën, die maar het begin lijken van iets veel groters? Die luchten, die nooit leeg lopen en toch altijd doorzichtig blijven?
Voor een fotograaf, die per definitie de werkelijkheid vast moet leggen, is zo’n hang naar onzichtbaarheid misschien wel wat vreemd. Maar zo vreemd is dat toch niet. Jans foto’s doen met de verten wat portretten doen met het dichtbije, aanraakbare: tonen dat iemand er is, en toch weer niet. Dat je iemand mag bekijken, maar dat je haar of hem daarom nog niet kent. Niet haar geschiedenis, niet de stormen in zijn ogen. Niet het mens- en wereldbeeld dat in die licht spottende glimlach zit, niet de wilskracht in de gezichtsgroeven. Ook een gezicht is een horizon...
Hoe is bestaan, als de helft ervan ons altijd onbekend zal blijven. Daarom heeft Jan een voorkeur voor wat veel en veel ouder is dan een mens van een armvol jaren: water, stenen, zand, licht, wind, stilte... Elke foto is een poging om met die oeroude elementen een gesprek aan te knopen. In de hoop iets te vernemen van dat ongrijpbare. Als er iets ervaring heeft met dat waarvoor mensen te klein zijn, dan zijn zij het wel: het geduld van een rots, de herhaling van water, het voortdurende geboren worden van licht...
Daarom maakt hij ook foto’s. Door uit te knippen, vrijwillig te beperken, maakt hij het hele grote iets hanteerbaarder. Iets toegankelijker misschien. Iets makkelijker om er over te reflecteren, zoals elk kijken een vorm van reflectie is, zelfs al weten wij het vaak niet (in die zin zijn we dat kind gebleven). Woorden worden beperkt door het woordenboek, maar zijn uit hun aard veel en veel groter. Ze beginnen ver voor ons, ontstaan in ons op een manier die geen enkele wetenschapper tot nu toe kan uitleggen, en gaan niet mee dood met ons. Idem voor hun betekenis: ik kan hier spreken over eindeloosheid, maar ik kan onmogelijk vatten hoe breed en hoog en diep dat is. Zo’n betekenis begint al ver voor ons, en loopt ver na ons door. En toch denk ik dat, elke keer als wij het gebruiken, we heel dicht in de buurt komen...
Dat dichtbij komen is voor een foto zoals een schaduw is voor mens en ding: de nabijheid die het meest gelijkt op de grotere aanwezigheid. Zo’n portret: dichterbij kunnen we niet komen, maar die vorm hebben we toch al, en we kunnen blijven kijken, en we kunnen blijven vragen en nadenken. Jan Decretons verten: zijn voorouders zijn er niet meer, maar hun zeewater wel, en al de wegen die ze voeren, liggen daar ook nog ergens. Zij hebben letterlijk gevaren in de verten, soms wekenlang drongen ze door in de elementen, op een manier waar ze aan wal allicht niet veel over spraken, konden spreken. Het Noorden, dat was hun plek. En het Noorden ligt aan de rand. Daar waar iets ophoudt, en iets anders begint...
(Ik heb niet direct een foto van Jan Decreton bij de hand -enkel een kleine download hieronder-, vandaar boven een van mijn eigen foto's: een van de meest herkenbare silhouetten van Frankrijk, bij morgenlicht)

28-11-11
Mijn wonderen: stad...
Mijn wonderen: stad...
Oostende was mijn eerste stad. Ik woonde daar niet, maar ook iemand die er niet woont, kan spreken van “mijn stad”. Het gaat erom wat een stad met je doet, welke kansen zij biedt. Ik trok naar Oostende op zondagnamiddagen, alleen, ging films bekijken en boeken ontdekken (in de mooiste boekhandel die ik ooit zag, toen nog op z'n oorspronkelijke plek in de Adolf Buylstraat: Boekhandel Corman, met zijn vale licht, de getekende portretten van schrijvers, de twee talen die er broederlijk samenleefden, elk aan een kant, en die hele speciale stilte in die diepe ruimte), liep langs cafés en mensen, zag kunst in galeries en proefde zout in de lucht. En dat allemaal alleen, zoals mijn leven toen alleen was. En toch, achteraf bezien, waren we met z’n tweeën: ik liep door de stad en de stad liep naast me mee. Naar de zee ging ik niet, die zei niets. Toen toch niet. Maar de stad had zoveel stemmen, ze klonken op in de straten, tussen de muren van de huizen, vanuit open cafédeuren, van het cinemascherm, in de bus of op de tram. Zelfs kunstwerken hadden een stem, zoals ik ontdekte toen ik voor het eerst monumentale marmeren beelden zag (die van Gerard Holmens): zo de ruimte te kunnen opvullen, met glans en glooi en gladheid... Ook dikke Mathilde glansde en glooide. Zo onaantastbaar kunnen worden... Ik leerde het daar en toen, in en met Oostende. Dat wil zeggen: ik ontdekte dat het bestond. En met die ontdekking kwam nog meer het besef van onvolkomenheid, van strijd, van verwarring.
Dat waren vragen die ik niet aan mijn maatje Oostende kon voorleggen. Zo’n stad is ouder dan we denken, en weet ook wel wat tijd nodig heeft en wat dringend dient opgelost. Ik had tijd nodig, en daarom zweeg de stad over mij en tegen mij, maar bleef meelopen.
Later werd Gent mijn stad, en toen werd er wel gesproken. Verliefdheid, angst, eenzaamheid, vriendschap, politieke bewustwording, wat maakt een jonge gast niet allemaal mee. En dan nog in een stad die, hoewel oud, weer vreselijk jong en wild werd in die dagen. Dat leerde ik van Gent: dat met elke dag je opnieuw wordt geboren, en tegelijk zo min mogelijk iets mocht vergeten van al wat voordien gebeurd was. Dat het goed was veel te weten, en dat het goed was te dromen. Mijn eerste studentenjaren vielen in de spannende tijd van 1968/69. ik was het product van een oude beschaving, toen alles zijn plaats kende en men zonder veel morren gehoorzaamde. Toen er waren die wisten en anderen die misschien wel konden weten maar het niet mochten. Toen de wereld nog overzichtelijk ingedeeld was in rijk en arm, in zuil 1 en zuil 2, man en vrouw, jong en oud, wat mocht en wat niet mocht. Het was een wereld die meende twee wereldoorlogen zonder kleerscheuren te overleven. In elk geval in de jaren nadien deed alsof er niets gebeurd was.
