21-05-12
Begrijpen
De onvolmaaktheid van alles: het samenwerken van mensen, het lichaam van mensen, het soms onredelijke verlangen van mensen. Er zijn er, zoals ik, die dat in hun gemoed voelen wegen, en dan wel eens de neiging voelen opkomen om weg te lopen. Alsof je al vluchtende niet alles op je rug meeneemt. Er zijn er die de onvolkomenheid zien als conflict, en krachtig die weg opstappen, overtuigd van het goede van de strijd, en wie weet ook van eigen gelijk. De ene mensensoort begrijpt de andere niet. Wat tot nog meer onvolkomenheid aanleiding geeft...
*
Lees ik een stukje Thoreau (http://blogthoreau.blogspot.com/), dan is het alsof ik buiten heb gelopen en de frisheid van lucht en wind en kleur in mijn kleren hangt. Meer nog, ik ben schoongewassen van alle soorten files, te laat remmende autowielen, niet remmende vergaderingen, oeverloos gedaas, en meer van die uit teveel mensen opstijgende rook en mist. Er is in mij een deel dat in de grote leegte wil wonen, al weet ik dat ik dat niet alleen moet doen, zonder een gezicht om tegen te praten of naar te luisteren.
Beeld ik mij dat in, of zingen de vogels deze lente echt luider dan anders?
18-05-12
Studie (2): de dingen
Studie (2): de dingen
Ze zijn meesters in concentratie.
Roerloos, verzonken in aandacht.
Ze hebben de traagste hartslag
trager dan zwaar of licht.
Aan doen zijn ze voorbij
ze willen alleen nog weten.
En weten is een vuist
die niet meer open kan
of misschien een
hele diepe glimlach.
16-05-12
Studie (1): schaduw

Studie (1): schaduw
Heeft elk lichaam een ander lichaam
bij zich, waarin opgevangen wordt
wat verdwijnt, of verdwijnen zal?
Zoals twee geliefden moeiteloos
elkaar volgen met hun armen
en hals en haar, zo
vlijt schaduw zich
en het gebaar is zo vertrouwd
dat er niets gezegd wordt
maar alles gekregen, wetende
dat het goed is, dat als de ene valt
de andere valt, om op te vangen
14-05-12
Bus in de nacht

Soms, als ik ’s avonds rond 23 uur door de nacht naar huis rij, kom ik de laatavondbus van De Lijn tegen. Leeg. Een van binnen uit verlichte leegte, die als tot leven gekomen zinloosheid door het landschap trekt, ergens naartoe. Het is dan nog een dubbelbus (met die accordeonlenden die hem toch iets menselijks geven): leegte x 2 dus. Soms lijkt het alsof er zelfs geen chauffeur in zit. Dat heeft iets van een hel: opgesloten in jezelf door de tijd moeten voortbewegen, en zelfs niet zeker zijn dat jij het bent die rijdt, omdat je nu eenmaal moet blijven bewegen.
In het beroemde schilderij van Edward Hopper (dat verstilde café-aquarium in de nacht) zitten tenminste nog mensen voor zich uit te staren, en laven ze zich aan lampen en bier. Het is niet veel, het is iets. Die bus is levend geworden niets...
Ik had een afbeelding van dat schilderij hier bij kunnen plaatsen. Maar ik kies voor een ander nachtschilderij van Hopper, waarin de vrouw evengoed in een bus zou kunnen zitten, in het duister, zonder chauffeur of iemand anders die ademt.
10-05-12
Zuidelijk Bourgondië
Een weekje Zuidelijk Bourgondië
1 Lente is een pointillistische schilder: al die blaadjes, verfspatjes die met licht zijn opgevuld. Soms, in de bossen, rijden we door een 3-D schilderij.
2 Beaune, Maison Dieu. Het Laatste Oordeel van Rogier van der Weyden (Roger de la Pasture staat er op de rand van de lijst), en ik kan mijn ogen niet afhouden van de enige figuur die mij aankijkt, van de roze wolken die achter alles en iedereen hun weg verder zetten, van de glans die op zekerheid ligt, van het evenwicht die zo’n drie-vorm uitstraalt.
3 Op een folder een andere triptiek ontdekt, te vinden in een onooglijk dorpje: Ternant. We zoeken en vinden. Twee triptieken zijn het, werk uit een Brussels atelier: het passieverhaal van “ons Heer”, en het leven van Maria. Allebei mengeling van beeldhouwwerk en schilderij. Allebei fascinerend gedetailleerd uitgewerkt en dichtbij. Ik kan mijn ogen niet afhouden van de roodharige Maria-Magdalena, en haar immense droefheid om de geliefde dode.
4 De beige, lichtgevende stenen van huizen en kerken hier. In Paray-le-monial schijnen ze binnenin, met een heel speciaal licht.
5 Omdat de rivieren hier te grillig zijn, wellicht niet te temmen wegens teveel verval, zijn kilometers kanalen aangelegd, met honderden sluizen. Ze liggen vol binnenschepen, of hoe noem je die kleine vrachtschepen, nu vertimmerd tot innemende woonboten. Zo anders dan de jachten van de zeehavens, met hun patserig wit en pronkende zeilen.
6 Aan zo’n stilgevallen kanaal eten we in een kikkerrestaurant. Kikkerbilletjes in tientallen bereidingen, en overal kluivende eters. Wij verkiezen coq-au-vin.
7 Ook aan zo’n kanaal, face à face, een fabriek en aan de overkant de abdij Sept Fons. We zijn net op tijd voor de vespers. Ik schrik mij een hoedje: tachtig of meer trappistenmonniken, twee derden jong tot zeer jong. Het lijkt een zootje ongeregeld als de klok gaat en de binnenkomenden zich mengen tussen wie al daar zat te bidden, op de grond, in de banken. Soms zie ik er een paar ginnegappen met elkaar.
En dan heeft ieder zijn plek gevonden en daalt rust over hen. Er zitten meer dan tien Aziaten tussen, en een vijftal Afrikanen, opvallend tussen dat wit met hun donkere huid.
Vooraan wordt, aan een koord, een klok geluid, dan klinkt het orgel op, en uit de vele mannenmonden komt het diepe, oude geluid van dit soort koorgebed, als een bal tussen hen heen en weer geworpen, met even de tijd om lucht te happen.
Veel van de doorgegeven woorden klinken bevreemdend, maar niet alles: als in de psalmen om erkenning, nabijheid, een blik geroepen wordt, dan is er wel herkenning.
Ik kijk, en probeer mij de spirituele ervaring voor te stellen die zulke jonge mannen hier heeft gebracht. Het zijn nog jongens soms, maar kaalgeschoren, radicaal in hun keuze. Vooraan, centraal in een brandglasraam, waakt Maria met haar kind, als hun nieuwe moedertje.
8 Van dat andere, veel beroemdere klooster, Clairvaux, waar Bernardus leefde en inspireerde, bezoeken we wat overblijft: een gevangenis, met ijzeren kooien. Sedert Napoleon gebruikte men gevangenissen als detentiecentra, vasthoudcentra, vrijheidsberovende plekken, en niet louter meer als opsluiting in afwachting van de lichamelijke straf (pijniging, doodstraf, galeien, verbanning). En de grote gebouwen van kloosters, leeggeschopt door de revolutie, waren daar, mits enige aanpassing, goed geschikt voor. Maar wat een gruwel...
9 In Musée Rolin (Autun) danst Eva, nee ze zweeft rond de appel die haar verlangen is. Maar die appel is niet belangrijk. Dat is haar dansende lichaam. Een beeldhouwer die een choreografie maakt. 
10 Morvan: een landschap als een tuin. Alsof een geniale, Engelse landschapsarchitect je de ene verrassing na de andere bezorgt. Je moet alleen een hoek omslaan. En wat zonlicht hebben.
11 La Ferté-Loupière. De kerk is verloederd lelijk, maar daar letten we niet op. We kijken naar de uitzonderlijke Dodendans op een muur van het schip. De geraamten van de dood dansen met alle standen, zonder onderscheid. Hun knokige knieën en dijen suggereren een beweging van plezier, alsof het leven een grap is die ze vertellen. De mensen dansen niet, er ligt op paus, koning, kardinaal, jonker, dame, ambachtsman, monnik, burger en kind een melancholische zwaarte, ontdaan van alle religieuze of andere troost.
09-05-12
Nog Bourgondisch licht
Nog Bourgondisch licht. Het is avond en beginnend onweer, er hangt mystiek in de lucht. De pijl helpt wie niet zou weten waar het gebeuren zal.
(Voor de feitelaars onder jullie: het is de kerk van Vitry-le-françois)
08-05-12
Aquarel
Soms doet het licht het op een andere manier. Met water, en andere verf. Rood, met wat druppels oud blauw...
Dat ingehouden danspasje, dat de strakke lijnen mochten maken: er zal wel geen reden voor zijn geweest dan het plezier dat mensen plots kunnen ervaren. Hup: een-tweetwee-een.
07-05-12
Geel
Een weekje rondgetrokken in Zuidelijk Bourgondië, waar het geel van de koolzaadvelden uitbundig kleur brengt, zeker als het licht mee wil doen.
