13-09-10

De Uitvreter (1) (Nescio)

Hier is dan deel één van dit wonderlijke levensverhaal. Let er even op dat dit het woord is waarmee Nescio zelf ook begint. 

Let even op de subtiele ironie van Nescio (de Sarphattistraat is een biezonder saaie straat...)

Let op zijn spreektaalstijl, uniek voor die tijd, en eigenlijk tot op vandaag.

Let op zijn aandacht voor landschap en lucht.

En van in het begin zit er in Japi een dubbelheid die fascineert: bijna een soort eremiet, en tegelijk een bourgondiër... Iemand die wil "versterven", en iemand die graag de brave burger wat jent...

IMG_3265.JPG


De Uitvreter (Nescio, 1911)

 

I.

 

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

 

Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, als je ’s avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter, die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een vorst jenever zat te drinken op ’t terras van „Hollandais” voor de centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en buitenlandsche reizen maakte als-i z’n ouwe heer weer had afgezet, en pakken droeg, die hij nooit betaalde.

 

Z’n naam was Japi. Z’n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.

 

Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi voor ’t eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist ’t, altijd vond je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen, onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of drie; toen zag Bavink hem niet meer.

 

Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe, daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte ’t op ’t voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op ’t voordek waren dicht; op ’t voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar, tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. „Kijk,” dacht Bavink, „daar heb je waarachtig diezelfde kerel.” Hij ging bij hem staan. De boot rolde en steigerde. Japi zat op z’n bankje, hield z’n pet vast en liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er iemand bij hem stond. „Lekker weertje, meester”, zei Bavink. Japi keek ’m aan met z’n groote blauwe oogen en hield aldoor z’n pet vast. Meteen kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z’n gezicht.

 

„Nogal”, zei Japi. Met een plof kwam ’t voorschip op ’t water neer en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen salon open te maken, waar de wind op stond. „We zijn mooi op tijd”, zei Bavink, om wat te zeggen. „Zoo?” zei Japi, „ik weet van geen tijd.”

 

’t Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In eens zei Japi: „kijk eens, een regenboog in ’t water.” Je kon in ’t water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens keek Japi Bavink met z’n groote blauwe oogen aan en werd plotseling spraakzaam.

 

„Ik vind ’t hier verdomd leuk”, zei-i, „’t is jammer, dat ’t zoo niet altijd blijft.” „Over een uurtje zijn we aan”, zei Bavink.

 

„Moet u naar Zierikzee?” vroeg Japi.

 

„Dat wil zeggen”, zei Bavink, „ik ga vanavond door naar Veere.” „Zoo”, zei Japi, „is u daar gelogeerd?”

 

„Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die altijd maar aan den waterkant zit?” Toen moest Japi lachen en zei: „Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. ’s Nachts lig ik op m’n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar Amsterdam geweest. Ik moest wel, m’n centen waren op.”

 

„Is u Amsterdammer?” vroeg Bavink. „Ja, Goddank”, zei Japi. „Ik ook”, zei Bavink. „U schildert niet?” vroeg Bavink. Het was een rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat toch voor een kerel wezen? „Nee Goddank”, zei Japi, „en ik dicht ook niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank heelemaal niks.”

 

Dat kon Bavink wel bekoren.

 

Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. „Kijk”, zei Japi, „de „„Stad Gent.”” Je zag in de verte het water aan weerszijden van de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de wolken, nergens en geen oogenblik ’t zelfde. Een klein sleepbootje sleepte een aak en twee tjalken.

 

„Nee”, zei Japi, „ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook niet. ’t Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.”

 

Bavink begon ’t geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog altijd hield Japi z’n pet vast met z’n rechterhand, z’n rechterarm steunde op de verschansing. ’t Woei zoo hard, dat Bavink z’n hand opzij van z’n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar, alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.

 

Schilderen leek ’m wel aardig, als je ’t goed kon. Hij kon niks, en daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo’n waterplas heeft ’t maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.

 

Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z’n stok geleund en knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam ’t gesprek op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want Japi had van z’n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen wees Japi naar ’t Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: „Dikke Jan, die oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht ’t wel. Ja hoor, hij staat er nog.” En toen vroeg Bavink of i altijd zoo’n lol had en toen zei Japi: „Ja”, meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat ’t leven toch verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z’n wandelstok en zei: „Zoo’n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst niet meer, ’t is over twaalven, hij moet onder; van avond is ’t weer koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé, mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit.”

 

En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.

 

Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at voor zes. „Die zeelucht graaft”, zeggen ze in Veere. Hij dronk voor zes anderen en zong ’t heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo’n kerel goud waard was.

 

En dat was i. ’s Middags nam i Bavink mee naar de singels [60]en liet ’m driemaal Zierikzee rond loopen. Z’n mond stond niet stil en z’n wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken, dan ging i op ze af en sprak ze aan met „jongeheer” en vroeg of ze wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen hield van ’t lachen. Dat kon Japi goed: met ’t welwillende beschaafde Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je praat alsof niet zelfs op ’t kleinste dorp sedert eeuwen dominees en pastoors bezig zijn ’t volk op te voeden. Japi was een kerel als een karrepaard en sloeg er op in als ’t moest met een kracht en een bedrevenheid waartegen de plompste kinkel ’t moest afleggen. Zoover kwam ’t in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi placht te zeggen: „’t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren niet eens af en toe een relletje hebt.”

Commentaren

Schoon en banaal terzelfdertijd.
En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.

Gepost door: guy | 14-09-10

Versterven dat je zelf kiest is iets anders dan versterven dat in je wordt gelegd door anderen, door omstandigheden... Als ie de keuze had, dan koos Japi wel voor een vol bord, met een goede vriend. Zijn ironie redt hem nog, maakt zijn "leegte" nog banaal, iets om mee te grinniken, om mee uit te pakken...
gr

Gepost door: Guido Vanhercke | 14-09-10

De commentaren zijn gesloten.