Maar toen ik student was in Gent zag ik een oude wereld instorten, en het was fascinerend. Het was mede mijn bevrijding. Ook in mij moest een oude wereld opengebroken worden, en de nieuwe was er nog niet omdat ik hem zelf moest opbouwen. Zo wijd en leeg de verten in mijn jeugd waren geweest, zo vol zaten de soms kleine straten van deze stad. Talen, gedachten, gevoelens, verhalen dreven er samen, haakten in je kleren en je haar en bleven zeuren en zingen in je hoofd.
De stad, ontdekte ik, was een verhaal. Ik was een verhaal, en ik had het nooit geweten. Celesta en Gaby met haar ene oog, mijn oude buurvrouwtjes in het minuscule Jeruzalemstraatje, waren een verhaal. Dat van Celesta was niet zo duidelijk. Ze was al blij dat ik af en toe een boodschap deed en bij haar de Vooruit kwam lezen. Maar Gaby vertelde honderduit over haar drinkende man, de jaren dat ze “diende”, de kleinkinderen waar ze voor moest zorgen, wegens moeilijkheden, ook daar. Elk jaar moest ik voor haar, die nooit in een kerk kwam, naar de kapel van de H.Rita in de Augustijnenkerk, om een kaars aan te steken. Rita was de patroonheilige van “de hopeloze gevallen”. De Bijloke was toen nog geen kunstencentrum maar een middeleeuws ziekenhuis, met grote zalen waar de zieken bed aan bed lagen. Daar vroeg ze mij een grote fles eau-de-cologne te gaan kopen. En weer terug thuis nam ze mij mee naar het volkscafé op de hoek en stelde mij voor als “haar lief”. Op televisie was de Elizabethwedstrijd voor piano bezig, midden in dat café.
Honderden verhalen haakten zich vast in het mijne, begonnen er hun thuis te maken, meubels te verzetten, vensters open te gooien of juist dicht te maken, zwegen lange tijd of bleven juist dagenlang kwekken. Ze namen mij mijn verhaal af en gaven het met iets van hun verhaal terug, en ik liet mij inpakken door zoveel charme en talent. Soms was het ook arrogantie. En soms liep iemand zomaar weg om niet meer weer te keren.
Uit hoeveel verhalen bestond ik? Ik leerde om te gaan met mezelf als pleisterplaats voor wat langskwam. Ik leerde bewaren en koesteren. Ik leerde weggeven. En soms, als ik mijn ogen sloot in bed, of uitkeek uit mijn raam, had ik de indruk dat mijn beweging ook wel mooi was, dat onophoudelijk bewegen van al wat in mij gestroomd was, in mij bleef wonen, mij gezelschap hield, zelfs van mij hield.
Nog altijd is het een wonder door de stad te lopen, of het nu Gent is of een andere stad, en dat leven te zien. Zo’n groot lichaam, en het mag dan oud zijn, je houdt het niet bij in snelheid, en het is nog zo intens nieuwsgierig. En vaak is het erg zorgzaam, als je de aandacht ziet waarmee iemand op een bank in een park mag zitten, of de grote roemer bier die mag wachten op de cafétafel.
Nog altijd is het een cadeau te zien dat een stad het mooiste voor mij wil bewaren: het schilderij in het museum, het licht in de kathedraal, de schaduw op de toren, wat mijn hoofd wil weten in boekhandels en bibliotheken. Een spiegel houdt de stad mij voor: ook ik wil het mooiste bewaren voor wie er behoefte aan heeft, en voor mezelf natuurlijk. En er is veel dat de naam schoonheid verdient.
Ik wil eindigen met wat in een stad de meest vluchtige schoonheid is: de mensen. Ze duiken op in je blik, ze komen langs je voorbij, en zijn weer verdwenen. Voor altijd. Wie niet op hen let, ziet vlammen in een vuur, zo kortstondig zijn mensen soms maar zichtbaar. Deze morgen liep ik door de stad en ik zag: een man op een wonderlijke met gele veertjes beplakte fiets; twee jonge vrouwen met hoofddoek en elk vier volle plastic zakken; een man met zware buik, waar zijn navel als een diepe grot door zijn gespannen T-shirt schemerde; twee dunne oudere vrouwen die zich behaaglijk lieten zakken op een terrasje, net in dat schuine streepje zonlicht; een volledig in zwart geklede vrouw, maar met rode hoofdtelefoon en rode vingernagels; een vrouw die bedachtzaam naar haar urinerende hond staat te kijken; oude man op een fiets, met gestulpte mond van de inspanning en met witte paardenstaart; wiegende Afrikaanse mama; het stel dat elkaar zoent op een bank; een lege paarse bank in een groen grasveld; jonge vrouw die op blote voeten boodschappentassen uit een auto haalt; blotebenenman met helm op te grote bakfiets; toeristen met rugzak en trage stap; ouder koppel, even traag, maar na elkaar, zijn haar door de wind voor zijn ogen gezakt, het hare stevig geföhnd; twee meisjes stevig doorstappend naast elkaar, allebei starend naar hun eigen gesm; een kleine ronde Indonesische vrouw met in de buggy een kind met spitsmuisgezichtje.
En in het ouderlingentehuis waar ik op bezoek ben, een oude vrouw schuin in bed, die vertelt dat haar trombose ook een bevrijding was, dat ze nu wel gedwongen was alles achter te laten en er innerlijke vrede in de plaats kwam.
En terwijl ik wacht op de lift bij het weggaan: drie starende oude mensen, twee vrouwen en tussen hen een man. Ze kijken mij aan maar beantwoorden mijn groet niet. Kijken ze mij wel aan? Waarop wachten ze? Wachten ze wel? Hun vlammen blijven wat langer in mijn hoofd branden als ik terug op straat ben en verder ga. Hoe ga je verder als je stil zit. De stad zegt niets, de bejaardenhelpsters doen hun verzorgende werk, ik vraag niets. Sommige verhalen zijn moeilijk, dat weten we. Maar misschien is wachten ook een vorm van vertellen. In elk geval een vorm van bewaren. Dat hebben ze al: dat ze er nog zijn...