28-04-12
Schaduw
Nolens mag dan nog willen dat zijn woorden geheel in rots zijn gekapt, en net zo duurzaam zullen blijken, hij mag nog zoveel eeuwigheidsprijzen krijgen, toch is ook hij maar een blad in de wind. Ik kijk rond in mijn hok hier, zie al die boeken stil wachten, verzonken in zichzelf, en besef: het enige dat ons allemaal te wachten staat, is verstillen. De een al sneller dan de ander, een mens sneller dan een ding, dan een kei of een boek, maar verstillen doen we. En niet alleen later, maar ook al nu, terwijl er nog volop licht op ons valt. Maar onze schaduw gaat mee, ons grotere verstilde lichaam, groter maar ook onherroepelijk.
Maakt mij dat verdrietig? Nee, ik denk dan: als ik zoveel moet loslaten, is het omdat ik ook zoveel krijg. Laat mij daar maar naar kijken. Dit eerste lichaam van mij kan nooit genoeg gevuld raken. Zelfs op het allerlaatste moment kan er nog wat bij, stel ik mij dan voor. Niet leven van illusies, maar van heel reëel langskomende momenten, vol en eigenzinnig als momenten kunnen zijn.
En dat helpt om ook naar mijn, en ons aller schaduwbestaan te kijken met wat meer afstand. En nieuwsgierigheid. Al die grote schrijvers in mijn bibliotheek die van mij maar één lectuur krijgen, of een paar dichtregels die ik onthoud. En toch zoveel uren geschreven, zoveel uren geluisterd en nagedacht. Het is een grote zee daarbuiten die wij allemaal vullen. Als ik enkel aan mezelf denk, dan is het schaalverschil zo verpletterend, hoe kan ik ooit groot genoeg zijn om van vullen te kunnen beginnen spreken. En toch doen wij ons best, wij mensen. Laat daarom de grote zee ook haar best doen om ons te vullen, voor haar is het zoveel makkelijker, kleine golfjes als we zijn, kleine vonkjes. Maar dan zijn wij wel de zee, en het grote vuur...
(foto's: Père Lachaise in Parijs, met de stenen schaduw van Delphine, en liggende, slapende voeten)
25-04-12
Momenten
Langere en kortere momenten uit de voorbije weken:
Het Brodsky Quartet dat in het Gentse muziekconservatorium, rechtstaand (behalve de op een verhoogje neergezeten celliste), met een ongeziene lichaamsovergave, een fantastische Janacek (Kreutzer Sonate) en Schubert (De dood en het meisje) speelt.
Fel voorjaarszonlicht, dat even vlug, bijna rinkelend, breekt.
Alle vliezen van het voorjaar.
Het idee paars, zoals gedragen door de blaadjes van de kerselaar voor mijn raam. De kleur is tastbaar, het idee ontsnapt me net. Maar net.
Verstand, handen en uithouding van de vakmensen die aan de vernieuwing van de keuken komen werken.
De Zweedse politiereeks, De brug, met zijn wezenloze steden, nachtlicht (zoals ook in The Killing) en niet te verbeteren acteerwerk.
Kleine Sander, in een met slaap en zaterdagnamiddagwarmte gevulde kinderwagen rondgewandeld in een stad die er even slaperig en warm uitzag.
Het effect dat ritme-verstoring op mijn concentratie heeft: ik voel me botsen tegen van alles, zonder dat ik iets heb zien aankomen, of iets kan vasthouden.
Op bezoek in de Scheldestreek rond Boom en Rupelmonde, de streek van Stille Waters, met zijn kronkelwegen en dijken. En soms lijkt het wel een Vlaams Charleroi, als we een oude steenbakkerij bezoeken, en de dorpen tussen fabrieken ingeklemd zien liggen.
24-04-12
Hindernis
In hetzelfde boek (Vader, van de Noor Karl Ove Knausgard) het idee dat tijd “hindernissen” nodig heeft om tijd te worden, nee zoals hij het zegt, om “overvloed” te worden. Anders stroomt hij maar door, onopvallend, stiekeme dief zelfs, en vragen we ons op een bepaald moment af: waar zijn al die dagen naartoe...
Hindernissen: ze kunnen zowel negatief als positief zijn. Zijn vader was in het boek een levensgrote hindernis, de scène blijft mij bij dat hij zich schaamt omdat hij, bij het lijk van wat ooit zijn vader was, nu zonder angst kan kijken, zonder het gevoel door zijn vaders ogen betrapt te worden, zonder tegelijk evenveel weg te kijken als te kijken.
Negatieve hindernissen, je kan er inderdaad romans over schrijven. Mensen kunnen hele romans vertellen, als het toevallig zo uitkomt dat iemand langer dan voorgeschreven wil luisteren.
Maar positieve hindernissen, laten we daar eens literatuur en tijd van maken. Verwonderde haperingen, die na jaren nog altijd klaar voor de geest staan. Ontmoetingen die je leven hebben veranderd. Kunstwerken die bewijzen, mocht dat nog nodig zijn, hoezeer de wereld een mysterie is, groter dan cijfers en kennis, groter dan de categorieën groot en klein. Herhalingen, die onuitputtelijk blijken, ritueel geworden, bedding, betekenis zonder betekenis te moeten zijn, zoals de jarenlange dagelijkse wandeling van de oude dokter in het verhaal De Uitvreter, van Nescio. De grote ruimte die een toch klein lichaam in en rond zich kan maken, zodat wat er dan is, dieper zinkt, groter uitzet, helderder klinkt, mooier schijnt.
Het besef dat je een wezen bent dat door zoveel handen gedragen wordt: zintuigen, hartslag, adem, taal, geliefden, kennis, verleden, toekomst, slaap, verandering, betekenis...
Ach, over dat alles een roman schrijven zal moeilijk zijn, je geraakt gewoon niet vooruit, zoveel cirkels draaien tegelijk en moeten gezien, gehoord, gevoeld worden, je kan er alleen muziek van maken, waar alles tegelijk speelt en weet dat ze speelt en zichzelf op datzelfde moment kan loslaten...
23-04-12
Vier zinnen
1
“Wij zijn verrukkelijk lichamelijk”
“De wereld is slechts een schommel die nooit tot stilstand komt. Alles is voortdurend in beweging, de aarde, de rotsen van de Kaukasus, de piramiden van Egypte, zowel krachtens de universele beweging als vanuit zichzelf. Zelfs de bestendigheid is niets anders dan een trage beweging (...) Ik schilder niet het zijn, ik schilder de overgang.”
Uit: "Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? Montaigne en de kunst van het leven", door Saul Frampton, een geweldig boek, althans voor mij, een Montaigne-liefhebber. De twee citaten zijn van Montaigne zelf.
2
Sinds de intens mooie opvoering van de drie nieuwe cantates van Kris Oelbrandt in de Domincanerkerk van Brussel, blijft één zin klinken in mijn hoofd, eentje van Paul Eluard, uit Capitale de la douleur. Het is een zin die hulde brengt aan het lichaam, aan het kijken, aan de taal en haar diepe verbondenheid, aan de onvermijdelijkheid van die verbondenheid, etc. Het is een hele spirituele, en toch zo aardse zin. Maar voor mij lopen die twee vrijuit door elkaar:
Il fallait bien qu’un visage
Réponde à tout les noms du monde
3
Een wonderlijke zin, in de roman Vader-Mijn kamp 1 (van de Noor Karl Ove Knausgard). Hij beschrijft, met een buitengewone zin voor detail, zijn leven, en speciaal de moeilijk relatie die hij met zijn vader had. In een opsomming van de meisjes van zijn klas (“je had die, en je had die, en die”), staat daar plots:
“Je had Irene, die bij de meisjes veruit de populairste was, ze was mooi op zo’n manier dat het in de loop van een en dezelfde blik wordt opgevangen en weer vervaagt.”
11-04-12
Bericht
Wegens andere werken (aan het kroondomein: een tegel verleggen, een leiding anders aankoppelen, den elektriek nieuwe wegen opjagen, oude keukenmeubels hardvochtig uitzwaaien...) zal deze blog nog een langer tijdje stil blijven.
Geen nood: de vogeltjes blijven fluiten...
Lentegroet.
05-04-12
Mijn wonderen: morgen...
Mijn wonderen: morgen...
Vanmorgen hing de hemel bordeauxrood boven de huizen. Er waren andere kleuren in, er was over nagedacht blijkbaar. Het geheel was te groot om in te lijsten maar verrassend genoeg om te onthouden.
Dat heb je vaker met morgenden: dat ze je verrassen. Niet alleen omdat er toneelgordijnen opengaan (daar moeten avonden niet voor onderdoen), maar omdat nieuw zijn zo nieuw is. Dat is elke keer weer een aanraking die je even verwart, zoals wanneer iemand een hand op je arm legt, of op je schouder. Je weet wat er gebeurt, onbekend is het niet wat er gebeurt, en toch is het zo onverwacht blijmakend nieuw elke keer.
Zo is het ook met de morgen. Het lijkt wel of het licht frisser is ’s morgens, of de uren verser zijn, de mogelijkheden ook, of wat er is meer aanwezig is tussen al het andere dat er ook is. Het lijkt wel of het licht anders glanst. Ik zal niet zeggen helderder, want dat lijkt zo clean en afgestoft. Maar misschien jonger, zoals kinderen glanzen in hun jonge huid, en bladeren als ze uitkomen in de lente.
Het lijkt ook of een morgen nog niet echt moet, nog kan kiezen, nog wat kan aanlummelen zoals een snotneus bij zijn maten en hun brommers. Het lijkt of de morgen geen grenzen heeft, doorloopt tot einders. Hoewel je in de avond veel verder kijkt, als alles is gaan liggen, lijkt zo’n morgen toch van overal te kijken, alleen maar om hier even bij jou en al de rest te wachten.
