05-09-10

Rood rust bij rood (moment 7)

Berlijn juli 2010-22.JPG

03-09-10

Vier talen

 

 

Berlijn juli 2010-25.JPG

 

Op BBC WorldService het fascinerende verhaal van Amanda Goldsworthy, als geboren Engelse de persoonlijke tolk van drie Franse presidenten.

Hoe haar vader-diplomaat (en overtuigd Europeaan) elk van zijn vier kinderen consequent in een andere taal opvoedt: zij in het Frans, haar zus in het Spaans, haar broer in het Duits en haar tweede zusje in het Engels. De vier talen werden door elkaar gesproken, maar absoluut verbod was er om te switchen van taal tijdens een zin: elke zin moest worden afgewerkt in de begonnen taal. Vader sprak zijn kinderen toe in de respectieve vier talen, moeder paste zich aan haar man aan maar gebruikte zelf altijd Engels.

Als ze dat laatste vertelt, klinkt ook een zucht. Het zal niet makkelijk geweest zijn, zo’n idealist als man, zo’n talenbabel bij opgroeiende kinderen. Maar het werkte. Zij denkt in het Frans, zegt ze, zij telt in het Frans. Geen enkele Fransman zal maar vermoeden dat ze een buitenlandse is. Haar “Spaanse” zusje is in Mexico gaan wonen. Zij tolkt in Parijs. Ze vertelt de toch wel merkwaardige anekdote dat haar vader haar op een nacht plots wakker maakt met de boodschap dat er brand is, enkel om te horen welke taal ze spreekt als ze zo schrikt. En na haar eerste (Franse) woorden constateert dat zijn opvoeding werkt en haar geruststelt en weer laat slapen...

(Ik herinner me dat de Engelse essayist George Steiner, ooit geïnterviewd door Wim Kayzer voor zijn spraakmakende VPRO-programma  Over de schoonheid en de troost, hetzelfde verhaal vertelde van opgroeien in een gezin waarin drie talen tegelijk werden gebruikt...)

 

Ook over haar contacten met drie Franse presidenten kon ze meer dan boeiend vertellen. Over de keizerlijke sfinks Mitterand, die nooit iets liet blijken van zijn binnenkant, zodat ze tot op vandaag niet met zekerheid kan zeggen of hij al of niet Engels begreep. Volgt de anekdote over het telefoongesprek met een of andere Amerikaanse president, toen nog met een koptelefoon die niet goed doorkwam, terwijl de presidentiële labrador zijn voorpoten op haar schouders had gelegd en af en toe haar gezicht likte en Mitterand zelfs niet reageerde, alleen toekeek. Misschien omdat dit toch wel een uitzonderlijk moment was geweest, vroeg hij nadien hoe haar voornaam was, en zei: ah, un nom de chèvre. Zij, wat gepikeerd: monsieur le président! En dan verontschuldige Mitterand zich door uit te leggen dat zijn moeder altijd verhaaltjes vertelde en dat de geit in die verhaaltjes Amanda heette.

Over Chirac die van mensen hield en bij de diners het gesprek stopte omdat zij “nog niets gegeten had”, broodjes smeerde die hij haar over zijn schouder toestak, zodat Schröder op zijn beurt hetzelfde deed met een soepje dat hij had ingeschonken. Chirac die, toen ze eens hals over kop moest komen tolken en dan maar haar metekind meebracht dat braaf wachtte in de gang, op zijn beurt zijn hoge gasten liet wachten om eerst uitgebreid met het meisje op de foto te gaan, als beloning dat ze was meegekomen en stil had gewacht.

Over Sarkozy vertelt ze enkel dat ze er veel vertrouwen van krijgt, wat dat dan ook moge betekenen. Meer niet.

 

IMG_3225.JPG


 

01-09-10

Narrenwijsheid (J.C. van Schagen, 1891-1985)

 

IMG_4414.JPG

 

Niets is, dat niet goddelijk is.
Daarom wil ik niets uitzonderen.
Ik geef geen namen.

 

  Ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar 

              recht, ik blijf niet staan bij slecht en lelijk.

Goed en deugdzaam gaan mij niet aan.

 

De regen regent over bos en zee en over de stille velden
In de slootjes regent de regen, op de verre buiten-
              wegen en op het zinken platje van de keuken
In de vuile gootjes van de binnenstad regent de
              regen en de regen regent op de keetjes van
              de burgerwacht
En op het trottoir met de natte krant, de uienschil
              en het lucifertje.
De gevangene in zijn cel hoort de regen, de moeder
              staat voor het raam met haar kindje.
De kellner staart in de regen door de spiegelruit,
              voorbij het kleintje koffie.
De politicus loopt op en neer in zijn kamer en
              bedenkt, wat hij zeggen zal, maar hij blijft
              staan en luistert naar de regen.
De regen regent over de schepen in de havens, over
              het station en de emplacementen, over
              de fabrieken buiten de stad.
En over het oude paard van de kolenwagen aan
              de overkant.
Zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg,
Hij leekt langs de planken van het fietsenhok en
              langs het warme gezicht van het schoolmeisje,
Langs het gelaat van de ouden man, die heeft liefgehad,
              langs de vale gezichten van de chauffeur
              en de journalist met zijn potloodje.
Op de rode pannendaken der oude huizen, op de
              afdakjes en de binnenplaatsen, in de steegjes
              en de hofjes en in de groene grachten van de
              oude stad regent de regen.
Hij regent pokkeputjes in het kille strand, waar het
              seizoen verkeken is,
Op de daken der hotels met de rood pluche kamertjes
              regent hij, over de lege ambtenaarsbuurten
              en de bouwterreinen.
Op de tramremise en de kar van de bakker, op de
              werkman van het sintelpad,
En er is een diepe, zwarte toon gekomen in de
              dingen, oud en dromerig en vertrouwd.

 

Zoo regent de regen.
Daarom geef ik geen namen.
Ik ga maar en ben.