23-11-11
Mijn wonderen: rituelen...
Mijn wonderen: rituelen...
Hou ik van rituelen? Ja, ik hou van rituelen. Ieder mens, denk ik, houdt van rituelen. Sterker: ieder mens leeft van rituelen. Ze zijn communicatie op een dieper niveau, bevestiging van een diepere grond waarzonder niemand kan leven. Ik verklaar mij nader.
De communicatie die, neem nu, een stad in leven houdt, is van een verbijsterende complexiteit. Mensen stappen voorbij, auto’s kennen hun weg, de lichten worden op tijd rood, de winkelramen liggen vol waar, de kinderen kennen hun klaslokaal, de kranten staan vol nieuws, de huizen blijken verwarmd en gebouwd voor nog een dag. Er is een duizendvoudige beweging bezig, die voorzien was, die goed doordacht was, die bewaard kan worden, die mee een nog veel grotere beweging draagt.
Ik kan daar op staan kijken, mijn rug tegen de muur van ergens een gebouw, mijn hoofd en ogen een beetje apart. Er is in mensen een intelligentie gaande die hen, elk afzonderlijk, mateloos overstijgt.
Het is het soort intelligentie dat je ook wel in andere levensvormen ziet. Het geheel groter dan het deel, het komt meer voor, is niet uniek voor de mens. Voeg twee bijenkorven bijeen en ze vinden binnen de kortste keren een nieuwe organisatie, vertelde me een imker. Alleen al het feit dat we ons ontdubbeld hebben via woorden, die in onze plaats gaan vertellen, getuigen, afspraken maken. Die voor ons alles willen bewaren. En dan de cijfers als wat fijner afgestelde woorden, zodat de bruggen niet instorten en het computerscherm geen afstanden meer kent.
Maar de intelligentie gaat veel en veel dieper nog. En toch kan ik er een heel eenvoudig voorbeeld van geven. Ik zal mijn straat niet uitrijden zonder mijn buurman te groeten, die in zijn grasperkje wat aan het schoffelen is. Het lijkt vreemd, dat kleine gebaar, tegen de achtergrond van een wereld die zichzelf vorm geeft in snelwegen, luchtruimen, internetten. Maar zonder die groet is alles voor hem anders. Zonder die groet voelt hij een slag in zijn gezicht. Weet hij even niet wat er gebeurt. Zonder groet lijkt het even of hij er niet meer mag zijn. Het hoeft niet vaak te gebeuren, dat mensen je niet zien staan als je voorbij komt, of erger: dat men wegkijkt, het hoeft niet vaak te gebeuren om je te doen twijfelen aan het kostbaarste dat je hebt: jezelf...
Rituelen weten ons op een veel dieper niveau in leven te houden dan eten en slapen. Rituelen weten van onze naaktheid, onze verlorenheid te midden van een geheel dat zoveel groter is, dat niet aan ons lijkt te denken. Niet kan denken, misschien, omwille van de complexiteit. Maar van niet kunnen naar niet willen is maar een kleine stap. Althans, zo voelt het aan, voor wie plots achterblijft.
Achter de snelheid van snelwegen, luchtruimen en internetten zit de traagheid van elk bewustzijn apart. In die verborgen wereld heeft het ritueel al zo lang wijsheid opgebouwd en uitgedeeld: de groet van mijn naam, als het geheel mij herkent; een babbel aan de rand, een moment dat alles stopt voor mij, zo voelt het aan; en het afscheid van die babbel, met een wens of een gebaar, het lijkt wel of ik het ben die alles weer in gang zet. Die hele machinerie en ik, wij zijn elkaar niet vreemd, wij lijken elkaar beter te kennen dan gedacht. En dat allemaal in zo’n onopvallend gesprekje tussendoor...
Ik mag graag uren in een vreemde stad lopen, straat in, straat uit, mij laven aan monumenten en musea en geluid en beweging. Maar als al die uren niemand echt in mijn ogen heeft gekeken, liefst met een soort glimlach, als ik al die uren met niemand heb gesproken, al was het maar een minigesprekje over niemendal, dan groeit in mij een soortement vervreemding, alsof ik alleen ben, achtergebleven, misschien wel vergeten. Ik weet van en herken de kinderlijkheid van dat gevoel. En toch. In mijn portefeuille zit genoeg geld om mij in leven te houden, maar het wezen dat ik ben, dat zich ik voelt, kan het niet laten te hunkeren. Er is blijkbaar ook een ander soort honger.
Soms wordt voor het ritueel een bewuste keuze gemaakt. Soms willen mensen zich dompelen in een ritueel, in een geconcentreerde vorm veel diepte opnemen en meenemen naar huis. In de stille schemer van de concertzaal straalt het podium met de ambachtslui die toch kunnen toveren. In elk geval chaos van klanken zo kunnen ordenen dat we weer geloven in een harmonie, in een samenspel, in de kleinste klank die naast de grootste ligt, zoals de leeuw naast het lam. En dat schoonheid nooit ver weg is. Als mensen zich verdiepen in de werkelijkheid halen ze die er zo uit. Bestaan dat kan troosten, bestaan dat in zichzelf overvloed verbergt en alleen al daardoor goed is.
En zo kom ik, naast de kunst, bij dat andere hele bewuste ritueel, het religieuze. Waarin woorden geladen worden met een spanning die hen uitrekt tot voorbij de tastbare werkelijkheid. Waarin woorden gezongen worden, omdat muziek nog veel verder kan gooien. Waarin symbolen, in al hun zwijgzaamheid en leegte, grenzeloos blijken, kunnen samenvatten waar een mens nooit woorden en ideeën genoeg voor zal vinden. Licht van een kaars: ze heeft geen hogere studies gedaan, die kaars, maar ze heeft meer begrip, voor iedereen zonder uitzondering, dan de schitterendste theologie. En het verhaal dat uitge(b)(d)eeld wordt, is elk mensenverhaal. Zo werken verhalen nu eenmaal, ze voegen zich naadloos in het onze (of is het net omgekeerd), en dat ene leven van ons blijkt zoveel ouder, wijzer, veerkrachtiger, sterker. Net waarvoor deze stille ruimte dient. Tot herstel van het mensenbestaan dat anders, tussen de beurskoersen en de rat race, zo makkelijk oplost tot schaduw van niets.