Dat is dus wat we met een woord beginnen noemen. Nog zo’n woord dat wel z’n best doet, maar niet in staat is de vreemde totaliteit van die ervaring weer te geven, bewegend en stilstaand tegelijk.
Het mooist zie je beginnen in de stad. Stap of fiets in de morgen door de stad, en je ziet heel langzaam een groot lichaam wakker worden en zich uitrekken: hoe daar een raam opengaat, een vrachtwagen toekomt en parkeert, twee schoolkinderen voorbij fietsen met achter hen hun stemmen, de schaduw van een straat bovenaan lichter van kleur wordt, vogels onzichtbaar klapperen, een uitstalraam zich vult met daglicht... Er is geen beschrijven aan, daarvoor is alles wat gebeurt te onverwacht, te nieuw want niet voorzien, nog los van moeten, en toch al wijzend op redenen en oorzaken en noodwendigheden. Alles zal wel ergens te maken hebben met de rest, als in het lichaam van mensen, maar op een grotere schaal. Maar toch, even dichtbij als je eigen wakker wordende lichaam, even traag van bewustzijn, alsof elke dag zich weer moet inpluggen in een groter bewustzijn. En dan zijn ze daar, degenen die ingeplugd hebben: ze stappen anders, ze weten weer waarom, nu is het een beslissing die hen leidt, niet het lome van zich uitrekken en nog niet moeten. Auto’s zijn daar makkelijker in, die nemen beslissingen voor hun baas en gaan er dan vandoor als jonge honden. Net als lichten in winkels en winkelramen. Alsof het nieuwe van een dag maar een vingerknip groot is, de beslissing om weer geld te verdienen, het aanzetten van de kassa.
Maar in het donkere studiootje kwetst het beetje licht dat binnen kan, zich aan de onopgeruimde keuken. Er ligt een lichaam dat niet wakker wil, de slaap niet wil loslaten, dat van geen begin meer wil weten. Het is een jong lichaam dat hier ligt, en de dingen willen wel wachten maar ook niet eindeloos. Ze worden dof, lijkt het wel. Zelfs al is het morgen en rolt overal rondom begin door de straten en de huizen. Alleen hier, in deze weggezakte doos, niet. Hier moet de nacht duren, met de gordijnen dicht. De lucht zucht. Het licht stolt. Als ze niet opletten, is de morgen voorbij.
Maar het licht laat de jongen niet met rust. Het licht poogt zich steeds meer door de zware gordijnen te wurmen, de auto’s claxonneren net iets luider voor hem, de liften hummen dieper, de verse etensgeuren kruipen onder de deur binnen. Maar hij weet het niet. Misschien wil hij niet meer herbeginnen, want begin, hoe vreemd het nieuwe van het begin ook is, neemt toch alles mee van voordien. Dat is de wijsheid van zo’n morgen. Maar ook de last, voor wie niet meer wil. Nooit, of bijna nooit, is er begin zoals op de eerste scheppingsdag (en zelfs daar waren er al duisternis en ruimte en nog meer). De grote kunst van zo’n morgen is dat hij opgaat over kind en kraai, dak en straat, dossiers en boeken in rust, auto’s die grommen en auto’s die nog slapen, hoge schaduwen en lage, fabrieken en volkstuintjes, reclameborden en versleten kranten, windvlagen en plassen, wolken en vlinders, silhouetten van steden en van mieren, wijsheid en domheid, angst en stil genot, sterven en geboren worden van toch weer hetzelfde lichaam. Alles is begin in de morgen, zo totaal weer gegeven, maar het is ook alles. En soms wil een mens dat grote alles niet meer zien. Wil een mens zich oprollen, zich afkeren en dichtvouwen, dat al dit grote alles er niet meer is, of toch minder. Zelfs een jonge dag kan daar niets aan doen dan wachten. Zich inhouden, de donkerte laten en niet opjagen. Overal zijn grenzen, ook aan zo’n brede, grote arm als een nieuwe dag.
28-03-12
Mijn wonderen: nacht...
Mijn wonderen: nacht...
Een nachtloper ben ik niet. Niet een schuinsmarcheerder die onzichtbaar wil blijven, niet een dronken stratenlaller, niet een vandaal die van losgeschopte autospiegels houdt, niet geboefte dat voelt of ramen open kunnen, niets van dat alles.
Maar ik heb genoeg in de nacht gelopen om te weten hoe vreemd de wereld dan geworden is. Zo zonder dimensies, bijeengehouden door lichtvlekken, met daartussen donker dat nu eens zacht is als een hand over je huid, dan weer als een vuist tegen je hoofd.
Er is een andere wereld gaande als het nacht is: een die veel en veel ouder lijkt, een voorwereldlijk dier dat breed en diep adem haalt, je kunt het horen als je even wil stilstaan en luisteren buiten jezelf. Een dat nog weet heeft van de vorming van de continenten, van ijstijden en woestijnen, van een wereld zonder mensen, zonder taal.
Soms kan je daarom dan een andere angst overvallen, ook een die veel ouder is, een prehistorische angst waarin legers en ondieren huilen, waarin voorouders stierven. Dan alleen door een lege straat moeten, is niet gezond. Liever thuis op dat moment, hoogstens overvallen door een kleine rilling als je opstaat en door het raam kijkt.
Sommigen bezweren de duisternis door net dan in het licht te gaan zitten. Zo vervult het café zijn kleine maar ondoorgrondelijke ritueel: op een barkruk alcohol en gezichten en licht drinken, met in je rug het oude donker dat niets zegt, is misschien verdoving maar evengoed een vorm van uitdagen. Want in de nacht slapen mensen. Ze leggen zich neer bij het veralgemeende vergeten, zij geven toe dat ook zij moeten en zullen vergeten en vergeten worden, en die kleinheid verschaft hen rust. Geen hybris kan tegen de nacht op, tegen de wetenschap dat alles overgaat, moet overgaan, hoe groot het ook is. Hoogstens is er de belofte van een volgende dag, bij de Azteken door een mensenoffer, bij de kleine kinderen door een zoen en een aai van vader en moeder.
In de nacht staan de monniken op, maar dat is omdat ze de dag willen verwelkomen, met zijn vele leven.
In de nacht blaffen soms de honden, maar dat is omdat ze een opdracht hebben, die ze nooit vergeten, ook dan niet.
In de nacht kraakt soms het huis, maar dat zijn restjes spanning van overdag, of dat zijn opgetrokken schouders tegen de grote wind buiten, of dat is het zuchten van huizen in hun slaap.
In de nacht lopen de dromen vrij rond, even schuw, even lief en even oneerbaar soms als de levenden.
In de nacht waken mensen over anderen mensen, ze laten lichten aan in gangen, ze luisteren en staan op tegelijk, ze leggen een dekentje goed of geven een pil of nemen een hand vast die koud werd. Het zijn kleine, bijna vergeten daden geworden, klein bijgelicht, klein uitgevoerd en bewaard, te midden van een immensiteit van niet bestaan. Het is geloof in dat grote lichaam dat ons in het leven hielp, en dat ’s nachts kwetsbaarder lijkt, en is, dan overdag, meer pijn kan doen, en dat we allemaal, samen, naar morgen moeten dragen.
In de nacht worden kinderen geboren. Dan krijgen ze warmte en doeken.
In de nacht sterven mensen. Dan worden ze toch al goedgelegd, opgebaard voor wie komt groeten, zal schrikken van zoveel stilte.
Maar de nacht is ook het grote verbergen. Van kwade machten. Het is kwalijk volk waar je ’s nachts mee in contact komt, zegt een buurman, roddelend over een andere buurman. Het is de angst van wie zijn deur twee keer sluit: overgeleverd te zijn, alleen, aan wat normaal maar een droom blijkt. Misschien is een mens daarom niet gemaakt om alleen te slapen.
En de nacht is ook de plek voor wie het leven wil vergeten, of nog een een keer wil leven, anders, heviger, met een smaak die bedwelmt. Het is goed je daar geregeld aan over te geven, het is het verlangen dat ook in kunst naar boven komt. Maar sommigen worden daar verslaafd aan, omdat ze het gewone leven niet aankunnen, of te gewoon vinden en er de diepgang niet van kennen, of omdat de nacht alleen doorbrengen te dicht op de huid komt, of... Zo donker als de nacht is, zo is ze dan zware drank die dronken maakt en een ander lichaam en een andere kop te voorschijn tovert. Want alleen wakker liggen ’s nachts, dan is het donker geen bedwelmende drank, maar levend geworden negatie: nee, er is niets in dit leven, nee dit bestaan is een leugen die toch niet nalaat pijn te doen, alsof negatie niet gewoon kan bestaan, maar een sadistisch spelletje moet worden van... ja van wie, van niemand.
Laat het lichtje branden in de gang, zegt het kind.
Lees mij een verhaaltje voor, dat ik weet dat de wereld verder gaat, in de boeken, in mijn hoofd, in mijn dromen, in de stem van mijn vader en moeder.
Geef mij een nachtzoen, dat ik weet dat alles mij blijft aanraken, ook als het er niet meer is.
Stop mij goed onder, dat mijn lichaam weet dat het veel groter is dan dit kleine dat nu moet slapen en vertrouwen.
Laat mij nooit alleen, ook niet als je ver weg bent, ook niet als je er niet meer bent.