 

Un ange qui passe... (moment 7)

IMG_4213.JPG

30-08-10

Het laatste zien (na een bezoek aan Sachsenhausen KZ)

Berlijn juli 2010-76.JPG

 

 

Als de dood dan toch

van lichamen houdt

laat hij zich dan tonen

in een lichaam, bleek

van het schrikken

en versteven van

het gewicht, laat hij

dan wachten tot

het verdriet genoeg

aanrakingen heeft

verzameld om zichzelf

een tijdje te bedriegen

laat hij dan niet

nooit gewoon wegblijven

oplossen in de lucht

niet meer thuiskomen

zo laf mag een dood

niet zijn, laat hij

in de ogen kijken

van wie hem ziet

en volhouden

beleefd maar koppig

dat hij gelijk heeft

 

Berlijn juli 2010-39.JPG

 

Die reis door oorlogen, volksverhuizingen, etnische zuiveringen, wederopstanding heeft me blijkbaar goed aangegrepen, want dit is al het vierde gedicht "over de doden". Zeker met de beelden en de kennis van Sachsenhausen KZ nog in mijn hoofd maakt dit gedicht zich woedend op de lafheid van een dood die zich bijna anoniem voltrekt en onzichtbaar kan verdwijnen, zonder een spoor achter te laten. Wat een totale lafheid, vergeleken met de trouwe en zichtbare aanwezigheid van wat leven is...

 

29-08-10

Moment (6)

 

IMG_4264.JPG

 

De een houdt zijn fiets in bedwang, de ander zijn bal. Wie zal het eerst loslaten?

28-08-10

Moment (5): straattover

 

IMG_4194.JPG

Zie je hoe hij zijn "zeepbel" bijna niet aanraakt, laat zweven tussen zijn vingers? Straks beweegt hij, en zweeft zijn eigen beeltenis...

27-08-10

Moment (4)

 

IMG_4267.JPG

 

26-08-10

Handleiding voor de doden

IMG_4146.JPG

Je kunt de doden tellen en proberen

uit te komen op een rond getal

dat niet veel plaats inneemt


Je kunt je oor in de lucht hangen

en denken dat in de doodstille

wind hun stemmen


Je kunt een vergezicht zoeken dat

in zijn glooiingen nog wat ijzer liggen heeft

het oppakken en wachten op


Je kunt een foto langer bekijken dan

voorzien tot je denkt dat het

een bekende is die je mist


Je kunt van zinken dromen en

koude en zelf ook onbeweeglijk liggen

en toch weer wakker worden


Je kunt namen beitelen in

hun schaduw en niet verhinderen

dat ze er in verdrinken


Je kunt de tijd vragen te helpen

met de herinnering en geloven

dat de tijd dat kan


Je kunt struikelen over een gat

in de dag, in je borst,

en toch blijven ademen


Je kunt stilstaan en iets liefs

horen zeggen in je hoofd en er is een hand

in je, misschien niet die van jou


Je kunt stangen in je lijf zetten

die je rechtop houden, nee iemand

legde ze ergens verloren en jij


Je kunt veldjes aanleggen met gras

dat nog rilt en stenen die niet rillen

kunnen en nog minder


Je kunt verder willen zien dan

je schamele ogen, ontmoetingen

als plooien die je openvouwt


Je kunt je hoofd schudden, je ogen

uitwrijven, je logge lichaam verwensen

dat niet dromen kan


Je kunt aan de levenden vragen

dat ze elke dag bewijzen

dat ze niet dood zijn


IMG_4238.JPG

 

25-08-10

Lectuur

 

IMG_4274.JPG

 

Lectuur: Sprakeloos (Tom Lanoye)

Het einde van deze roman die er geen is, raakt mij: het laf verdwijnen van de woorden in zijn moeder doet hem woedend beloven nooit toe te geven aan die woordenloosheid, die niets anders is dan betekenisloosheid, die uitlevert aan de zinloosheid van louter ademen en zitten en ontlasten en in slaap vallen. Telkens dit leven overgeleverd wordt aan het absurde, wil hij spreken. Nooit meer zwijgen en collaboreren. Vloeken en tekeer gaan tot er toch ergens nog woorden te vinden zijn die willen meedoen, die willen uitdrukken wat uitgedrukt moet worden.

Daarom, inderdaad, is dit boek een woordenroes. Lanoye kan en zal tegen-spreken. Tegen de meest afschuwelijke leegte in wat een wonder van woorden en andere taal was, zijn moeder. Tegen het noodlot, dat hier afasie heet en elders andere ook kille namen krijgt.

Daarom is dit boek geen roman, ik weet niet waarom ze toch altijd weer met een etiket moeten afkomen. Het is een lied dat zingt. Het is een goed gesprek, zoals je dat kunt ervaren als twee mensen echt naar elkaar luisteren. Het is een liefdesverklaring, niet alleen aan zijn moeder, maar evenzeer aan zijn vader, aan de omgeving waarin hij is opgegroeid, aan de taal waaruit hij is opgebouwd. Het is een lang uitgevallen doodsprentje. Het is de stilte van mensen die graag bij elkaar zitten en even graag even stil kunnen zijn. Het is vertellen zoals je, thuiskomend, vertelt van een dag die niet makkelijk was, goddank is er een plek om thuis te komen en vuile kleren en toestanden weg te leggen, in een wasmand, in het vertellen. Het is een lange blik over de schouder, als je maar lang genoeg kijkt kun je nog veel zien van wat ooit was. En als je het goed vertelt, kun je het zelfs voelen, en horen, en proeven...

*

Lectuur: Hartendief (Herta Muller)

Nog een boek dat, zich met woorden en beelden beroezend, tekeer gaat tegen de vernietiging. Maar hier is die sluipend, als een gif dat al in je zit voor je het weet. Enkel je angst weet het al, maar die is zo’n onaangenaam gezelschap dat je lacht en drinkt met je vrienden, of kijkt naar de kleuren van de lucht, of een gedicht van buiten leert dat je mooi vindt. Zo’n is het leven van de jonge Roemeense hoofdpersonen in het boek: terwijl de securitate hen allang met gif heeft ingespoten en het zich kan veroorloven van op een afstand toe te kijken, proberen zij te genieten van hun jong zijn, van hun vriendschap, van hun dromen van een ander leven. Er zijn toch  verraders genoeg die alles overbrieven.

Het is, naarmate je de bladzijden omslaat, een steeds beklemmender verhaal: je voelt als lezer iets van dezelfde klauw rond je keel als de hoofdpersonen moeten voelen. Je voelt dat zij geen keuze hebben, tenzij die twee: stoppen met leven, of emigreren, dat wil zeggen alles achterlaten, ook jezelf...