Macht, religieus of politiek of anders nog, heeft haar eigen rituelen, om zichzelf nog groter te maken dan ze al is. Daar is soms weinig aan te doen, want ook macht wil voor mensen een soort religie worden waar ze hun klein verhaal in voegen. Staatsie, om de pompeusheid van de macht maar even zo te noemen, houdt echter van het verschil. Er is maar één kroon, en die man daar draagt haar. Er zijn maar enkele hermelijnen mantels, en die mannen daar dragen ze. Er mag er maar één volledig in het wit lopen, van boven tot onder (al houdt hij van de rode schoentjes die hij aantrok toen hij, als een mannelijke Assepoester, tot het hoogste geroepen werd...).
Het verschil: daarom laten de superrijken hun megakamers zien op televisie, of hun jachten in mondaine badplaatsen. Het ergste wat hen kan overkomen is, dat er geen verschil meer is. Dat mensen zich onverschillig omdraaien en voortdoen met wat ze bezig waren te doen. Het normale leven dus, dat gelijkelijk over iedereen is verdeeld. Eten, drinken, slapen, lachen en wenen. Al doen de rijken er alles aan om de anderen te laten geloven dat het werkelijke leven bij hen ligt, ze dwalen. En dat ze dat weten, is hun eigenste tragiek.
Is een kaars ontsteken dan het ritueel van de onmacht? Nee, wat opvalt in al die rituelen die ik heb genoemd, is dat ze gedeeld worden. Van kaars tot muziekopvoering, van religieuze viering tot festival, er wordt gedeeld. En dat is in de marmerpaleizen niet het geval. Tenzij er tussen Berlusconi en zijn jonge, betaalde hoertjes sprake is van ware liefde. De gulheid van een gedekte tafel, het cadeautje voor de verjaardag, de nieuwjaarsbrief, de attentie voor de juf en de bedanking na geleverde prestatie, beleefdheid in al zijn honderden vormen, tot aan de galantheid toe, ze delen het goede leven op een manier die getuigt van hoge beschaving. Niet van onmacht... Het zijn de slavenhouders van de macht die onmachtig zijn, en ’s nachts gered worden door een slaap die hen voor de zoveelste keer vergeeft.
Rituelen zijn slim, op een manier zoals ook woorden slim zijn: ze bewaren een groot stuk werkelijkheid voor ons. Woorden in de breedte, rituelen in de diepte. In plaats van “met de tijd mee te gaan” en “al die oude rommel” achter te laten, zouden we beter voorzichtig ons afvragen wat rituelen in hun diepte verbergen, en of we niet veel te veel verliezen door hen te verliezen.
Het mooist vind ik rituelen als ze getuigen van mededogen. Dat zo’n jonge gast opstaat van zijn buszitje en een beetje verlegen (want iedereen kijkt) een oude vrouw zijn plek aanbiedt, getuigt van een groot respect voor het leven zelf. En is een daad die niet ophoudt nadat ze gesteld is: haar golven zetten zich verder in iedereen die het zag, die het meemaakte. Dat mensen zich opkleden voor een feestje, getuigt van een grote kennis van wat feesten is: een spel dat zich afbakent, waarvoor men een rol speelt, en dan is je verkleden toch al een goed begin; net als elk spel niet het echte leven, maar er toch heel erg op gelijkend, en met volle intensiteit gespeeld; en net als elk spel straks ook weer afgelopen. Is dit mededogen? Ja, omdat net dat onderscheid tussen spelen en gewoon leven in zijn evenwicht mededogen is met het harde menselijke bestaan, dat het moet doen met dromen en werkelijkheid tegelijk, met eenzaamheid en verbondenheid gelijk. Net omdat je toch even kunt ontsnappen, is het leven in zijn diepte mild...
Aan de dood ontsnappen we niet. Maar elke mens weet dat er afscheid wordt genomen. Zo hoort het toch en zo gebeurt het toch ook voor het overgrote deel van de mensen. Wie totaal geen familie of nabestaanden heeft, wordt door de stad of gemeente een begrafenis betaald. Slechts in oorlogen of rampen worden massagraven gegraven. Maar dan is het respect enkel uitgesteld, komt nadien een herbegraving, of een naamlijst of een monument. Afscheid nemen in de dood is misschien het meest meevoelende ritueel van mensen. Van de christelijke ziekenzalving (die nabestaanden “mee-zalft”) tot de herinneringen in de aula van het crematorium, van “In paradisum deducant te angeli” tot de kerkhoven die nooit zonder bezoek zijn, overal ter wereld wordt aan doden de eer gegeven die ze misschien zelfs tijdens hun leven zozeer ontbeerden.
En het meest nabije ritueel van al: in een naam zijn wij geboren, in een naam sterven we, in een naam worden we herinnerd...
(foto's: Brussel, St Gillis & Joods kerkhof Warschau)
21-11-11
Stuipen & power (dagboek)
Zat 19/11
Dat failliet van de beslissing in de democratie geeft mij de stuipen. Letterlijk. Nog maar zelden de maatschappelijke onzekerheid binnen in mij gevoeld. Je kunt foeteren op al wat verkeerd loopt rondom, iets anders is dat in je lichaam voelen. En ik ben niet de enige...
Dat politici niet meer willen (kunnen) knopen doorhakken. Dat alle langetermijnvisie weg is. Dat belastingen een besmet woord worden, zeker in combinatie met het woord “nieuwe”: nieuwe belastingen (je zou moeten blij zijn dat je op die manier effectief verantwoordelijkheid kan opnemen voor je maatschappij, denk ik soms; maar nee dus, zeker niet vanwege die fameuze aandeelhouders; managers hebben nog die werkgelegenheidsverantwoordelijkheid, maar de onzichtbare aandeelrijken...?)