23-03-12
media bis
Waarom journalisten geen columnisten moeten worden, is omdat ze meestal zelf niet zo interessant zijn. Niet elk journalistenwezen heeft een blik en een kop die origineel genoeg zijn om te boeien, om regelmatig geconsulteerd te worden. Voor hen zijn de feiten uitgevonden, die zijn al belangrijk genoeg. Laten ze maar bij die feiten blijven. Dat is al moeilijk genoeg.
Ah, de illusie vandaag dat gewoon je werk doen, niet genoeg is. Je moet ook nog iemand zijn, en dat dus tonen, anders ben je dus niemand, een soort existentiële kringredenering die ons een zee van non-informatie oplevert...
Maar wellicht plooit het journalistendom zich op zichzelf terug, omdat het netsurfen zo grondig de klassieke media verandert (uitgezonderd misschien de bescheiden maar spontane radio). Ik maak, al surfend, mijn eigen krant, ik zoek mijn eigen foto’s, ik kies zelf bij wie ik langsloop, omdat ik hun stemmen boeiend, grappig, opvallend, confronterend, goed geformuleerd vind. Het lijkt wel of ik in een krantenwinkel vrijuit mag rondlummelen en bladeren en lezen. En soms zit ik in een bibliotheek, te bladeren in boeken met veel gezichten. En als ik mijn favoriete blogs afga, kom ik bij mensen thuis. Soms bij vrienden thuis.
21-03-12
2x media

Gisteravond, in de auto, Geert van Istendael op radio 1, waar hij een soortement dagboek brengt. Over het busongeval, dat voor hem dichtbij komt, omdat hij de schoollocatie kent in Heverlee. Maar wat mij stoorde was, dat hij zijn column eindigde met de kreet Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten. Dan nog in de Hebreeuwse vorm Eli, Eli... En ik dacht: als zelfs een scherp doordenkende mens als Van Istendael zo theatraal wordt...
Ik was er misschien meer dan normaal door geïrriteerd, omdat ik in het journaal, naar aanleiding van de moord aan de Joodse school in Toulouse, Sarkozy hoorde spreken over “ce sont nos enfants, non seulement vos enfants”. Van een politicus verwacht je niets anders, ze verkopen constant zichzelf, op welke manier dan ook. Maar van zo’n rationele mens als Van Istendael...
Nog van die media: het valt mij op hoezeer de krantenbijlagen de individualistische toer blijven opgaan. Columns over het privéleven van de journalist, artikelen over twee vrienden en hun eigenste vriendschap, waar de ene bekende eet en de andere bekende een glas gaat drinken, hoeveel het verbouwde huis van den dienen kan kosten, welke kleren en kleedjes die andere al in gedachten heeft voor het nieuwe seizoen, en meer van die allerindividueelste expressie van het allerindividueelste leven.
Ach ach. Ik heb de tijd nog gekend dat bij Vrij Nederland elke week een bijlage zat over een bepaald maatschappelijk onderwerp, én een boekenbijlage van 50 en meer bladzijden. Ik héb ze bewaard, die boekenbijlagen, zo rijk waren ze. Een aantal van die andere bijlagen is zo in mijn geheugen gebrand: over polio in Nederlandse zwartekousengemeenten (waar de ziekte nog als een straf van God werd gezien, en kinderen een suikertje met vaccin niet mochten krijgen van hun ouders, die moesten kiezen, met verscheurd hart, tussen hun moorddadige God en hun eigen kind); over het eiland St Kilda, opzij van Schotland in de wijde Atlantische oceaan, een van de laatste authentieke Keltische gemeenschappen in Europa (en hoe vernietigend de Engelsen ermee zijn omgegaan, zoals trouwens met alle Keltische gemeenschappen); over de Bijlmerwoonblokken bij Amsterdam, met hun mix aan bewoners, toen er van multiculturaliteit nog geen sprake was; enz. Enfin, je leerde nog wat van de media, toen (knorde deze grumpy old man).
14-03-12
Mijn wonderen: over koken en werken...
Mijn wonderen: over koken en werken...
Je hebt van die televisiekoks die liefdevol nog even hun hand op het stuk vlees leggen, of over de genoemde groenten strijken, of even aan de kruiden of het brood ruiken. Die gebaren zeggen veel meer dan louter dikke tevredenheid met goed voedsel. Ze zijn ook verwondering om de aard van wat ons in leven houdt: de vleesheid van het vlees, de kracht van zoiets onopvallends als groenten en kruiden. Verwondering misschien ook over de rijkdom van gegevenheid. Dankbaarheid allicht ook dat in leven blijven zo weinig eentonig gemaakt is, door alle zintuigen in ons, door dat pientere koppie van ons, door die handen die zo fijn afgesteld zijn.
In elk geval, ik zie ze graag bezig, die lichamelijke koks. Ze leren me iets over de aard van werken zelf: werken is (mogen) ontdekken wat er is. Het bijeenvoegen, er iets mee doen, dat komt later. Eerst ontdekken wat er is (of niet is, of maar half is). Daarom zie ik de loodgieter aandachtig kijken naar de kraan. Dat kijken is diep en gericht nadenken (kon ik dat maar, denk ik dan, ik die mij opjaag als zo’n moeilijk communicerend ding het plots laat afweten). En dan haalt hij de juiste sleutel, en de juiste joint (ook het goede woord is van belang voor hem) en begint het uitproberen van de mogelijkheden: uiteen halen, bijeenvoegen, vervangen. En telkens gaat het nadenken door, af en toe ondersteund door zo’n klein grommetje (dat meer is dan een uiting van genot, het is ook een bevestiging dat wat er is, goed is).
Terug naar het koken. Zo’n kok die zijn blik laat gaan over wat er allemaal voor hem ligt, en daar dan aan de slag mee gaat, is dat werken of denken? Of gebeurt het echte werken niet eerder in dat hoofd, en werken handen en voeten dan maar uit wat al eerder ontstond? Zelfs opruimen beantwoordt aan een vooraf bepaald plan. Het ene al meer creatief dan het andere, zeker, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat erom dat werken zo dicht bij scheppen ligt: een nieuw stukje wereld vormgegeven. De ambtenaar die weer een blad afwerkt, laat miljoenen mensen samenleven, zo groot is wat hij uitvoert. De arts die zijn diagnoses afrolt in zijn hoofd, bewijst al die intelligentie eer die, zoveel eeuwen al, inzicht wil verwerven in dat knappe lichaam (zelfs al hapert het vaak, maar haperen is geen religieuze zonde, maar een gebrek aan inzicht, een kans om te scheppen). De juf die het kleutervingertje leert schrijven, redt alle bibliotheken ter wereld.
Ik weet dat ik graag overdrijf, maar soms past overdrijven wel. Deze wereld hangt aaneen, en dan wordt iets kleins vanzelf al groot en groter. Ook dat is werken: iets zo ontwarren of verknopen dat het (weer) past in dat grote verband. Als niet alle knopen juist zijn gemaakt, dan is ook het grotere geheel niet juist, zo eenvoudig lijkt mij dat. Ik word stil van de eeuwenoude moed van mens en dier en plant, om toch maar beschutting en voedsel te vinden, om weer bijeen te zoeken wat uit elkaar geslagen is, om... Is werken dan ten diepste gedreven door verbondenheid? Door een besef (vaak niet uit te spreken) dat bestaan, hoe groot het ook is, toch weer begint bij mijn opstaan en aan het werk gaan? Dat als ik niet zie wat er is, de rest haperen zal?
Daarom is werken zo’n grote zingeving. Wat doe je, vragen we, als we iemand leren kennen. En met het antwoord komt de nieuwsgierigheid naar al wat die mens aan ervaring met de grote wereld heeft bewaard: vertel eens, hoe is het in de politiek, of als manager, of als je een winkel in tweedehandse kleren runt. Ach, werk is even zovele deuren waarlangs iemand de rest van de wereld binnengaat.
Terug naar het koken (bis). Van koken leer ik ook dat alle uitkomst een wachten is. Je kunt wel van alles bij elkaar voegen, maar zeker ben je nooit. Dat wil zeggen: helemaal zeker, zoals in de wiskunde. Maar werken is ook ervaring, en ervaring wordt soms kunst. Een snuifje zout meer kan wonderen doen. Of net dat beetje langer laten sudderen op zo’n vuurtje van niks. Een mens is nooit zeker, maar toveren kan hij wel.
En koken leert mij dat werken nooit gedaan heeft: honderd kleine handelingen, en dat eet je dan op in een half uur. En dan weer afwassen, opruimen en rondkijken wat er is voor de volgende keer, desnoods op zoek gaan naar nieuwe gegevenheid. Nee, het houdt nooit op. Daarom is het kunst er des te meer je best voor te doen, om er des te meer van te genieten. Want genot onthoud je, en wat je onthoudt, verdwijnt niet in de zee van tijd. Tijd is geen werken, want zonder creativiteit (tenzij we zo’n golf in de zee creatief kunnen noemen, maar zo kort en zo onopvallend zou ik niet willen bestaan). Een overloze oneindigheid is tijd. Het zijn de mensen die er uren en dagen van maken. Het zijn de bomen die er seizoenen van maken. Hard werk, maar wat moois levert het niet op...