IMG_4167.JPG

 

23-08-10

Klein pamflet tegen de schepping (bij een bezoek aan Sachsenhausen)

 

IMG_4178.JPG

 

Klein pamflet tegen de schepping


Het is oneerlijk dat een mens

zulke smalle duidelijke grenzen heeft

dat hij zo makkelijk opengesneden

zo makkelijk alles kwijt kan raken


Hij zou rond zijn lichaam nog

een groter lichaam moeten hebben,

dat de beul zwetend blijft proberen

om hem de dood in te jagen


En het lukt niet, telkens glipt

een lichaam weg in een ander

Ze raken niet op, want

ze schuilen in elkaar


als geliefden die van trouw

hun adem en hun hartslag

hebben gemaakt, ongrijpbaar

voor domme vernietiging


Maar nee, zo gaat het niet

Een lichaam heeft zulke dunne

wanden, en alle muziek en

alle betekenissen en de verre blik


ze vloeien weg door elke begin van

een scheur en geen ander lichaam

dat ze tegenhoudt, smeekt om

te komen schuilen, neen, zo alleen

 

IMG_4237.JPG

 

19-08-10

Jüdisches Museum, Berlijn

 

Ik hoor een vrouw zingen, het moet morgen zijn

En het licht vloeit over de stenen en de uren

tot alle sporen zijn weggewist van ooit een straat

was een verhaal misschien een klank


Als ik toch achterom kijk, is het voor de valies

met de twee namen in, voor de afscheidskaart

met de grove randen, voor de getypte brief

waar alle letters bijeen zijn gedreven


tot het hen niet meer uitmaakt wie

nog luistert, of er ooit geluisterd

werd, of ooit een hand

een andere hand


Als ik weer door het zonlicht loop is het omdat ik

geen stem heb om te roepen tegen iets dat zo groot is

als een zon, als een wereld die er al veel eerder was

en van vergeten zijn voedsel heeft gemaakt


En toch heeft iemand, ooit had hij een naam, toen

het licht even wegkeek, een gat gegraven om er

de resten in te bewaren, en toch is er zo weinig

nodig om niet te vergeten, een gat in een


keldermuur, een lijst met namen, twee foto’s

in kleren genaaid, een steen die bleef liggen

toen alle andere weg waren gejaagd, iemand

die stil staat en omkijkt op straat

 

 

Berlijn juli 2010-5.JPG
De architect van dit Joodse Museum heeft in zijn ontwerp,
tussen alle geschiedenis door, een stilteplek voorzien:
een hoge ruimte, waar niets is, behalve het onuitspreekbare,
of het vergetene, of het naamloze...

18-08-10

Momenten (3): zingend & dansend tussen de stoelen

 

Berlijn juli 2010-23.JPG

 

16-08-10

Twee keer zwaluwen (momenten-2)

 

IMG_4078.JPG
Berlijn juli 2010-53.JPG

 

15-08-10

Muurtje in ondergaande zon (momenten, 1)

IMG_3921.JPG

14-08-10

Naar het oosten varen (8)

 

Berlijn juli 2010-42.JPG

6 Om de geschiedenis mooi vol te maken, hielden we nog vier dagen halt in Berlijn. In het Jüdische Museum krijg ik meer sporen te zien dan in de twee weken voordien: de getypte afscheidsbrief (letters dicht tegen elkaar) van het meisje dat, soms tot ver in de nacht, lijsten moest typen van wie de volgende dagen op transport ging; op het einde vraagt ze zich af hoeveel tijd ze zelf nog heeft,  schrijft ze hoe ziek en wanhopig ze is, en dan kan ik niet meer verder lezen want de ommekant is niet weergegeven; op de uitleg staat vermeld dat ze enkele dagen later vrijwillig meeging met de trein omdat ze haar vriend niet alleen wilde laten vertrekken; haar naam heb ik niet onthouden: het meisje van de lijsten... Er is ook de kleermaker met de naaimachine, bewaard door zijn werknemer, het oudere paar (80+) met de lege koffer met hun naam in, de dichter die zich een aangeschoten zwaluw noemt, de familie van de geëxposeerde kandelaars, teruggevonden op een foto, de vrouw van het ongeopende pakje, pas ontdekt in de erfenis van de werkster aan wie het werd toevertrouwd, de vrouw met de lederen briefhouder vol brieven, en de officële brief ernaast van haar vriend in de USA die 640 dollar had gestort voor een Cubavisum voor haar, de jonge vrouw die wel een visum kreeg maar haar moeder niet alleen achter wilde laten...

 

 

Kreuzberg brengt mij terug naar de jaren ’70, bijna een rock-and-roll stadsdeel.

 

Het Gemäldemuseum overweldigt met Bruegels Spreekwoorden, met Vermeers meisje dat haar parels in de spiegel bekijkt, met de ferme blik in je ogen van Rogier Van der Weydens vrouw, met Malle Babbe van Frans Hals, met Hendrickje van Rembrandt, met de piano spelende, extatische godin van Rubens, en zoveel meer.

 

Nefertiti: niet zozeer dat ze maar één oog heeft, maar dat haar hoofd naar links helt, haar wang aan die kant wat voller is (dikker), haar hals iets te lang (als een bloem op een steel) en haar ene schouder hoger dan de andere (van achteren gezien). Maar net die unieke onvolmaaktheid maakt haar volmaakt.

 

Ook het zien maakt haar volmaakt. Geen foto kan de indruk van echt leven weergeven. Nooit ervoer ik dit scherper dan bij deze vrouw.

Daarom moet een foto zijn eigen leven maken. Niet louter reproduceren, maar zelf een wonder worden van nieuw bestaan. Dan is het weer goed.

 

Het veld van betonstenen, waaruit het monument voor de vermoorde Joden is opgebouwd, roept in zijn massiviteit een massieve, onbeweeglijke dood op.

De steles doen denken aan de zuilen van de naburige Brandenburger Tor, symbolen nog van een machtsmaatschappij. Hier huldigen de honderden naamloze stenen geen idee maar de onzichtbaar achtergelaten individuele naamloze mensen. We zien ze, de individuen, in de ongelijkheid van de stenen, in hun meer of minder schuine stand, in het golven van de grond, in het late zonlicht dat er telkens weer andere, unieke lijnen op trekt.

En een laatste associatie die bij me opkomt: het grijs van de stenen doet denken aan het grijs van de asse, het beetje dat toch nog overblijft, en waarmee de nazi’s, door weer de massiviteit van hun vernietigen, nog flink wat verwerkingspoblemen hadden...