En hoe zwakker de beslissing, hoe meer zottigheid en extremisme. Die Tea Party-onzin. Die fundamentalistische rommel die overal het laken naar zich toe trekt (omdat vernielen nu eenmaal makkelijker is voor dommeriken dan iets opbouwen). De media die maar kijkertjes en centen zitten te tellen, en een mens steeds meer aanspreken als zat hij nog in de lagere school. Die rechten-ideologie, de minst boeiende ideologie die er is (oog om oog is ook een soort recht), die van mensen weer jagers maakt, en blind voor iets dat groter zou kunnen zijn dan een ticket voor Pukkelpop, of het nemen van een voorrang zonder te bedanken. En dat collectieve wantrouwen dat er uit volgt, alsof samenwerken en elkaar bevragen niet veel inspirerender is, niet veel vruchtbaarder dan een eigen omheind gebied met zogezegd allemaal gelijkgezinden (weer die blindheid). Maar het gaat om geld, altijd weer gaat het om geld...
Nog het meest ontmoedigt mij de gluiperigheid van alles: ons sociaal stelsel was geëvolueerd van caritas naar een systeem van doordachte solidariteit, een weergaloze beschavingsprestatie; elk kind kon en zou verder studeren, ongeacht de financiële draagkracht van zijn ouders; de ngo’s als speurhonden die ook het internationale recht konden veranderen (Strafhof Den Haag); ik noem maar een paar voorbeelden van veranderingen die ik in mijn leven zich heb zien voltrekken. Maar vandaag lijkt over die verwezenlijkingen geen goed woord meer gezegd te kunnen worden. Die uitholling is een strategie, denk ik, en ik weet niet wie daar ’s nachts mee bezig is. Ik weet alleen dat het lijkt te werken, zoals je ook de sterkste gevangene klein krijgt met van die verraderlijke technieken. Overdrijf ik? Je zal maar werkloze alleenstaande moeder zijn, met een paar kids, waarvan er eentje regelmatig ziek is. Je zal maar gezin op de dool zijn, er zijn zoveel grenzen. Dat neo-liberale Europa (dat nooit om mijn mening heeft gevraagd) helpt ook niet mee: integendeel, de Alexander Decroo’s van deze wereld worden er alleen maar koppiger van. Enkel een ezel blijft koppig, denk ik dan. En iemand die zich verbergt achter een ideologie, als de eerste de beste principieel gelovige.
*
Maar ’t is de leeftijd zeker. Tegelijk met de stuipen moet ik beter leren zien waar de nieuwe kracht ligt. Bijvoorbeeld, het klinkt vreemd, in Wa’Liekes (WimVerbeke & Dries Debeul & Kaatje Verbeke): hoe drie jonge mensen, zomaar unplugged met wat gitaren, en microloos, die oude liedjes weer te voorschijn toveren. De kunst van het zuivere samenzingen. De kunst van kleuren rond de stilte. De kleur van een emotie, en niet meer dan dat.
Er is een geluidsvermoeidheid gaande, die weer kansen biedt. Niet toevallig verschijnt er nu een boek over het Franse chanson. Al waren het deze avond Engelse songs, ze ademden dezelfde aandacht voor tekst en muziek en zanger. Kansen: ik weet dat I Love Techno tienduizenden vreedzaam samenbrengt. Maar een groepje mensen dat stil zit te luisteren is even belangrijk, is een ander soort vrede: die van de diepte, van binnen kijken, van respect, van weer wennen aan het kleine, aan de kracht van één enkele gitaaraanslag, van fluisteren, van glimlachen naar elkaar....
En naast mij zit Pat. Kameraad van vele jaren, maar zo een die je maar om de zoveel tijd ziet. Man van veel engagement: India, straathoekwerk, onderwijs, en al wat ik nog niet weet. En het vuur brandt nog in hem (zijn jongste project, met technische school-leerlingen, is L'oiseau bleu van Maeterlinck). Hij is de indignados gaan bezoeken. Noemt ze kippen zonder kop, gedreven maar zonder goed te weten waar naartoe. Maar wisten wij het dan zo goed in de jaren zestig, vroeg ik. Wij wisten toch ook maar één ding: dat het zo niet verder kon? Soms is vuur genoeg. Soms is een stap zetten genoeg. Als ik weer de stuipen voel, zal ik daar aan denken.
(Nog een kleine toevoeging: lees even wat Ysabje op 15 november schrijft op haar blog: http://ysabje.wordpress.com/)
19-11-11
Over wegtrekken (dagboek)
Woen 16/11
Jan Decreton herkende mij, op de opening van zijn tentoonstelling in Halle. En het gezicht dat daar bij was, verwarmde mij. Na jaren verliest vriendschap niet. Zou Montaigne zeggen.
Het was een dag van zon, en we reden vroeger weg dan nodig voor de opening, die om half vier gepland was. Nijvel, dacht ik, nog eens die oude romaanse kerk zien. Mijn oud geheugen wat helpen. Dat van Lieve vooral, want zij beweerde dat ze in Nijvel nog niet was geweest. Ik weet (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid...) dat we, toen nog met de kinderen, toen nog ukkies, ooit in Nijvel zijn afgestapt en binnen zijn gegaan onder die prachtige brede voorgevel, zo opvallend dat ik hem nooit meer vergeten ben. Maar ala, zij mag ook haar lege plekken hebben in haar hoofd.
Dus Nijvel. Het was marktdag, druk, auto’s en mensen en kraampjes. Maar niet met dat luide roepen van een Vlaamse markt, eerder ingetogen. En het was mooi om te zien, hoe de kraampjes zich slingerden rond die grote kerk.
Vreemd dat zoiets ouds als een markt nog altijd bestaat, zei ik. Dat tijdelijk bijeenbrengen van al die goederen. Alsof er geen winkels bestaan. Of sterker: grootwarenhuizen, dat zijn toch overdekte markten? We raakten er niet uit, een mens moet een paar vragen overhouden voor morgen.