Is er dan geen afstompend werk? Dat is er. Is er dan geen mensonterend werk? Dat is er. Werken is geen vrijblijvend spel van een kunstenaar, maar bittere overlevingsernst. Werken wordt aan inkomen gekoppeld, aan geld winnen, en wordt daarom soms oorlogsgebied. Maar ook dat is werken: nadenken hoe economie, hoe politiek, hoe het grote maatschappelijke verband rechtvaardig(er) kunnen. Zolang is er altijd die heilige verontwaardiging, die iedere mens weer het recht geeft bestaan en betekenis op te eisen. Daaraan ontsnappen de wereldwijde firma’s door onzichtbaar te worden, enkel een naam en wat vuilwerkmanagers. Maar ik geloof dat de essentie van werken hen toch ten val zal brengen, daarvoor zit de verwonderde en dankbare verbondenheid te diep... Enfin, dat hoop ik. Ik kijk om naar de geschiedenis, en zie tragiek maar ook een onwaarschijnlijke moed. Als alles is vernietigd, is er toch iemand die op een bepaald moment een vuur aanlegt en begint te koken. Eten is leven. Koken is hulde aan het leven. Meer nog: koken is bondgenoot van leven. Is samenwerken met het leven. En wat dat kan doen, zien we in de kinderen.
11-03-12
Deuren en poorten
De ene dag: regen tegen de ramen, windvlagen, druppende takken, toegevouwen licht, en ik ben weer terug in de polders van mijn jeugd. In de donkere winters daar, met mensen met hoge ruggen tussen dikke muren, en een binnenste begraven onder verlatenheid. Zoals er teveel ruimte lag tussen en boven en onder alles, in die verten, in die luchten, in die verzopen grond met zijn vele oorlogslijken, zo lag er ook teveel ruimte tussen en in de mensen. Je zag schimmen, je wist schimmen in jezelf. Een seizoen en een land om ongeneeslijk melancholisch te worden, weg willen en toch vastgeklonken blijven. Mijn moeder ging er kapot aan.
De volgende dag (die van vandaag dus): zon in en door en over alles, en de schimmen worden weggezogen zoals dromen als je wakker wordt. Er zijn wegen, je herkent alles nog, en de mensen hebben weer een gezicht. Ligt het aan de zon? Nee, het ligt aan die overdaad van regen en ingeslotenheid: geef mij een deur die open gaat, en ik wil weer een beetje. En als de zon grote poorten openzet, wil ik een beetje veel.
(dond 08.03)
08-03-12
Mijn wonderen: kunst...
(Abraham David Silvian, USA, Torens van stilte - gezien in Küppersmühlemuseum Duisburg, 2009)
Mijn wonderen: kunst...
Kunst is het verlangen groter te worden. En een verlangen is geen recht, het blijft elke keer weer bij opnieuw proberen. Elke keer weer van o beginnen. Natuurlijk dat een kunstenaar best een goede vorming krijgt, weet heeft van wie hem voorging in het vinden van antwoorden op dat verlangen, en hoe elk vinden weer nieuw verlangen oproept. Het geeft hem handigheid en kennis, het zal hem misschien wat minder eenzaam maken. Maar toch: kunst begint elke keer weer van o. Dat lege blad, dat lege canvas, die eerste stap op het podium, die eerste noot die nog net niet begint.
Een kind leert, staan, lopen, praten, denken, voelen. Dat is intens en het is oerverlangen aan het werk: onophoudelijk uitproberen, vastnemen, aftasten. Onophoudelijke nieuwsgierigheid en wilde vervulling. Wat een kind in die jaren opbouwt, gaat nooit over. Dat is levensgroei zoals het in mensen is geprogrammeerd, en als ze vrij komt een beweging die verrukt, voor wie er staat op te kijken, of er mag op reageren.
En een beweging die een leven lang verder uitdeint: hoe vol kan je dit lichaam krijgen, hoeveel betekenis kan je bijhouden, hoe ingewikkeld kan je samenwerken... Wat dit verlangen oplevert, wordt bewaard. In het geheugen van woord en daad, in het geheugen van letter en beeld en klank, in de straten en de huizen, in nog veel diepere herinneringen allicht. Dit is ervaring als humus, voedzame grond voor nog veel meer ervaring. Kennis die niet verloren gaat.
Heeft kunst dan geen humuslaag? Allicht wel, het zijn toch overgeleverde woorden die een gedicht schrijven, het is datzelfde lichaam dat heeft leren staan en lopen, dat nu danst, of Hamlets moeilijke leven binnenbrengt. Maar de noodzaak om te acteren, om te dansen als een nieuw begin in de leegte, waar komt die noodzaak vandaan? Het landschap was er, en toch maakte de schilder een nieuw. De wereld dreef op klank en ritme en toch zocht de componist ze opnieuw bijeen tot...
Tot wat? Tot zij groter werden. Bach schreef zijn cantates en passies voor zijn broodheren, maar in de eerste plaats toch voor zichzelf. Voor zijn eigen diepste luisteren. Voor dat onbegrensde dat diep in hem, en toch ook heel dicht aan de oppervlakte, nood had aan een afbakening, aan een grens zoals muziek zo mooi grens kan zijn: even een noot, en dan niet meer. Even een waaier van noten, en dan vouwt die waaier zich weer dicht. Zo eenvoudig kan het grotere worden aangeraakt, op voorwaarde dat het weer losgelaten wordt. Evenveel tussenbestaan als eigenlijk bestaan. De ongrijpbare elegantie zomaar geboren te kunnen worden en even gemakkelijk weer te verdwijnen, dat is muziek, en er is niets dat zo licht en zo zwaar kan zijn tegelijk, tenzij misschien het licht in al zijn lagen.
Iemand als Giacinto Scelsi was zelfs niet meer tevreden met die elegantie, maar wilde recht in de klank zelf duiken, als was elke klank een oceaan. Dwars door de klankgrens luisteren wil Scelsi, en als het moet kan hij lang wachten, kan hij een heel orkest laten wachten in die klank. Ik vermoed dat het live soms zelfs bedreigend kan overkomen voor de luisteraar die ook dacht dat hij veilig zat in zijn stoel en met zijn kaartje in de hand.
Groter worden, het is wat de zaal doet als ze gaat overkoken bij de rock en de blues op het podium, wat de ademloze ogen doen als ze de tragedie op scène meemaken, wat het schilderij doet als het plots diep in je borst zinkt, ongevraagd, en met zoveel gewicht. Groter worden, het is wat de tijd doet als ze uit- en uitzet in de roman, en je helemaal jezelf vergeet voor de wereld in je hoofd, of waar dat wonder zich ook mag afspelen. Groter worden, dat is wat de kathedraal doet als je er binnengaat, en het namiddagzonlicht de pilaren vermenigvuldigt, tot je in een woud staat dat een hemel optilt. Groter worden, dat is wat het gedicht doet als je het plots leert kennen zoals je een mens leert kennen: dat niets verdwenen is van wat er ooit was, dat alles er nog is, dat jij daar iets van mag zien.
Zo groter worden, dat je je afvraagt hoeveel werkelijkheden er zijn. Het schilderij kijkt dwars door muren, hoe dik ze ook zijn, naar een andere wereld. Muziek roept verdriet of verlangen op dat allang voorbij had moeten zijn. De film tovert je uit je lichaam naar een ander lichaam. Het koor zingt en wat tussen die klank hangt is zo groot leeg, dat je je adem inhoudt, om tenminste nog dat beetje leven te bewaren.
Weet kunst dan iets meer over onze grenzen dan wij met onze huid, met onze naam, met onze zintuigen? Weet kunst dan van al dat grotere dat in ons is achtergebleven en daar verder leeft, in de diepte vaak, maar als het aangeraakt wordt, ook aan de oppervlakte toch? De woorden die in ons bijeendreven: zoals zij orde kunnen scheppen, zijn wij dat dan die spreken, of spreken grotere verbanden in ons? Zoals wij van onze huid zijn, zo zijn wij toch ook van een veel grotere huid: die van onze vader en moeder, die van onze kinderen, die van alle geliefden, ook als ze ons verlieten en vergaten? En het wiel dat seizoenen drijft, drijft toch ook ons, hoe klein we ook zijn? En de dood die verstrooit, wacht toch ook al lang in ons?
(Abraham David Silvian: Torens van wijsheid)
05-03-12
Leren tekenen. Leren schilderen.
De ontstellend dunne pootjes van de merel op de tak. Twee potloodstreepjes.
*
De lichtste nuances in het grijs boven mijn hoofd. (Je denkt dat je alles hebt gezien bij één oogopslag: ah, grijze lucht, ja, ken ik. Maar als je wat langer wilt kijken, merk je dat je nog niets hebt gezien, zo licht is verandering bezig.)
Het verzonken grijs in de kleuren rond mij. (Zoals je films hebt die gedraaid worden in een donker geverfd kleurenpalet, zo hangen de kleuren op de huizen en de bomen en de dingen rond mij. Beetje film noir, beetje Leon Spilliaert, beetje uitgewreven houtskool, beetje...)
Bestaat er ook zoiets als grijs licht? Het is zo subtiel, dat ik het niet eens opmerk, tot ik aandachtiger kijk. Zonnelicht loopt graag naakt rond, maar dit licht hier heeft sluiers aan...
01-03-12
Mijn wonderen: oud worden...
Mijn wonderen: oud worden...
Is oud worden een traag verfilmde ramp? Of is oud worden een overtuiging, zoals bladeren in de herfst niet zonder de mooiste kleuren zullen vergaan?