 

Berlijn juli 2010-38.JPG
Berlijn juli 2010-27.JPG

 

 

12-08-10

Naar het oosten varen (7)

IMG_4113.JPG

5 Omdat de Litouwse en daarna de Poolse adel en daarna de Russische tsaars het voorrecht koesterden om te jagen in de bossen van Bialowieza, tegen en voorbij wat nu de Wit-Russische grens blijkt, is dit woud een oerbos gebleven. Dit jachtgebied, met zijn koninklijke Europese bizons, zijn wolven, elanden, beren, wilde zwijnen, lynxen, was daardoor nooit gecultiveerd door de mens, geen boom geplant noch afgezaagd, een oord zoals een romantische jager zich voorstelde als zijnde van voor de mens... Dat de SS en dan vooral Göring het bos en de dieren spaarden en de joden en boeren die er woonden, executeerden,  past helemaal in dat dodelijk romantische beeld, zoals de nazi’s daar specialisten in waren: heilige oergrond...  De oorspronkelijke schoonheid van de wereld die tegelijk zo helemaal Germaans is...

 

Stalin had geen belangstelling voor jagen (tenzij op mensen), maar des te meer voor het land Polen en hij liet zijn troepen stoppen aan de rand van Warschau, terwijl de burgers rug aan rug vochten met hun troepen tegen de Duitsers, tot ze allemaal opgeblazen werden, burgers en huizen en kerken en straten, en Polen na de uiteindelijke val van het nazirijk als een gekookt eitje in handen viel van de sovjets. Langs de muren van de oude stad (ook romantiek, maar dan van toeristen die graag op een mooi oud plein bijna bij kaarslicht dineren) staat een beeld dat ons treft: een kind met helm op en geweer, eerbetoon aan "de kleine helden" (zo wordt het beeld genoemd) die blijkbaar ook meegevochten hebben.

 

Ook hier is steen weer op steen gelegd.

 

Maar in de andere wijken, met hun na-oorlogse uniforme kleren, is het moeilijk nog sporen te vinden van wat hier ooit aan leven en dood is gebeurd. Er is nieuw leven, stalletjes met fruit, een voorkapitalistische Polonez met in het deurgat de benen van de ingedutte taxichauffeur, voorbijgangers die de warmte wegpuffen, zelfgenoegzame nieuwe kantoorgebouwen voor westers kapitaal, compacte hoekige trams met hun klank van ijzer op ijzer.

 

Maar ook op het oude, gespaard gebleven Joodse kerkhof, waar de ene steen de andere overeind houdt, zwijgt alles. Ik zou aan een willekeurige naam op een zerk willen vragen: vertel mij je verhaal, mens. Ik zou het aan de straathoek willen vragen, aan de kapotte muur. Wat wat wil ik toch met die rare nieuwsgierigheid van mij, ik weet het zelf niet.

 

Hij staat aan de rand van de oude markt, waar zo veelvuldig wordt gegeten en gepraat. Het is avond en ik zie dat zijn hand beeft. In zijn hand heeft hij een beker, die wacht op geld. Hij is groot. Hij kijkt niet, hij is blind. Dat zie ik aan zijn witte stok. Als Lieve een geldbriefje in zijn bekertje legt, komt zijn oud gezicht plots helemaal open: verrast glimlachend, dankbaar glimlachend. Hij keert zich helemaal naar haar, maar zegt niets. Hij heeft al gedankt.

 

In het pas jaren na de oorlog heropgebouwde paleis zie ik, achter het baldakijn met het mooie schilderij van Leonardo da Vinci Vrouw met hermelijn, een grote landkaart hangen met Groot-Polen op getekend. Eén regio valt mij in deze nationalistische nostalgie op: Koerland. Ik denk aan de uitzending over de enige overgebleven spreker van die taal: een oude man, in zijn zetel geschroefd, aan een raam bij ver platteland. Hij kloeg van eenzaamheid.

Maar nu blijkt, na raadpleging van het erudiete wikipedia, dat ik mij vergiste: hij was de enige spreker van het Lijfs, en met hem stierf de Lijflandse taal in 2009. Van buurtaal, het Koers, zouden er volgens dezelfde bron nog 8 sprekers in leven zijn. Hoeveel talen er precies in de wereld gesproken worden, weet men niet, vier- tot zesduizend allicht, maar specialisten verwachten dat  misschien wel de helft daarvan de 21ste eeuw niet zal overleven...

IMG_4129.JPG
IMG_4138.JPG
IMG_4137.JPG

 

 

10-08-10

Naar het oosten varen (6)

 

IMG_4030.JPG

4 Het vrolijke ongedwongen dansen op schlagermuziek op de zeedijk van de eerste Poolse badstad die we aandoen. Het is avond, de zon blijft hangen net als de mensen. Het water is warm en vriendelijk, ouders fotograferen kinderen, geliefden kijken in elkaars ogen, en overal ijsjes.

 

Boomstammen van mannen, nagenoeg allemaal kaal geschoren, soms met kleine magere vaders erbij.

 

Gdansk: het Dantzig dat 90% van zijn Duitse bevolking zag wegvluchten naar Duitsland en op de totale puinhoop een nieuwe stad opbouwde, met nieuwe mensen, ook vluchtelingen ongewenst op weer een andere plek met nieuw getrokken grenzen...

Merk ik daar iets van als ik rondloop? Het meisje van de Inlichtingen heeft in elk geval niets op papier (of in haar hoofd?) dat mij kan helpen. Toeristen vragen blijkbaar niet naar vroeger.

Als ik foto’s zie van de ruïnes van Gdansk, dan overvalt mij bewondering voor de mensen die dat allemaal weer opgebouwd hebben, grotendeeld op 20 jaar. Wat een sterkte hebben mensen die samenwerken. Dat is ook het enige, zeg ik tegen Lieve, dat ze ook maar dat hebben. Alleen zijn ze niets... Enkel deze steen in de muur op de hoek van de straat. Iemand moest hem leggen. Ik had hem kunnen zijn.

 

Overal ontmoeten we stugheid als we door dit land trekken: aankijken en weer wegkijken, of blijven aankijken zonder te groeten, zonder te reageren op een groet, of zelfs doorlopen als we de weg vragen... Is het schaamte omdat je geen talen kent, is het wantrouwen, is het...