Vreemd ook dat, als de zon schijnt, ik denk aan wegtrekken. Dat bewegen over ’s heren wegen. Misschien dat mijn kop dan rust, als die auto zomaar tussen nieuwe mensen en dingen en momenten kan rijden. Misschien dat enkel kijken voor mij al leegte genoeg is in mijn hoofd. Misschien ook een soort zorgenloosheid, ja ook dat. En een prettig soort isolement: ik hoef niet alleen in een lage woning op een Schotse helling de elementen te ondergaan (daar droom ik wel eens van), of nog straffer: alleen in een robuuste boomstammenhut, omringd door louter witte sneeuw en ijs en stilte, mij warm te stoken met een eeuwige kachel (daar droom ik ook al eens van), ik kan simpelweg zwerven over de oude wegen, en bijna een zelfde vrije eenzaamheid voelen (het is groot rond mij, en toch blijf ik in leven, heb ik een boterham voor de avond en een bed voor de nacht).
Het enige nadeel is dat het schrijven er bij inschiet. Al dat bewegen is niet bevorderlijk voor de bewegende pen. Zelfs geen ipad zou mij redden, want ik blijf maar opkijken, in plaats van verder te schrijven. Daar is weer een rare vogelkop voorbij gekomen, en ginder klinkt het begin van wat tragiek, en een meisje loopt over straat in zo weinig dat ze evengoed niets had kunnen aantrekken, en een oud vrouwtje drijft uit haar schoenen en ik word daar mee week van, en... Schrijf maar eens, als de werkelijkheid zo dicht komt.
Wat ik doe, tijdens een windstil moment, is af en toe wat notities nemen. Of rechtstreeks opslaan in mijn geheugen. Mijn daggeheugen is nog redelijk intact. Maar overmorgen is het wel al uitgerafeld. Vandaar die korte notities. Verleent mij ook een soort werktevredenheid. Alsof ik mijn plicht als kijker toch behoorlijk vervul. Zie mijzelf eens bezig...
17-11-11
Tijdsgevoel (dagboek)
Mijn tijdsgevoel is veranderd door niet meer regelmatig te gaan werken. Toen leefde ik, en de collega’s met mij, in gedeelde tijdspannes van weken en maanden. Trimesters, noemden wij dat, omsloten door grote en kleine vakanties.
Nu leef ik dag per dag. Elke morgen is een nieuw begin, elke avond sluit af.
Ik weet niet of ik nu sneller of trager leef. Ik weet alleen dat het me soms overvalt, starend aan het raam bijvoorbeeld, of als ik naar mijn voeten kijk met de vraag wat ik nu weer van plan was: dat ik vloeibaarder ben dan vroeger... In een opgelegde structuur werken, voor een gezamenlijk doel, geeft een zekere vastigheid. Beton met het beton, zoiets.
Maar dit verglijden heeft iets zeer ongrijpbaars. Al zitten mijn uren vol en heb ik genoeg zingeving aan mijn kop, zie ik mensen en plaatsen die mij inspireren, laaf ik mij aan muziek en musea, aan het eten van restaurants en aan de klap van vrienden. En toch die ongrijpbaarheid.
Gisteren kwam er een gedicht van. De dingen rondom mij, tafel, stoel, kast, bord, kunnen zo goed wachten. Maar daar zijn ze dan ook voor gemaakt. Maar zelfs hun vastheid is bedrieglijk: zij zien misschien, net zoals ik, zoveel passeren dat ze niet bij kunnen houden. De tafel al wat er op wordt gelegd en weer weggenomen; de stoel de ene na de andere die gaat zitten; de kast dat er in hem gerommeld wordt, en zelfs dat hij naar elders verdwijnt, weggezet wordt, wegens andere en nieuwe vastigheden; het bord, maaltijd na maaltijd vertillen, nooit houdt het op, tenzij voor die gelukkige broeders die aan een haakje aan de muur mogen hangen (en ook die voelen het zonlicht dat over hen loopt en alle schaduwen van de seizoenen, ai ai).
Ware ik een knaap nog in dit tijdsgewricht, men noemde mij allicht hoogsensitief, allicht met pillen toe. Zoals men in de middeleeuwen de humeuren had, en dan was ik melancholisch geweest (er zijn er die dat vandaag nog van mij zeggen; dan ben ik blij dat ik zo oud ben: ik, een middeleeuwer...).
Maar ik wil niet zo nodig een etiketje, ik wil simpelweg begrijpen. Dat is niet teveel gevraagd voor een mens met zoveel schedel voor verstand. Daarom blijf ik mij maar lezen en opschrijven, zoals zovelen die op deze blog langskomen. Woorden als een fijn net om jezelf te vangen. Blokjes om jezelf bijeen te puzzelen. Uitsneden uit de grote werkelijkheid, die net als foto’s door hun rand mooier lijken dan ze misschien wel zijn.
Duidelijkheid over de snelheid krijg ik niet, maar ik weet wel dat de uren kostbaarder worden, als je in een dagcurve zit. Ooit leef ik per voetstap, per oogknip, per adem. Tot mijn hele leven samengebald zit in één seconde. Misschien wel mijn laatste...
Wat ik nu zou willen, is dat ik ook dan nog kan opschrijven wat er in mij gebeurt. Het zal snel moeten gaan, ik weet het, maar tegen dan lukt dat misschien wel...
(foto's: einde van dag 13 november 2011)
16-11-11
op de markt
15-11-11
op de markt
14-11-11
Soms vraag ik mij af of ik niet vloeibaar ben...
Soms vraag ik mij af of ik niet vloeibaar ben...
Soms vraag ik mij af of ik niet vloeibaar ben.
Vreemde vraag voor iemand die stil kan zitten
op een stoel. Niet vreemd als ik denk aan
alle adem die in mij aanspoelt, oude kustlijn.
Zo is het: ik neem een boek uit het rek
en woorden drijven voor mij uit.
Ik wil ze herhalen, met de stem in mijn hoofd,
maar ik raak slechts hun schaduw, nauwelijks.
Zo is het: deze tafel beweegt niet, maar
zoveel dat komen moet, zal hij dragen.