Is oud worden uitgestelde afbetaling van pijn en ongemak? Teruggave van geleend materiaal, zoals daar zijn ogen en voeten, en spieren van allerlei grootte en vorm, en hersenen die jarenlang toch vingervlug functioneerden? Gebeurt het afbetalen soms met interest? Of is oud worden toevertrouwen? Een goede plaats zoeken voor wat dierbaar was, in plaats van het zomaar te vervloeken, of te vergeten? Een nieuwe eigenaar vinden, iemand die blij is met de opgedane ervaring, die al die geschenken zorgzaam ontvangt, die luistert naar oude woorden en er nieuwe van maakt, die de zwakke arm neemt met nieuwe sterkte, en weet dat begin en einde misschien wel hetzelfde zijn, alleen in tijd wat uiteen liggen?
Is oud worden woede? Of is het dankbaarheid? Woede op wie? Dankbaarheid voor wat? Er zijn bronnen aangeslagen in wie begint te leven: adem, hart, taal, bewustzijn, aanraking. Zijn wij de rechtmatige bezitter van onszelf, of moeten wij ons delen met grotere krachten?
Er is zo’n merkwaardige parallel tussen een baby en een oudgeworden mens. Zoals bij een baby een vloedgolf binnenkomt en je aan de verwonderde ogen en handen ziet dat de kleine nog geen categorieën heeft om alles in te delen en te ordenen, zo zie je bij een oude mens soms diezelfde immense kwetsbaarheid, alsof er weer veel minder categorieën zijn en alles te groot binnenkomt. Hoe deel je verlies in? Hoe deel je definitief in? Hoe deel je pijn in? Hoe deel je verwachting in, als dat geen verwachten is van een leven dat nog moet komen, maar een wachten, van dag tot dag, want morgen kan de laatste zijn. Hoe deel je laatste in? Hoe deel je spijt in? Spijt kan een tsunami zijn en je totaal ontredderd achterlaten, wegens, inderdaad, geen kans meer, definitief, laatste. En dan: hoe deel je dood in? Is dat het niets dat aan alle begrip ontsnapt? Of mogen we van liefde en betekenis een zekere logica verwachten?
Die extreme broosheid van leven, op een bepaald moment, ontsnapt aan elke categorie. We kunnen er alleen maar met overgave, met verwondering mee omgaan. En dan nog is er angst, onmacht, verwarring. Het weinige dat we objectief weten, is dat leven beweging is. Groei, spectaculaire, machtige groei, maar ook spectaculair verval, aftakeling die klein maakt wat daarnet nog groot en sterk was. Is het diezelfde beweging die we zien? Van broos naar sterk, en nu van sterk naar broos? Logisch dat alle beschaving daar de diepere zin van zoekt: van voorouders tot genieten, van solidariteit tot een lot dat alles vastlegt, van een oordeel tot Darwins overleven...
Maar alleen al weer wakker worden en je adem trouw bij je weten wachten, ontsnapt aan categorieën. Als alle leven toch neerkomt op krijgen, dan kan het bewustzijn daar nooit genoeg op ingaan, dankbaar voor zijn. Er is zoveel, wij zijn zoveel, de beweging is zo groot, zo intens alles en iedereen, dat jong of oud zijn als gegeven lijken te verdwijnen: allebei zijn ze een constante hulde aan dit grote dat aan ons allen gebeurt, en dat we nooit zullen begrijpen, maar enkel kunnen meemaken. Dichter dan dit zullen we nooit komen. Dan is sterven misschien heel intens leven...
foto's: straatje in Halle, bij de Academie.
29-02-12
Sander
Aanvang (Ida Gerhardt, 1905-1998)
Die het kindje het aanzijn geeft
geeft het aanzijn aan alles
nooit door woorden noembaar,
dat slaapt onder schedeldons
als een perzik.
Vlinders slapen er, bloemen
met tippen toegevouwen,
bladerenfronsels, een handje
openend.
Tuiltjes van water slapen.
En ook de verten slapen,
verten met donkerblauwe
rivieren, met grote bomen,
even bewegend, daarachter
stil in het aanvangslicht
slapen de hemelweiden.
Gisterenmorgen, 28 februari 2012, werd kleine Sander geboren...
25-02-12
Inleiding op de geliefde (18): verlangen
Hoe vaak we, op televisie, Pride and Prejudice al bekeken hebben, weet ik niet. Met het lezen erbij kan één hand misschien net niet toekomen. Maar elke keer laat jij je weer inpakken door dat grote verlangen. En ik met jou, want zo ken ik je: je hart wil soms heel groot opengaan.
Jammer toch dat verlangen, als het werkelijkheid wordt, zijn verlangen verliest, zeg je nadien in bed. Misschien is het daarom dat Jane Austen daar ook ophoudt. De droom kwam uit, en veel intenser dan de weg er naartoe is er niet te vertellen. Al is de ontroering van haar zus Jane zo prachtig vertolkt, in zijn mengeling van overweldigende vreugde die toch ingehouden wordt, meer dan dit ene moment kan de schrijfster, en kan de cineast niet laten zien. Alle vreugde nadien zal van dat ene moment een afspiegeling zijn. Een maar bleker wordende herhaling.
Ik denk hier even over na. En toch, zeg ik dan, gebeurt het soms, dat ik langer dan de gewoonte verwacht, naar jou kijk, en dat dan iets van die vroegere verwondering terugkomt. En heb ik dan niet weer iets van dat eerste verlangen, zelfs al ben ik bij jou? Ook wie een kostbaar schilderij of een geweldig uitzicht bezit, kan nog bevestiging zoeken en vinden van die oospronkelijke keuze. Tussen twee mensen is het wat ingewikkelder, maar ook hier (vooral hier) heeft verlangen nood aan een spiegel. Verlangen kan niet afgekocht worden met geld. Verlangen kan niet afgedwongen worden. Ze kan slechts wat ze betekent: verlangen, en dat is met alles van lichaam en geest openstaan, zo wijd mogelijk, om de vraag en de uitnodiging zo wijd mogelijk te maken. Daarna gaan geest en lichaam weer toe, zoals de zenuwen in een hand na een tijd niet meer doorgeven waarop die hand ligt. Tot ze weer beweegt, die hand. Dan staan de zenuwen weer op scherp. Het hoeft niet veel te zijn, gewoon even bewegen. Zo’n kleine beweging is als ik wat langer naar je kijk...
Normaal heb je een antwoord als we zo aan het bed-overwegen zijn. (En anders ook). Maar nu zwijg je. En hoor ik daar een bevestigende knor? Kritisch ben je, zéér, maar nu lijk je me te geloven. En daar ben ik blij om.
Je grijpt mijn hand en alle zenuwen van mijn hand springen recht.
En dan slapen we in.
22-02-12
Geboorte
Vandaag wordt kleine man Elias één jaar. Zo zal het op zijn pas staan, en in de andere papieren. Maar drie maanden te vroeg geboren betekent dat hij nog een andere geboortedatum heeft, de voorziene, half mei of zo. Tot dan heeft hij een baarmoeder gekregen in de couveuse, in de warme handen van ouders en verpleegkundigen, in de dagelijkse moedermelk, in alle ogen die hem vooruit wensten, in zijn eigen kleine grote overtuiging.
Leven wilde hem dragen en droeg hem, en dat wonder zal mij bijblijven, mijn leven lang. Mijn leven lang ook de vragen: die volheid van geven, die volmaaktheid van het gegevene, dat liefde het begin en het einde is omdat kwetsbaarheid en schoonheid het begin en het einde zijn, die grote wil die in groei zit, die grote wil die in wachten zit, dat niets verloren gaat van mensenkennis maar bewaard en doorgegeven wordt om een kleine mannetje in leven te houden, dat leven soms te verwarrend en te groot aanwezig is voor een klein mensenhoofd als het onze, dat vreugde en verdriet dezelfde dichte hand zijn, dat er misschien niets is dat niet lichamelijk is, ook deze woorden dus niet...
Ondertussen groeit in een andere buik een ander kind. Bij tweede zoon en zijn vriendin. Ook hun wachten gaat diep. Half maart is de ontmoeting gepland. Hoeveel leeftijden heeft een mensenkind, als je ziet hoe lang voordien het al verwacht werd en wordt. Zovele geboortes die niet op de pas staan...
18-02-12
Uitersten, toch samen... (dagboek)
Vrijdag 17.02 - Eliso Wirsaladze speelt Schumann in de Handelsbeurs: zo onsentimenteel helder, realistisch, krachtig, en toch zo zorgzaam voor alle nuances. Alle ingehouden en alle losgelaten nuances, alle verlangens en ontgoochelingen, alle diepten die geen woorden hebben en waar Schumann toch een klank voor vond (vaak zo'n lange klank, die mocht openkomen, ook in mij...).
Daarvoor moet je 70 jaar geworden zijn, en spelen voor de muziek en niet voor het publiek. Zo kwam ze op, een beetje met tegenzin, lijkt het. Zo groette ze ook, zonder veel poespas, het ging om de muziek waar ze nadien moeizaam uit terugkwam, naar dit andere deel van de wereld, waar nog mensen zijn, die iets van haar verwachten. Toen glimlachte ze even, en onmiddellijk klonk het applaus harder.
Dat ze vier bissen speelde was, zo kwam het mij over, vooroorlogse hoffelijkheid: een publiek dat zo intens geluisterd had (géén gekuch!) verdient dat, en ook de kleine kicks die bisnummers kunnen zijn, zijn hen gegund. Hoe in zichzelf gekeerd ze ook leek, ze besefte maar al te goed dat muziek een gedeelde wereld is, dat haar intensiteit groter wordt als de zaal mag meedoen, dat ook zij maar gekregen heeft wat ze nu doorgeeft...