 

Geschiedenis verbergt zichzelf, denk ik, rijdend door dit landschap dat zo vaak van heerser, zelfs van naam en taal veranderde, waar zovelen de dood vonden. Je wilt de sporen zien, maar ze zijn er niet, het landschap is vredig uitgestrekt.

Alleen als er iets “vergeten”  wordt, wordt wat voorbij is, zichtbaar.  In Tyronek bezoeken we de synagoge, een van de weinige die niet verwoest werden, een prachtig gebouw dat “spreekt” van zijn mensen en hun innerlijk leven.

Maar je kunt ook iets zodanig vergeten, dat het weer op verbergen lijkt. In datzelfde Tyronek lezen we op een oude dorpskaart dat er ook een Joods kerkhof moet zijn. Het duurt even voor we het vinden: een stuk half ommuurd weiland, waar inderdaad een nieuw eentalig Pools bord iets aanduidt van vroeger. Eerst lopen we door, omdat we denken dat het kerkhof verder ligt. Maar nee, slechts als we door het hoge gras waden, zien we dat er nog grafstenen tussen verborgen liggen. Enkele. Overwoekerd bijna. Overal elders zou het gras worden gemaaid, op z’n minst toch rond de verloren stenen. Maar hier wordt bewust vergeten, misschien ook uit schaamte...

 

Geschiedenis verbergt zichzelf. Alleen verhalen zijn sterk genoeg om weerstand te bieden. Maar waar zijn de verhalen van de 2000 Joodse mensen (slechts 150 ontkwamen) die in de bossen rondom het dorp in ’41 werden afgeschoten? We zien op de terugweg een klein monument, maar het is een militaire herdenking, met zwaard en kruis, geen herinnering aan het eeuwenoude Joodse leven van Tyronek.

 

Op de vergeten graven liggen toch enkele kleine steentjes. Iemand kwam hier langs en stond even stil. Misschien was die iemand wel een bloedverwant. Iemand die het leven verder zette.

 

Geschiedenis verbergt zichzelf. Toen de nazi’s wegtrokken van de Wolvenschans, Hitlers hoofdkwartier in de oorlog tegen Rusland en de plek waar de aanslag op hem mislukte, bliezen ze de metersdikke bunkers op. Maar een dergelijke machtswaanzin, 9 meter dik, laat zich niet opblazen en ligt daar nu stuk te wezen voor de volgende duizend jaar. Een nieuwe Borobudur, tot de natuur hier ook alles bedekt zal hebben met vergetelheid. Maar de vele toeristen zullen anders beslissen. En aan hun aandachtige ogen te zien, zijn de verhalen die de gids vertelt, meer dan levend.

 

IMG_4091.JPG
IMG_4060.JPG
IMG_4120.JPG
IMG_4123.JPG
IMG_4128.JPG

 

09-08-10

Naar het oosten varen (5): Lübeck & het eiland Rügen

 

IMG_3955.JPG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_3960.JPG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_3973-1.JPG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_3997.JPG

08-08-10

Naar het oosten varen (4)

 

IMG_3903.JPG

 

3 De baksteengotiek is een ontdekking. Dat er met die (zware) bakstenen zulke hoge, elegante kerken kunnen worden gebouwd. Ook de huizen zijn soms juweeltjes van baksteenvorm en –ornament.

 

We rijden rond met een gids voor Oost-Duitsland die 15 jaar oud blijkt en op talloze plaatsen niet meer adequaat is. Zo hard is hier gewerkt, een tweede Wirtschaftwunder lijkt het wel. Wat er in de harten van de mensen gebeurt, kunnen wij niet weten natuurlijk. Maar het doet iets te zien dat kerken die ruïnes waren, nu als kostbaar erfgoed worden hersteld. InWismar werd er 20 jaar geleden nog een compleet afgebroken. Bevel van de partij.

 

In die kerken soms Platduitse teksten, een Duits dat meer op het Nederlands lijkt dan op zijn sterkere broer Hoogduits: düvel in plaats van Teufel, oorlog in plaats van Krieg. Niet toevallig viel de hanze-ontwikkeling samen met de bloei van die Nederfrankische taal: men verstond elkaar van Noord-Frankrijk tot in het verre Balticum!

 

Op sommige plaatsen zien we kleine uitkijktorens. Niet hoger dan drie meter, maar toch duidelijk uitkijktorens zoals we die kennen, met alle dreigende connotaties vandien. Ik ben geen conceptuele kunstenaar, maar hier is een mooi concept voor wie het wil hebben: een reeks van die kleine torens in de stad plaatsen, op hoeken, markten, enz. Gent zou er een vreemde kleur bij hebben...

 

Voor de noordelijke eilanden hebben we het verkeerde seizoen gekozen. Zee en zon zijn absolute dictators van drukte en lawijt. Onze soms dementerende gids spreekt van absolute rust en verlatenheid...

 

Geen betere gids voor dit oude, grote, complexe land dan Geert van Istendael in zijn boek Mijn Duitsland.

 

De kuddes mensen die ’s avonds van de stranden naar huis trekken, doen denken aan koeien terug naar hun stal.

 

Lieve op haar hertenpootjes over de keien onder de krijtrotsen van Rügen.

 

IMG_4003.JPG

 

 

06-08-10

Naar het oosten varen (3)

 

IMG_3938.JPG
IMG_3948.JPG

 

2 De dag nadien waren we in een echt Lager, dat van Bergen Belsen. Geen sterren hier, enkel de leegte van wat was, als een muur voor je blik, en overal bomen die van niets weten en in de weg lijken te staan.  Rondlopen gebeurt in het luchtledige. Alles is weg, en ik vraag mij af of dat goed was, die Engelse beslissing om alles op te stoken en met de grond gelijk te maken. Tyfusgevaar of niet.

Muren genoeg in het nieuwe herinneringsgebouw aan de ingang. Nergens zulke dikke betonnen muren gezien voor enkel namen, stemmen, kleine foto’s met nog kleinere gezichten. Beton als vorm van respect. Meer beton als bewijs van meer respect.

In Dachau dacht ik aan Ed Hoornik, de dichter. Hier vergeet ik Anne Frank.