En dit raam dat wacht op alles
wat tijd wordt. Niet te tellen.
En dit zijn dan nog stille zwijgzame
dingen. Ze hebben ooit aanvaard
dat ze gemaakt zijn om te wachten.
Om overspoeld te worden.
Maar ik, die een hoofd zonder grenzen
heb, en mezelf zo onvoorzichtig openzet,
welk dun schutsel houdt mij tegen?
Waarom toch wil ik mezelf tegenhouden?
Niet te lang door het raam kijken, zeg ik
tegen mezelf, niet met een volle kop van wind
en mensengezichten thuiskomen. Mij hard
wassen dat mijn huid weer dik wordt.
Ach, maar dan begin ik weer te denken dat ik
kan opruimen als een ding, bij elkaar
kan zetten succes en vernieling, kan meten
de eindeloosheid, ik die zo klein ben.
En ga ik dicht als dingen in de nacht,
terwijl ik nooit heb leren wachten als zij,
er sijpelt onrust door al mijn voegen,
hoeveel lichamen verlies ik als ik slaap.
Ach, hoe zou het anders kunnen. Mijn vader
verbouwde luchten en bedwong einders,
het graan schoot op tussen zijn handen, maar
alle woorden riepen zich verloren in zijn mond.
En mijn moeder: ze bette haar ogen met
de dagresten die in haar achterbleven, en als
ze opstond om weer aan het werk te gaan,
wist ze niet wie opstond, dat lichaam van haar,
of een verlangen dat nooit opgaf, en haar
meenam, tot ver buiten haarzelf.
Ze was moeder buiten en binnen haar lichaam
en had ook twee gezichten, één open, één toe.
Als kind grijpen je vingers, maar bij haar
grepen ze in een droom. Zo heb ik
leren schommelen tussen in en uit,
tussen vloeibaar en vast, tussen
weten en vergeten. En dat je ook kunt
willen wat je hebt en achterlaten
wat je niet, of nog niet hebt.
Dat laatste is meer. Of minder.
(foto: wachtende kinderwagen op markt van Nijvel, zaterdag 12 november. We waren op weg naar de academie van Halle, naar de opening van een overzichtsexpositie van Jan Decreton, fotograaf, oude vriend. In Nijvel scheen de zon overvloedig. Weldadige overvloed, waardoor het stadje leek te drijven op een bed van licht. Vooral de kerk van St Gertrudis was een hoog schip. We aten volaille in een resto achter de romaanse kerk, en ook dat was lekker)
11-11-11
Emily Dickinson uitkleden (Billy Collins)

Emily Dickinson uitkleden (Billy Collins)
Eerst haar kraagje van tule,
makkelijk van haar schouders weggetild
naar de rug van een houten stoel.
En haar hoedje,
de strik losgemaakt met een lichte ruk naar voor.
Dan het lange witte kleed, iets moeilijker
met die paarlemoeren knoppen
achteraan de rug
zo dun en zoveel dat het duurt en duurt
voor mijn handen de stof scheiden,
zoals een zwemmer het water deelt,
en binnen kunnen glijden.
Het zal u interesseren te vernemen
dat ze stond bij een open raam
van een slaapkamer op de verdieping,
bewegingloos, haar ogen wat opengesperd
neerkijkend op de tuin beneden
het witte kleed slordig bij haar voeten
op de bleke hardhouten vloer.
Onderschat niet hoe ingewikkeld
vrouwenondergoed kan zijn
in 19de-eeuws Amerika,
en stap voor stap, als een poolvorser, ging ik
verder door knijpers, haken, en meertouwen
bindingen, riemen, en baleinenstutten
zeilend naar de ijsberg van haar naaktheid.
Later, schreef ik in een notitieboekje, was het
net als drijven op een zwaan in de nacht,
maar natuurlijk kan ik u niet alles zeggen –
de manier waarop ze haar ogen sloot voor de boomgaard
hoe haar haren vielen, toen ze vrij kwamen uit de spelden
hoe we plots versnelden elke keer
als we spraken.
Wat ik u wel kan vertellen is
hoe verschrikkelijk stil het was in Amherst
die sabbatnamiddag,
niets dan een rijtuig langs het huis
een vlieg ronkend tegen het raam.
Zodat ik haar duidelijk kon horen inademen
toen ik het bovenste haak-en-oogje
losmaakte van haar corset
en ik kon haar zucht horen toen het uiteindelijk los was
op dezelfde manier zoals sommige lezers zuchten wanneer ze beseffen
dat Hoop vleugels heeft
dat verstand een vloerplank is
en leven een geladen geweer
dat strak naar je kijkt met een geel oog.
(eigen vertaling)

Taking off Emily Dickinson's clothes (Billy Collins)
First, her tippet made of tulle, easily lifted off her shoulders and laid on the back of a wooden chair. And her bonnet, the bow undone with a light forward pull. Then the long white dress, a more complicated matter with mother-of-pearl buttons down the back, so tiny and numerous that it takes forever before my hands can part the fabric, like a swimmer's dividing water, and slip inside. You will want to know that she was standing by an open window in an upstairs bedroom, motionless, a little wide-eyed, looking out at the orchard below, the white dress puddled at her feet on the wide-board, hardwood floor. The complexity of women's undergarments in nineteenth-century America is not to be waved off, and I proceeded like a polar explorer through clips, clasps, and moorings, catches, straps, and whalebone stays, sailing toward the iceberg of her nakedness. Later, I wrote in a notebook it was like riding a swan into the night, but, of course, I cannot tell you everything - the way she closed her eyes to the orchard, how her hair tumbled free of its pins, how there were sudden dashes whenever we spoke. What I can tell you is it was terribly quiet in Amherst that Sabbath afternoon, nothing but a carriage passing the house, a fly buzzing in a windowpane. So I could plainly hear her inhale when I undid the very top hook-and-eye fastener of her corset and I could hear her sigh when finally it was unloosed, the way some readers sigh when they realize that Hope has feathers, that reason is a plank, that life is a loaded gun that looks right at you with a yellow eye.

09-11-11
Over het vinden
Over het vinden
Het was in Billy Collins’ bundel Picnic, Lightning.