Toen de zaal leeggelopen was en we nadien nog wat dronken in de bar, zag ik haar voorbijstappen, met enkele mensen die haar omringden met zorg, licht glimlachend bij het enthousiasme van een paar meisjes die een handtekening wilden. Haar lichaam was traag als van mensen van een zekere leeftijd, maar haar handen waren die avond onvoorstelbaar jong en snel en juist geweest...
16-02-12
Bladboek...
Mijn dagboek bevat dat deel van mij dat anders zou over- en verloren lopen, overschotten van het veld dat ik met kracht heb gemaaid. Ik moet er niet voor leven, ik moet er in leven voor de goden. Zij zijn mijn aanspraak, en het is voor hen dat ik dagelijks dit papier op de post doe. Bediende in hun telbureau ben ik, en ‘s avonds gaat het verslag van mijn notities naar hun register. Zoals het blad dat over mijn hoofd hangt op het pad. Ik buig de tak en schrijf er mijn gebeden op. Laat dan de twijg los, die, opspringend, mijn krabbels aan de hemel laat lezen. Alsof ze niet in mijn lade opgesloten blijven, maar een blad zijn zo zichtbaar als alle andere bladeren in de natuur. Papyrus aan de rivierkant, kalfsvelijn in de weiden, perkament op de heuvels. Ik kom ze overal tegen, zo gemakkelijk als de bladeren die in de herfstlanen samentroepen. Kraai en eend en arend dragen mijn ganzenpen, en de wind drijft de bladeren zo ver als ik gaan kan. En als mijn verbeelding niet opvliegt, maar vastzit in slijm en modder, dan schrijf ik met een rietstengel.
(Dagboek van Henry David Thoreau, 8 februari 1841)
13-02-12
Mijn wonderen: lesgeven...
Mijn wonderen: lesgeven...
Het wordt wel eens gezegd van prostitutie, maar het klopt niet. Lesgeven is het oudste beroep ter wereld. Iemand heeft een voorraadje kennis en brengt die in zijn volledigheid over op iemand anders. Dat is van alle tijden.
Verschillende elementen zijn vandaag nog net zo belangrijk als in de nevelen van de tijd: de overtuiging dat kennis belangrijk is voor ons, mensen, en het verlangen om voor die kennis een nieuw lichaam te vinden. Woordenboeken zijn er al, voor mij nog altijd van het hoogste wat een beschaving kan bereiken (en de tragiek vandaag van duizenden bedreigde kleine talen). Maar zonder de geboorte van woorden in elke nieuwe mens is een woordenboek ook maar een relikwie, een kostbaarheid uit een museum.
Maar als er wel taal gaat woeden en branden in weer een kinderhoofd (hoe dat precies gebeurt, blijft nog altijd een van de grote wetenschappelijke vragen), dan is het woordenboek daar, paraat als geen ander, om les te geven. Dat wil zeggen: rangschikken, verklaren, aanvullen, corrigeren, weer in herinnering brengen en regelrecht betoveren (als zo’n woordje op een of andere manier anders raakt dan normaal: door zijn klank, door zijn beeldende kracht, door zijn geschiedenis).
Zo kon ik het in het klaslokaal aan de ogen zien van de jonge mensen voor mij: soms hadden die, ik overdrijf niet, een vreemde schitter. Ze fixeerden me intens, maar ik wist dat ze verder zagen dan het mannetje dat daar voor hen bezig was. Ze zagen iets van dat grotere dat in alle kennis zit, iets van de ambitie om elke mens te bereiken. Iets van dat geloof dat denken een bron is die in elke mens vloeien kan, en dat we samen bergen kunnen verzetten. Iets veel ouders ook: voor mij was kennis al doorgegeven, en dat zou blijven gebeuren na mij, misschien wel door hen.
Want kennis is ook een kick: er waait daar een schoonheid door, waar die ogen op dat moment iets van ontwaren. En waar ze misschien blijvend jacht op zullen maken. Lesgeven heeft veel met passie te maken, en van passie is geweten dat ze passie oproept: de onvoorstelbaar brede blik van woorden en verhalen; de helderheid van cijfers, en hoe iets af kan zijn, volmaakt misschien; dat de wereld zo groot is, van duizenden namen, maar ook van diepere verbanden die nog helemaal niet zijn blootgelegd; dat er een verleden is geweest, even diep, en dat we daarvan veel kunnen bewaren, al lijkt het onmogelijk als de tijd onbarmhartig alles afsluit, onophoudelijk.
Dat waren de mooiste momenten: als mijn uitleg plots iets van passie kon laten aankomen bij jonge luisterende ogen en geesten. Maar lesgeven hoeft het niet louter van die momenten te hebben. Veel meer nog werkt het geduldig wroetend, bijna onzichtbaar. En de verandering wordt slechts na maanden en jaren zichtbaar: dat het kind leerde lezen en schrijven, optellen en vermenigvuldigen, kaarten in haar hoofdje heeft gehangen, klanken uit een instrument kan toveren die zoveel meer zijn dan chaos. Dat vond ik even wonderlijk aan lesgeven: de verandering die je ziet na een jaar, eerder toevallig, in wat iemand schrijft, of zegt, of in de trots die een rug recht en ambitieus wordt, of in een nooit eerder opgemerkte rust of een glimlach die een ander begrijpen verraadt. Ik heb vaak gedacht dat je die verandering, die groei, ook in een soortement rapport zou moeten kunnen omzetten. Maar ten eerste kan dat niet, en ten tweede doet dat afbreuk aan het basisidee zelf van groei en bloei.
Dat doet een mens namelijk voor zichzelf: omdat hij zo’n kolossaal leervermogen heeft, zo’n nooit bevredigbare nieuwsgierigheid, zo’n uiterst subtiel smaak- en oordeelsvermogen, zo’n oplossend vernuft. Wat zijn wij mensen toch onwaarschijnlijk goed gemaakt om te leren. Ons hele lichaam hunkert ernaar, en het is altijd jammer als de school als een monoliet op dat leervermogen gaat staan. Ik weet dat men vandaag daar extreem Rousseau-iaans over denkt, alsof kinderen vanzelf wel de weg zullen vinden. Maar net dat laatste is allerminst zeker: kinderen zijn ongelikte beren. En kun je ze in een vorm likken, zoveel te beter, maar veel vaker moeten ze in een vorm geduwd worden, goedschiks of kwaadschiks. Want er is ook de luiheid die hen vormloos houdt, en het gruis dat in hun hoofden zich opstapelt van alle nutteloze informatie van deze maatschappij, en alle onbeantwoorde vragen die daartussen vaak verstikken.
Vandaar dat lesgeven een ondemocratische bezigheid blijft. Iemand bezit autoriteit, en dat (liefst geleerde en gepassioneerde) gezag neemt de leiding, want kent de weg. Hier gaat het niet om inspraak (ook niet van bezorgde ouders) maar om een ontdekkingstocht, waarvan de uitkomst niet 100% zeker is: inzicht en nieuwe passie zijn niet gegarandeerd; een zekere rijping en basisgroei zouden dat wel moeten zijn. Want een mens is een kunstwerk, daar kun je ook aan repeteren en schaven. Soms lukt het beter dan anders. Soms misschien moet het wel helemaal anders, in een ander decor, met andere spelers en inhoud.
Maar gaan moeten we. En daarom zou autoriteit vertrouwen moeten zijn, en geen wantrouwen. Een voetbaltrainer verdraagt ook niet dat de voorzitter de ploeg opstelt. Maar net dat is vandaag het geval: de school wordt gewantrouwd, en moet tegelijk psycholoog en opvoeder en agent en dokter spelen. Begin er maar aan. Het is nochtans een prachtidee, al zo lang: een soort beschermde plek, een tuin die enkel voor de bloemen is aangelegd, een ongebonden ruimte, waar mensen zich kunnen laven, jarenlang, aan zuivere kennis. Niet opgelost in televisieprogramma’s of kranteninterviews, maar met stevig logisch gebinte in zich, bedoeld om in die hoofden dat gebinte opnieuw te construeren.
Een plek die zo natuurlijk is als de seizoenen. Elk jaar opnieuw, in september, begint een nieuwe cyclus, een groot wiel dat wentelt en aan al die kleine en grote kinderen als vanzelf duidelijk maakt dat dat het echte leven is: de grote beweging, die verder reikt dan het volgende uur, leert dromen op een andere manier dan de kortbije angst of leute, spreekt met een generatie alsof de dood niet meer bestaat, en een uitnodiging inhoudt, elke schooldag weer, om zelf ook mee te stappen op die grote weg.
Heerlijk vond ik dat, dat elk jaar een maagdelijk nieuw was. Elk jaar nieuwe gezichten, nieuwe kansen. Elk jaar zelf ook nog wat beter worden. Een goede leraar wordt beter als de wijn, voorwaar.
En tegelijk is er die nederigheid: jij bent niet doorslaggevend, allesbepalend, jij bent maar een schakel in dat wonderlijk complexe ding dat mens heet. Maar net doordat de school een asiel is voor hongerenden, naar feiten, naar verbanden, naar schoonheid, lukt het een leraar misschien net iets meer dan een ander om zaden te planten waaruit bomen komen.