 

Dat gevoel zal ons niet meer verlaten: van een land dat afgebrand is, gebombardeerd, rasiert. En wat er nu staat, is van na ’45, is steen en beton over die onzichtbaarheid gelegd. Het moedigst vind ik die steden waar de bewoners eisten dat alles werd opgebouwd zoals het was, zelfs al waren er enkel foto’s of tekeningen om zich op te baseren (wegens vernietiging van de archieven). Dat hebben de Ieperlingen geëist tegen de wil van de Engelsen in, die de ruïnes wilden laten als een soort waarschuwing en monument tegelijk, een beetje zoals Oradour. Maar het leven gaat voort, wil zich niet laten beknellen door de dood. En daarom zijn de hanzesteden die we zullen aandoen, voor een groot stuk in hun oude weelde hersteld. De oude centra toch. De rest zijn propere nieuwe wijken, waar het allicht weer rustig  en eentonig wonen is.

 

Dat geschiedenis meer is dan wat eeuwenoude gebouwen en straten, dat geschiedenis zo dicht bij kan komen dat je ouders moeten verhuizen, dat je huis heropgebouwd moet worden, dat je met je taal in een vreemd land leeft, dat besef doet iets. Het nieuws in het journaal kan ook je eigen tragiek worden. Daar denken we niet aan in een land waar een regering vormen een spelletje lijkt, waar de rekken van de supermarkten vol liggen, al stijgt het aantal mensen onder de armoedegrens elke dag. Maar ja, dat is geschiedenis die stil blijft, die niet uitbarst in razernij. Tot zolang kan de rust doen alsof. Was het bij Geert Mak dat ik las over de stad waar de burgers in het centrum hun dagelijkse koffie dronken en de trams bleven rijden, terwijl op hetzelfde moment in de buitenwijken van huis tot huis slag werd geleverd? Ik moet ook terugdenken aan wat ik een Nederlands sprekende mevrouw in Sarajevo hoorde zeggen: nooit, nooit heb ik gedacht dat er in mijn stad oorlog zou komen, nooit.

 

Ik moet Heinrich Böll weer lezen, om te beseffen wat dat is, leven met etterend geweld. Eng is de poort bijvoorbeeld, al is de verscheurdheid van die twee geliefden mij altijd bijgebleven. Op NDR-Kultur tref ik toevallig een uitzending over hem. Het is een zondagmorgen en de spreker heeft het over Bölls strijd tegen de officiële kerk, tegen officiële instanties (hoe de politie bij hem inviel ten tijde van de Rote Armee), zijn solidariteit met uitgestotenen, zijn synthese van het evangelie als “solidaire zachtheid”...

 

In de heropgebouwde grote Mariakerk van Lübeck liggen de gevallen klokken nog in een hoek als stille getuige maar hangt ook een citaat aan de wand van Günter Grass: “Jeder Baum besteht fallend darauf, anders zu liegen. Der Zeichner is dankbar für soviel Hinfälligkeit.

Auch die noch stehen, weil sie von oben herab absterben, sind, oft zu Stummeln verkürzt, verschiedener Gesten mächtig: Dieser Baum klagt an, dieser vergeht von Scham, ein anderer verrät noch als Torso seiner einst weitausladende Schönheit, und der hier lässt sich Mitleid aufschwatzen. Alle, behauptet der Zeichner, rufen Erbarmen.”

Günter Grass werd geboren in Dantzig, de hanzestad die nu ver in Polen ligt en nu Gdansk heet en nu eentalig Pools is...

 

In dezelfde kerk kwam Bach luisteren naar zijn grote voorbeeld Buxtehude. We zoeken even tot we een plakkaat aan de muur vinden die dit moment voor ons wil vasthouden. Kon er nu maar iemand op het orgel spelen...

 

Buiten huppelen in de nieuwe-oude straten kinderen, lopen jonge mensen te lummelen, staan de cafédeuren open, ruikt het brood van de bakker, overleggen de oude mannen op hun bankje, vallen de duiven door de lucht. Daarvoor dient een stad, voor het leven, in al zijn vormen. Voor een toekomst. Ik mag niet hoera roepen, dat past niet, maar ik vind dat het licht blinkt.

 

Terrasjes en ijsjes als bewijs van beschaving.

 

 

IMG_3958.JPG
IMG_3959.JPG

 

05-08-10

Naar het oosten varen (2)

IMG_3883.JPG
IMG_3893.JPG
IMG_3890-1.JPG

03-08-10

Naar het oosten varen (1)

 

IMG_3881.JPG

Zelden zo’n reis gehad: niet alleen door de ruimte, maar nog veel meer door de tijd. En die is, zoals men weet, vluchtig, ongrijpbaar, je moet al spoorzoeker zijn om iets terug te vinden, en kennis en verbeelding laten samenwerken. Zelden een gebied doorkruist (Noord-Oost Duitsland, Noord-Polen) waar zovelen etnisch zijn gezuiverd, uitgemoord, in hun korte levens drie, vier keer van taal en heerser veranderd, hun huizen rokend van de laatste brand. En toch waren er ook tijden dat men er in zes talen naast elkaar kon leven: in Byalistok spraken de heersers Russisch, de boeren Wit-Russisch, de Joden Hebreeuws en Jiddisch, de burgers Pools en de intellectuelen Duits. Er waren tijden dat de verjaagde Joden daar hun veiligheid vonden (Polen kreeg in 1791 de eerste geschreven grondwet in Europa).

 

Het begon al in Duisburg, waar we naartoe trokken voor de schilderijen van Anselm Kiefer in het Küppersmühlemuseum. Sedert de onvergetelijke tentoonstelling die we zagen in Bilbao (zie blog van 27aug’07) is Kiefer een blijvende fascinatie geworden. Geen schilder die meer beeldhouwt, geen schilder die monumentaler denkt, geen schilder die meer geschiedenis in zich voelt, geen schilder die meer de tragiek van de geschiedenis voelt, maar ook haar eeuwenoude kennis en wijsheid en kracht...

Duisburg was liefelijk, de industriebouw was omgetoverd tot musea, kantoren en restaurants, de oude kranen mochten blijven staan als ornament voor de 21ste-eeuwse mens. Het was hetzelfde Duisbrug dat drie weken later tientallen mensen verpletterd zou zien worden. Maar die tijd was er toen nog niet...

 

We waren er niet alleen, we waren er met de sterren...

Op weg naar het museum las ik op een zijmuur van het Rathaus een citaat van Kant (waarom daar, ik dacht dat Kant nooit zijn Königsbergen, nu Kaliningrad (!), heeft verlaten): “Twee dingen zijn een blijvende en groeiende bron van verwondering: de sterrenhemel boven ons en de morele diepte in ons”.

