12-09-10

Voor Bavink, de schilder

 

 

IMG_3296.JPG

 Woorden als bijen rond zijn hoofd

Hij slaat ze soms van zich af

Met het ongeduld van concentratie

 

Schaduwen als honden aan de lijn

Hij rukt er aan, tot ze willen

Wachten aan zijn voet

 

Verten als vrouwen naar zijn oog

En de mooiste, de zon, ze heeft

Een tred van veren en tule

 

En Bavink staat onbeweeglijk

Terwijl zijn hart rent

Naar haar toe

 

Bavink, Bavink, als verlangen

Een hevig gat slaat in je borst,

Loop je dan vol of loop je dan leeg?

 

In het eerste geval verdrink je

In het tweede honger je dood,

Mijn vriend


IMG_3936.JPG

Bavink was, in het verhaal De Uitvreter van Nescio, de schilder die Japi, de uitvreter aansprak, omdat hij zich afvroeg: wie is toch die wonderlijke kerel, die uren lang aan het water kan zitten, staren en ogenschijnlijk niets doen. Het gebeurde in het begin van het verhaal, op een stampende boot in de regen en de wind van Zeeuws-Vlaanderen. Ze bleken allebei Amsterdammers te zijn en allebei mensen die van kijken hun levensvervulling maakten. Dat gaf hen onmiddellijk iets om over te praten, en zo kwam de vriendschap vanzelf.

Ze bleken allebei ook levensgenieters, die hielden van lekker eten en drinken, en wat gekkigheid aan tafel of op straat, om de burger een beetje op stang te jagen. En omdat Bavink met zijn schilderijen geld verdiende, kon Japi meeprofiteren (uitvreten betekent in Noord-Nederland profiteren van iemand en moet zowet het schandelijkste zijn wat je in het werk- en plichtsgetrouwe protestantse Nederland kon doen, behalve je vader en je moeder vermoorden natuurlijk). Japi kon ten andere heel wat beter de schilderijen aan de man brengen dan Bavink zelf.

Het is het begin van een levensverhaal dat zich voltrekt in enkele tientallen pagina's en je als lezer verweesd en met veel vragen achterlaat. Waarom moest het aflopen met Japi zoals het afgelopen is (lees die laatste, weergaloze bladzijden - misschien moet ikzelf het verhaal op deze blog zetten...)? Is er dan geen plek in deze pragmatische maatschappij voor zo'n poëtische, "andere" ziel als Japi? Wat gebeurt er toch met onze dromen als we ouder worden?

Nescio heeft Bavink geschetst als een door en door romantische schilder, die het moest hebben van vlagen van werkdrift, abnormale werkdrift afgewisseld met vlagen van nietsdoen en depressiviteit. Maar Japi kon hem daar vlugger uithalen dan wie anders ooit kon, zo licht en doorzichtig leek Japi te leven. Leek...

In een tweede verhaal, Titaantjes (met de beroemde beginzin "Jongens waren we, maar aardige jongens) vertelt Nescio hoe het verder gaat met de vriendschappelijke bende nadat Japi er niet meer is. Iedereen zet zijn eerste stappen in het werkende leven, voor de een lukt dat beter dan de ander. En Bavink? Die schildert en schildert, is steeds minder content met wat hij maakt en verliest uiteindelijk zijn verstand...

Commentaren

Goedenmorgen Guido,

jij hebt me al een paar keer in verwarring gebracht.
Maar is dit wondermooie gedicht van jou?

Vanmorgen nog, toen ik Herman de Coninck opensloeg,
was ik even bedroefd.
Ik vond dat hij zo 'oud' geworden was. Ik schrok.

En ik dacht terug aan die kwieke Elsschot.
Meer dan een eeuw geleden geboren. En nog zo jong.
Gisteren hoorde ik 'Het huwelijk'. Zo rauw hedendaags.

Ik kén geen mooier gedicht.


Maar wat ik hierboven las, laat mij zo immens verlangen ...

Gepost door: Uvi | 13-09-10

Als het gedicht niet van mij is, Uvi, zet ik er de naam van de dichter bij (in de titel)...
Hier staat niets bij, dus is het inderdaad van mij.
Ik kan begrijpen dat je je in dit gedicht herkent...
groet
G

Gepost door: Guido Vanhercke | 13-09-10

meer dan herkennen, Guido,
houden van en ... schoon vinden .... schoon op z'n Vlaams.
Zoals van een schoon meiske.

Zo krijg je goesting in een gedicht.

Erg mooi, Guido.

Gepost door: Uvi | 13-09-10

De commentaren zijn gesloten.