En wat een vreugde blijft het in je verdere leven andere leraars tegen te komen: de gids die in een uur tijd weer een nieuwe wereld opent; het essay dat je niet weg kunt leggen, omdat het tegen jou spreekt en jij van die glinsterende ogen hebt (al weet je het niet); de journalist die plots een grotere lijn trekt; de politicus die de juiste woorden vindt; de verzamelaar die meer dan uitleg geeft; de ambachtsman die trots is op de efficiëntie van zijn aanpak en materiaal; de buurman die alle kunsttentoonstellingen gaat zien, en antwoorden of verhalen weet op elke vraag die je stelt; de herders die we kunnen tegenkomen in kabinet, kerk of politiekantoor, en die er in slagen om tegen je ziel te praten; de leraar die elke vriend voor je is; de leraar die in je partner spreekt, als zij een opmerking maakt (je zou dankbaar moeten zijn voor die autoriteit en dat vertrouwen, in plaats van nijdig te worden). Zovelen die iets aan je doorgeven willen, en soms is het nieuwe passie, soms alleen maar groei. Maar bewegen doen we, even groot en even natuurlijk als de seizoenen. Ooit is dat weten ons gegeven, aangezegd misschien, wie weet ontdekt, en sedertdien loopt er een spoor dat blijvend nieuwsgierig maakt en blijvend ons drijft.
08-02-12
Mijn wonderen: verlegenheid...
Mijn wonderen: verlegenheid...
Het mag niet meer, schijnt het. In de kleuterklasjes worden ouders er al op geattendeerd en wordt therapie aanbevolen. Liever een luide bek dan dit schaamvol zich verbergen, dan deze rest van een oude cultuur, toen een mens nog niet wist van de zegeningen van een grote mond, van de rechten die breeduit op zijn voorhoofd staan geschreven, van de wereldaandacht die hij verdient, op elk moment.
Ach, wanneer is verlegenheid iets geworden om je voor te schamen? De schaamte die ze verbergt, is al schaamte genoeg, dat er nog die maatschappelijke arrogantie bovenop moet komen. Want mij is het verlegen wegkijken en zwijgen zoveel liever dan de nooit verlegen kwek en blik van wat vandaag als model geldt, de televisiemens, die nooit om een antwoord verlegen zit, laat staan dat hij iets zou voelen van een beginnende verlorenheid. Ze worden in een speciale fabriek gemonteerd en afgesteld, denk ik, die gladde gezichten die je al zappend aan je voorbij ziet trekken, allemaal met hetzelfde scherpe geluid en dezelfde kletterlach. Zoals er ook, al lang, een speciale fabriek bestaat waar ze politici maken, een mensensoort die nog het dichtst het ideaal van robot benadert.
Maar is verlegenheid wel schaamte? Wat is er mis met iemand die verkiest te wachten en te luisteren. Verlegenheid kan je ook beschouwen als een vorm van zelfverdediging. Eerst de situatie even doorlichten, bokken van schapen scheiden, valkuilen traceren, en voordeelkansen. Zo’n houding lijkt me heel verstandig. Je bent tenslotte toch kostbaar bezit, dat je niet zomaar te grabbel gooit.
Verlegenheid raakt aan trots, daar ben ik van overtuigd. Je gaat niet zomaar, tegen de eerste de beste, of voor om het even wat, in de aanval. Nochtans is dat het adagium van vandaag: laat je in niets tekort doen, onmiddellijk afblokken of eisen, algemene achterdocht en scherpe klauwen. Het krijsen van kinderen (op de grens van gehoorschade) heeft niets met trots te maken, maar alles met een infantiel blijvende afhankelijkheid.
Verlegenheid is het besef van strijd, maar ook dat die strijd een opgave is, die groei en voorbereiding vereist. Dat de wereld er niet is om jou te dienen, maar veel en veel ingewikkelder in elkaar zit. Dat het niet past je zwakheid onmiddellijk bloot te geven in roepen en zeuren. Dat het ook niet nodig is in een oceaan van mensen de aandacht zo op jou te vestigen. Leven is vaak overleven, en een kind dat twee en meer slaven tot zijn beschikking heeft, beseft soms te laat dat het maar een van de velen is. Dat het nooit zijn binnenkant versterkt heeft, maar bij elke tochtvlaag geroepen heeft op zijn moeder.
Verlegen kinderen zijn ouder dan hun leeftijdsgenoten. Gedragen zich volwassen voor hun tijd. Weten dat de oppervlakte van het moment verschilt van de diepte die er onder ligt. Hoe meer ze het verschil voelen tussen hen en de anderen, hoe sterker ze ook de vraag van hun eigen leven beseffen. En daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. Leven, bewust leven althans, niet het aaneenrijgen van kicks en van pinten, is een levensgrote vraag, die schommelt van verdriet naar vreugde en terug, van angst naar kracht, van droom naar diepe moeheid, enzovoorts. Dat is wat anders dan de veelrechtenachterdocht, dan de lifestyle van de boekskes. Groeien, beseft verlegenheid, kan alleen maar van heel diep binnenin. Groeien, beseft verlegenheid, heeft tijd nodig. Want het gaat niet om het korte lontje, dat voor een prul afgaat, het gaat om oneindig veel meer, waar generaties wijsheid over verzameld hebben, verhalen over hebben verteld, liederen over hebben gezongen en kennis over hebben opgetekend. Leven van elke mens is kostbaar, ons gezamelijke leven evenzeer.
Uit eigen ervaring weet ik dat verlegenheid vaak kleine, soms biezonder grote verwarring is. Je weet het even niet meer, en dat is nooit prettig. Even lijkt veel te nonchalant als woord. Je voelt je soms overvallen door verlegenheid, leeggeroofd en berooid achtergelaten. Je woorden komen niet meer, zelfs je gedachten zijn gevlucht. Je lichaam is naakte huid. En midden in die storm ben je helemaal alleen.
Hoe kan ik dan verlegenheid zo positief benaderen als ik hierboven deed? Omdat, nogmaals, verlegenheid een leerproces is. Je weet dat de wereld groot is en je geschaafd kunt achterblijven als ze door je trekt. Verlegenheid is ook onervarenheid: de volgende keer zwijg en kijk je uit bewuste zorgvuldigheid met jezelf. En weet je het niet meer, dan eis je het recht op twijfel op, op overwegen en wegen. Het recht om aan de rand te gaan staan en niet mee te doen. Om tegen te spreken. Of te zeggen dat de koning naakt is. Of, als hij gekleed is, totaal geen smaak heeft.
Verlegenheid als hoeder en leermeester van eigen kostbaarheid. Ik denk aan twee beelden die ik zag. Die oude Ethiopische man in de woestijn: hij heeft zich in een lange witte mantel gehuld en komt uit het wit van het stof aangestapt. Tot hij de camera ziet en blijft staan, weigert verder te stappen. De cameraman stopt na een tijd met filmen. De twee dorpsmeisjes op het schilderij van Leon Frederic, dat in het MSK van Antwerpen hangt. Ze hebben hun zondagse schort aangetrokken, maar al de rest is grond: hun nagels, hun versleten schoenen, de verstelde kousen. Het jongste meisje kijkt verlegen vanuit een schuin kopje en zegt daarmee dat ze zichzelf niet wil verkopen, dat zij de eigenaar is van zichzelf. Het oudere meisje kijkt helemaal weg van de schilder en ons. Zij is wat ouder en haar verlorenheid is allicht groter dan dat van haar jongere zusje. Zij voelt, opstandig en verward, in de blik van de schilder en van ons wat het is plattelandskind te zijn, dat er andere, groter levende levens zijn, en zij alleen maar een schort en vuile nagels. En toch vecht ze voor dat kleine leven van haar. Dat zegt haar starre blik op oneindig...
06-02-12
Bruegels winter
Bruegels winter
Bruegels winter in een houten raam
versteven, wit en zwart scherp bijeen.
In de verte hoor ik kinderstemmen
slaan, geborgen in hun verleden.
Ze komen over oude dunne sporen
aangewaaid, ik sta op en luister
aan dit landschap, het ligt open,
er is zoveel te horen.
Bruegels kinderen en zijn boeren
met hun hazenhart tussen geus
en paap, tussen de vijand en
hun stugge land verloren.
Bruegels ijs en uitgesneden
dorpen waar de kermis hoogtij viert,
gevloek, gescharrel achter hagen
en eenzaamheid niet meer vermeden
want de jagers komen en de vele
stramme jaren, hokkend bij de haard,
de voeten bij elkaar gebonden,
luisterend of de zoon niet wederkeert.
Maar de zoon wast zich het land niet af.
Hij loopt en leeft en wordt, schijnt het,
nog telkens weer zo fel geboren.
Maar in zijn hart is hij geleerd
te zwijgen tot alles toch weer
liggen gaat, niet te kermen
als de ruimte vol loopt
levensgroot met water, te wachten
in zijn blik, te ondergaan met
harde nek en dichte mond.
De zoon leeft van zijn plicht.
Hij slaapt in met zijn verlangen.
Het is hem vaak genoeg gezegd dat hij
gezond moest leven en zijn hart
bewaren. Maar de zee, de lucht
en het land zullen hem niet verklaren.
Bruegels winter in het houten raam,
er vallen schoten en de honden huilen,
de kinderen zijn verdwenen ongemerkt
en in de leegte zullen klokken luiden
over het binnenste van de blik,
de rechtstaande vrees waarheen te
moeten gaan en weer te moeten spreken
voor belangen mij ooit aangedaan.
(Dit is een oud gedicht, geschreven toen ik dertig en meer jaren jonger was. Zoon nog, van een zwijgend land, en oude ouders... Maar nu de sneeuw in het land is, en de oude koude, mag ik terugkeren naar vroeger. Nu uit nostalgie, en dwang van het geheugen...)