Aan de muren van de oude fabriek hing een metershoog schilderij van een sterrennacht, zwart waarop Kiefer een (sterren)regen van pittenzaadjes laat neerdalen en waarop hij met brede hand de titel schrijft: “Cette obscure clarté qui tombe des étoiles”. Een citaat van Corneille, maar het zou Kiefer niet zijn, als die woorden niet veel meer verborgen dan ze blootgaven: ze komen uit een oorlogsgedicht, waar in de stilte van de nacht de vijandelijke Moren worden opgewacht en dan met overtuiging in zee gedreven...).

Achter onze rug hing een nog monumentaler drieluik: Sterrenlager II, III, IV. Daarin stapelt Kiefer de begraven sterren (met hun naam en/of nummer op de kist geschreven) in een grote, gewelfde kelder. Maar weer roepen kelder en naam allerlei associaties op (lager kan stockeerplaats zijn, en zelfs bed, maar ook kamp, zoals we weten...).

In een andere zaal hing de macht: een tempel, een trap, maar vooral De gouden bul van Paus Alexander VI: een bijna tastbare (als je dicht en van opzij kijkt, zie je de verf centimeters uitsteken) berg, waar van heel hoog een stroompje goud naar beneden valt. Is dat de gouden macht van het pausdom: een stroompje van niemendal op een berg van spiritueel zoeken en hopen? Of is die levensgrote berg net door dat goud zijn glans kwijt? Of tonen ze beiden, berg en goud, de illusie van zekerheid en troost?

Ook het nieuwe fabrieksmuseum had een trap, maar dan een die ons de verdiepingen indroeg zonder veel eigen pretentie, gewoon beton dat zijn mooie draaiende en tillende werk deed. Zo moet het zijn.

 

 

IMG_3889.JPG

 

IMG_3888.JPG
IMG_3882.JPG

 

01-07-10

uitzicht (6)



(En met dit Oostendse uitzicht neem ik voorlopig afscheid van jullie.

20100209_1084-1


Op naar de geschiedenis en de kusten van Pommeren.

En ondertussen doen zoals Thoreau: "There are meteorologists, but who keeps a record of the fairer sunsets? While men are recording the direction of the wind, they neglect to record the beauty of the sunset or the rainbow." (Thoreau's Journal, 27 Jun 1840)

Tot in augustus...)

uitzicht (5)

IMG_4062

30-06-10

De vriendschap van het lezen


20100408_1377

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat lezen ook met vriendschap te maken heeft. Als je jong bent, lees je bibliotheken uit om de wereld te leren kennen, om meer te weten. Maar ook om niet alleen te zijn. Dat is nog geen vriendschap, maar een vlucht voor het eigen onverbiddelijke leven. Jonge mensen hebben ouderen nodig, en wie is nu wijzer dan een boek?

Maar na al die jaren blijf ik dezelfden opzoeken, merk ik. Om maar dichters te noemen: boeren- en ruimtenzoon Heaney die in wat hij ziet de poëzie wil vinden, golven en watervallen in meisjeshaar, de sensatie een koe te zijn in een verse voorjaarsweide, het kleine geluid van de kleine dingen rondom, tot iets van een groter geluid kan worden vermoed. Dat overal dezelfde verhalen weer opduiken, oude klassieke mythes in de turf aan de Atlantische oceaan, ook dat is Heaney...
Of Milosz, met zoveel landen en geschiedenis in zijn hoofd, en toch maar op zoek gaan naar de verwondering die nog groter is. Groter moet zijn, wil hij mens blijven.
Of de zangers Nijhoff en Gezelle en Van Herreweghen. Als er een klank ontstaan, is de wereld zinvol geworden. Misschien zelfs alleen dan.
Of de oude Huygens, oud in jaren en in eeuwen. Dat hij het doodsverlangen kan verwoorden en tegelijk ook de stoïcijnse wil om voort te doen.
Of de straatloper Campert, met zijn fijne glimlach. Of de denker Auden. De zachte Vasalis. De vloekende Claus. De bijbelse Amichai.
Of Nescio, verteller en dichter ineen, melancholisch als de avond en eeuwig jong als de morgen.
Als een gesprek telkens weer met zoveel lust kan herbeginnen, dan is er sprake van vriendschap.

Iets anders is het waarom van de vriendschap. Dat is een moeilijke vraag en misschien vragen vrienden zich dat niet af, begaan als ze zijn met het genot van de wederzijdse ontmoeting. Machiavelli kleedde er zich, na zijn dagtaak bij de Medici’s, ‘s avonds speciaal voor op, schrijft Kees Fens. Als dat geen teken is van diep vriendschappelijk respect.
Het is dat het krijgen hier gemakkelijker gaat. Leven is zo al een zaak van leren krijgen. Je hebt er niet veel aan te zeggen, zegt het spreekwoord, en zo is het. Veel rechtvaardigheid zit er niet in, soms. Dan zijn geliefde auteurs bronnen van dorstlessend water, ogenblikken die vanzelf vollopen, herinneringen ook, verlangens ook.
En vertrouwen ook: toch iets dat blijft, als er zoveel onverbiddelijk verandert...


(En de poëzie van een toevallig winkeltje, dat ook meer is dan wat het is: glimach, verhaal, een klankkleur, wat melancholie ook... En zijstraatje...
Tante Yvonne vond ik in het Normandische dorp van Emma (Madame) Bovary, ik dacht Yonville)

29-06-10

Ook de vissen (k.michel)

Zou je de Haagse Hofvijver overeind zetten

rechtstandig als een majestueuze wand van water

om het licht de diepte te laten doorstralen

om de stad een doorzichtige spiegel te bieden

een oudgouden glans zou over de huizen strijken

en iemand roept als eerste ‘kijk’ en wijst

toeterend komt het hele verkeer tot stilstand

abrupt worden alle vergaderingen opgeschort

en de straten vullen zich met ogen en geroezemoes

een vorstelijk banket, jagers in een herfstbos

zegels en paperassen, gesluierde naakte vrouwen

iedereen ziet in de vijverwand iets anders

maar allemaal blikken ze diep in de tijd terug

En eindelijk kunnen de hofvissen ook eens

over de schubbenhuid van de daken uitkijken

naar de glinsterende torens en ijspaleizen

de bomen bij de duinen, het gele strandzand

‘kijk,’ stoten de vissen elkaar aan, ‘dat zilvergrijze

dat schitterende schuimende, woelende weidse

dat zich daar uitstrekt tot aan de einder en verder

dat is nou de zee, ja dat daar is de zee’