Ik las een gedicht, en nog een, en begon achteraan,
zoals dat gaat met een linkerhand
die dienstbaar is als Martha, en
een rechterhand met de hunker van Maria.
En plots is daar dat kleine eucalyptusblad,
slank als een atlete, en even pezig ook.
En ik weet niet of ik het tussen twee vingers hou,
of dat het blad nu heel voorzichtig aan mij voelt.
En dat deze slanke danser te voorschijn viel
in overdadig morgenzonlicht, zal wel
toeval zijn zoals toeval graag wil zijn:
rijk, en overdadig, en onverwacht,
als iets dat men vergat en dan weer vond
in een boek van Billy Collins, de dichter,
die vertelt hoe zijn leven voor hem uit loopt
en hij mag kijken tot het iets vindt:
dat sneeuw valt als een solo van Monk,
hoe je Emily Dickinson uit haar kleren
droomt, en de diepe stilte die dan valt,
hoe de nacht is rond het huis, en dat een hart
het licht kan knippen, als een bliksem

07-11-11
Mijn wonderen: tuin...
Mijn wonderen: tuin...
De klassieken zochten naar evenwicht die rust en genot kon worden. De stoïci wilden die soepele olie vinden om mee te glijden met wat het leven in hen deed, de epicuristen wilden die olie ook proeven. Niet dat het zo vanzelfsprekend gaat als ik het hier schrijf. Anders hadden hun grote filosofen er zich niet zo mee bezig gehouden. Een mens is te onrustig om definitieve antwoorden te vinden. Ook dat ideaal van evenwicht is maar een manier om de volgende stap te zetten. Het houdt met mensen nooit op.
Ook een tuin blijft in beweging: het is op de dag dat ik dit schrijf, volop herfst, en de regen lekt over alles, en ook de wind is regen, en het licht al evenzeer. Maar een tuin lijkt, hoe anders dat de zoekers die mensen zijn, wel te weten wat evenwicht is: ik zie rond mij een orde werkzaam die diepe rust, en wie weet wel genot is geworden.
Dat opruimen, hoe het in zijn werk gaat. Niet overhaast, maar met een soort trage kalmte die geen tijd lijkt te kennen. De acerbladeren zijn donker verdord als ze op de grond vallen, maar in de cornus is nog een grote schilder aan het werk: op al die kleine canvasjes glanzen zijn kleuren in onvermoede combinaties. Voor alles is een tijd, zegt het oude bijbelboek, en de groene cornus weet dat: zijn schilderijen zullen de lucht kleuren, en nadien trekt al het rood in de stammetjes, om in de winter schijn bij donkerte te voegen.
Het hoeft niet, het mag, dat is de levensfilosofie van de tuin. En wat niet kan, staat naast wat wel kan, en laat zich iets van de schijn aanleunen. Dit is geduld dat van elk moment weet te genieten. Ook als iets verdwijnt, zijn genot en schoonheid mogelijk. Veranderen is verliezen en winnen tegelijk, weet de tuin. De bladeren worden oud, maar hun najaarsgeel is dit jaar nog niet vertoond. Is zo heel anders dan al het spetterende geel van het voorjaar.
En er is een grond om naartoe te vallen, weten de bladeren, daar waar ze begonnen. Even onzichtbaar als ze naar die botten klommen, om later uit te komen, zullen ze krimpen, uiteenvallen en oplossen in die grote grond. Dit is geen lijdzaamheid, maar zekerheid van een orde die hen niet in de steek laat. Die voor elk blad afzonderlijk de hoogste, ingewikkeldste processen reserveert.
Je ontmoet het ook bij mensen: dat ze transparant worden in hun huid, in hun blik. Dat die wonderlijke voorlopigheid die een mens is, duidelijker wordt, maar net daardoor des te meer uitgesneden uit de leegte, des te meer aanwezig. Met een aanvaarding die perfect samen lijkt te vallen met dat grote, maar tijdelijke krijgen. We hebben er geen woorden voor, maar we kunnen er ons wel tegen of in leggen.
Maar in de oude tuin wordt al gewerkt aan de nieuwe. Het materiaal voor al die jonge knoppen wordt nu al naar boven gesjouwd. In al die wortels en takken en twijgjes maalt de grote beweging die leven is, en nooit aflaat. Ook dit is tuin: een overtuiging dat alles kan herbeginnen, dat moed normaal is en geen uitzondering. Dat nieuwe verbeelding mogelijk is. Nieuw vergezicht in weer een nieuw blad of nieuwe bloem.
Meer zelfs dan de vorige groei en bloei: leven is beweging die nooit ophoudt hoger te reiken. Zegt de tuin.
Dat is veel voor ons, kleine maar ook aarzelende mensen: hoe zal ik groter worden als ik mezelf verlies. Hier en daar voel ik me al verdorren, en naar de grond trekken. Zelfs mijn stam kraakt soms, zakt weg. Hoe zal ik dan groter terugkeren? Als ik het leven verlies, hoe zal ik het dan bewaren?
Ach, het is mensen niet genoeg dat ze soepele olie vinden om mee te kunnen leven met hun gekregen bestaan, en te glimlachen om die lenige gewrichten. Ze willen ook nog begrijpen. Een tuin weet dat het grote zich verbergt in het kleine, dat vandaag ook volgend jaar is. Dat tot rust gekomen geduld van een tuin... Ik ken een vriendin die, als ze dat geduld kwijt is en absoluut weer nodig heeft, met haar twee handen in de grond gaat wroeten, om het terug te vinden.
Werken in de tuin om het leven zelf te begrijpen en te aanvaarden, ook voor mijn vrouw is het een vorm van ademhalen en lidmaat zijn van een groter lichaam, en daarin beweging mogen maken.
En ik? Ik kijk toe...
04-11-11
Wat er gebeurt als de wind even stilvalt...
Wat er gebeurt als de wind even stilvalt...
Weet hij dat er iemand naar hem kijkt?
En hem benijdt, omdat hij niet zo dansen kan,
niet zo van oude adel is in stijl
en wijdte, zo in en uit zichzelf?