28-06-10

Zwerver

IMG_3354





Van verdriet weten we
dat het een zwerver is
er zijn culturen die de beschaving
nooit kan temmen
je bouwt geen huizen voor een zwerver
die niet van deuren houdt
wat is van hem en wat niet
hij weet het zelf niet
hij neemt wat hij nodig heeft
loopt zomaar binnen en
loopt zomaar weg
heeft hij een woord gezegd
misschien zingt hij of
hij neuriet, een melodie die
je gek maakt met zijn jeuk

Er zijn nog culturen die
de beschaving nooit zal temmen
kleuren bijvoorbeeld en
de oudste van al, beweging
maar hoe anders is verdriet
die zwerver met zijn gerinkel
met zijn slepende voeten
met zijn kleingeld
in allebei zijn handen
en van zijn vrouwen
moet je afblijven
zij troosten niet kijken
je alleen maar aan

Je zou hem een pas moeten geven
een nummer om hem te dagvaarden
maar hij leeft niet van papier
en plastic hij leeft van onrust
van ongrijpbaarheid
hij steelt de plooi in je pols
en glimlacht
hij steelt je lever en voortaan
ben jij dronken en
je weet het niet
en als je woedend
met de deuren slaat
blijkt hij weg, al lang,
vertrokken als een schaduw
en het licht verklapt niets
nooit gedaan

propere beschaving
die je alleen laat

27-06-10

Tak (Hubert van Herreweghen)

Nieuw Zeeland Oostkust-1


Tak (Hubert van Herreweghen, 1920)

Even, even tijdens het leven
word ik een ander ding gewaar,
een trilling van licht, om het even,
twee dingen gevoelen elkaar;
zoals engelen vroeger verschenen
verschijnt mij een kind of een tak,
een grashalm kan mij doen wenen,
zo oud werd ik, zo zwak.
Daar blinkt iets, ik loop er neven
zoals het rond mij schaverdijnt,
maar de nacht heeft het uitgewreven.
Wij zien maar iets als 't verdwijnt.
Zoals engelen vroeger verschenen
verschijnt mij een berm of een beek.
En een kind. Het is al verdwenen.
Zo oud werd ik, zo week.
Binnenkort ben ik uitgewreven,
een heilicht, een misverstand.
Maar even, nog tijdens het leven,
met oog, huid, oor, hand,
voel ik een ander ding beven
boven en naast mijn verstand.
In water, in licht, in zand,
staan hiëroglyfen geschreven.
In vriendschap daarmee wil ik leven
en geloven in het verband.


(Van de man die gedichten kan laten zingen...
En houdt van oude Vlaamse woorden - voor wie schaverdijnen niet meer kent: schaatsen...)

26-06-10

Uit de zaak van de beenderen (Eugenijus Ališanka)

berlinde de bruyckere



                   

Uit de zaak van de beenderen (Eugenijus Ališanka, Litouwen, 1999)



zeshonderd jaar lang voelden de beenderen pijn in de middeleeuwen werden ze uitgerokken volgens de gotische schoonheidscanon in de renaissance geselden soldaten hen aan pilaren met slagen van ossenleer in de tijd van het classicisme pasten de architecten de regel van de gulden snede toe die om een of andere reden het procrustesbed werd genoemd in de sovjettijden gedurende de eerste wereldoorlog sleepten honden hen van de ene frontlijn naar de andere in de tweede wereldoorlog verschaften ze zeep in de naoorlogse periode werd elk beentje afgestroopt zowel waar het al lastig was om in de kou te pissen als hier op het kathedraalplein waar de vliegen zoemen in het laatste decennium van de eeuw had je zelfs technieken om beenderen te verbrijzelen maar vaker waren het artritis en radiculitis die hen bogen maar zoals pseudo-eugenijus het schrijft in het jaar tweeduizend zullen de beenderen verdwijnen en zal de aarde zich verheffen tot de nieuwe eon van een nieuwe beenderloze god



berlinde de bruyckere2




(Van deze dichter verscheen net een Nederlandse vertaling bij uitgeverij p, door Jo Govaert. Zo klinkt het in het Litouws:

IŠ KAULŲ LIGOS ISTORIJOS
šešis šimtus metų skaudėjo kaulus viduramžiais tampė juos ilgino pagal gotikinio grožio kanonus renesanso žydėjimo metais kareiviai plakė jaučio odos rimbais ant gėdos stulpų klasicizmo epochos architektai taikė auksinio pjūvio taisyklę kažkodėl socializmo laikais vadintą prokrusto lova pirmojo pasaulinio karo metais tąsė šunys iš vienos fronto linijos pusės į kitą antrojo metais virė ūkinį muilą pokary išrengdavo iki nuogumo kiekvieną kauliuką tiek ten kur ir nusišlapinti šaltyje buvo nelengva tiek ir čia katedros aikštėje dūzgiant musėms dešimtame dešimtmetyje dar pasirodydavo kaulus traiškančių mechanizmų nors daugiau suko artritas ir lankstė radikulitas bet kaip rašo pseudo-eugenijus dutūkstantaisiais metais kaulai išnyksiantys ir žemė įžengsianti naujajan naujojo dievo be kaulų eonan

(De dode paarden van Berlinde de Bruyckere zag ik voor het eerst in het Ieperse oorlogsmuseum, en ze maakten daar een onvergetelijke indruk, veel meer dan later in het Gentse Caermersklooster (of in de ruimten hier op deze foto's). Daar in Gent vond ik dan weer de wagen volgeladen met dekens en knuffels onvergetelijk: zovele onvertelde verhalen...Zie deze blog van 21/01/08.
De paardenhuid is echt, de houding is die van een in de dood versteven dier, alleen hebben ze geen ogen en ze hebben geen hoeven... Berlinde de Bruyckere kreeg dit beeld toen ze foto's zag van de zovele dode paarden in de hel van WO1. Ook allemaal onvertelde verhalen. Daarom is het goed dat zij een groter beeld zoekt, dat het verhaal van alle paarden weergeeft...)

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende