14-09-10

De Uitvreter (2 & 3)(Nescio)

In hoofdstuk twee kijken Japi en Bavink samen. Naar de natuur, van wie ze de tijdloosheid proberen te begrijpen. Naar mensen die zelf ook wat tijdloos zijn geworden, zoals die manke havenmeester...

We krijgen ook een meer uitgewerkt beeld van Bavink als schilder. En een prachtige alinea over Japi in zijn beste doen, "een heer die zich oefende in het versterven"... Geen wonder dat up-and-down Bavink graag optrok "met zo'n kerel die tevreden was dat-i bestond..."

In hoofdstuk drie verplaatst de "handeling" zich naar hun thuisstad Amsterdam. En onmiddellijk is daar een nieuw personage: de verteller, die hier Koekebakker heet, en zich wel een plekje maakt en vindt. En onmiddellijk is daar de armoede, niet onbelangrijk toch in dit verhaal... Voorlopig lijkt het nog een wat studentikoze, romantische armoe. En het vriendschappelijk gezever en cafébezoek overstemt (nog) alles...

 

 

II.

 

Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op ’t dak van ’t Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en ’t Veergat en den ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in ’t Noorden. En daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van Walcheren, het hart dier wereld. En ’t tij kwam in en ’t tij ging uit; ’t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en maakte eerst ’t groene lichtje aan op ’t Noorderhoofd, de palenwering; en dan kwam i daar af, dan moest i om ’t heele haventje heen en dan zag je ’m weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en klom de houten trap op en stak ook ’t licht aan den toren aan. En dan zei Japi: „alweer een dag, meester”, en dan zei de manke havenmeester: „Ja mijnheer, al weer een.” En als je dan naar den kant van Schouwen keek dan zag je ’t draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En ’t water klotste en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag door ’t Noorden. En ’t laatste licht van den dag schoof mee door ’t Noorden en werd ’t eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.

 

Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z’n as en vervolgde z’n baan om de zon en had er geen weet van. Maar de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door de dagen, alsof ’t zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen avond zou worden.

 

Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche duinen in zee terecht. Maar Bavink had ’t bij tijden leelijk te pakken.

 

Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk, om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, ’t prettig vond dat de boel zoo „verdomd mooi was”, zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan zijn „verdienstelijke werk.” Verdienstelijke werk! Spuwen moest i als i er aan dacht. „Verdienstelijke werk”, zeiden ze. Ze wisten er wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden genomen en door elkaar geschud zooals hem.

 

Hij wou dat i ’t schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar zoo niet; als ’t er in zit wil ’t er uit. En dan begon de marteling weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, ’s nachts er over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in ’t begin rookte i dan enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook op. Dan had i oogenblikken van ’t hoogste geluk zooals zelfs het loome wegzinken in al dat „lekkere mooi” hem niet geven kon. En dan kwam die kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was ’t uit. Dan zei i: „Verdomme”, en ging op zijn brits liggen en liet een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer „sloffen” zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen noodig had dan haalde i ’t een of ander uit de „vullis”, dan zocht i een „doekje” uit waarvoor „ze wel ’t een of ander zouden geven”, en dat verkocht i dan. Niemand kon ’m van die manieren afbrengen. Hij was nu eenmaal zoo. Z’n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met zijn hand boven zijn hoofd als je ’m tegen kwam.

 

Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de „spieën” zien, lachte hardop en zei: „De stakkers toch hè?” Papier nam i nooit aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver, en als ’t ’m te veel werd „kwam i de rest later wel eens halen.”

 

Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende in ’t versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van leeren. Zoo’n kerel die ’t prettig vond om zich te laten uitwaaien, zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo „verdomde lekker” vond; die ’s avonds aan zijn handen zat te snuffelen om de zee op te snuiven. Zoo’n kerel die tevreden was omdat i bestond en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods aarde, en ’t dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven, en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich stilletjes zat te verheugen in ’t water en de lucht en de wolken en ’t veld en zich doornat liet regenen zonder ’t te merken en dan zei: „ik geloof dat ik nat ben”, en lachte. Een kerel die smakelijk duur kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd, hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at en tot tranen toe bewogen was omdat in ’t veld „zoo’n brokkie brood zoo lekker smaken kon.”

 

En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in ’t gras of binnen, [64]omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.

 

„Wat duvel”, zei Japi, „’t dondert toch niet of ’t goed is, je doet wat je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt ’t toch niet laten. ’t Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder van?” „Neen, dat deugt niet”, zei i dan, „veel te blauw; je weet toch wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat ’t je zoo zou aangepakt hebben als ’t die rare blauwe kleur had?”

 

Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte ’m overal mee. Bavink heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem kwam aanzetten.

 

Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de „vullis” gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had „de belt” zoo gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten; als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam, naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een „jonki van den grooten belt”, zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand anders zou Bavink ’t geringste van dien aard hebben geduld. Maar niemand anders verstond de kunst Bavink in ’t leven te houden, zooals Bavink zei. Z’n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti voor landschap dat aan ’t wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot, elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant, elken wissel van ’t spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte ’m wakker en je vroeg: „Japi waar zijn we?” dan moest je even wachten tot i goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van ’t rijden en dan zei i: „Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn.” En dan kwam ’t uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij ’t raampje in afwachting: „nu komt dit, nu komt dat”. Uren lang. En als i iets zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei: „Kijk, die boom is weg”; of: „Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb ik den vorigen keer nog niet gezien.” Of: „Voor veertien dagen stond de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en we zijn ook 10 minuten te laat.”

 

 

III.

 

En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor ’t wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.

 

Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z’n werk en over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap gestommel hoorden. ’t Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.

 

Bavink kwam ’t eerst binnen en zei: „Hoe maak je ’t kerel? ja ik ben ’t zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat ’t, Hoyertje, nog altijd een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook, Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen.” In de deur stond Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. „Kom binnen, kerel, kom binnen!” inviteerde Bavink, op mijn zolder.

 

„Och mijnheer”, zei Hoyer, „wees zoo goed de deur achter je dicht te maken.” „Koekebakker”, zei Bavink, „dit is Japi, een kerel waar je plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd, hoor ik”. „Ga zitten Japi”, inviteerde Bavink en liet zich met een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; „neem dat kistje maar.” Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. „Wacht ik zal u helpen”, zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op, daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. „Zie zoo”, zei Japi „anders zit ik zoo laag.” „Ik zal er maar eentje nemen”, zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. „Ga je gang maar Japi”. En Japi beviel dat wel. „Wat heb je daar?” zei Bavink. Op mijn tafel lag „Le Lys dans la Vallée” van Balzac. „Aha, Balzac. Geen kwajongen, die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan, Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort, kerel, veel te kort”. Bavink was genoegerig. „Dat weet ik potdome ook”, zei Hoyer. „Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie is die heer?”

 

En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. „Wacht”, zei Bavink, „dat is waar ook.” „Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft.” „Bekend”, zei ik.

 

„’s Jonge”, zei Japi, en zat m’n hok rond te kijken; „’s jonge, „’t ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, ’t is hier gezellig”. Hij stond op en liep naar den muur. „Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we daar? ’t Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb je waarachtig ons stadhuis ook.” ’t Was een schetsje van ’t raadhuis in Veere. „Bavink”, zei Japi, „’k geloof, dat je daar kennis aan hebt; ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is.”

 

„Daar kom je goed af”, zei Bavink. „Dat dacht ik wel”, zei Japi en ging weer zitten. „Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed.”

 

Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper aan den overkant ter werken. „Klappen”, zei Japi. En wij aan ’t applaudisseeren. Met z’n vieren stonden we bij ’t open raam en applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda’s deuren opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee; een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand ’t heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig vol. Een juffrouw aan den overkant riep: „Halve garen!” Een klein meisje schreeuwde enkele malen. „Papus”, „Zeppelin!” Een jongetje ging op een mondharmonica spelen. „We moesten de straat maar opgaan”, zei Hoyer.

 

En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen druk gepraat. „Over ons”, zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. „Zeg Japi” zei Bavink op straat, „nu moest jij eens een rondje geven.” „O ja”, zei Japi, „vooruit dan maar”. En zoo leerde ik Japi dienzelfden avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde ’t; Bavink was zat, zat wezenloos te staren en te beweren dat „deze heer een verdomd goeie kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner ook een verdomd goeie kerel was.” Ik kwam op negentien cent; Hoyer was uitgeknepen. Ik besloot „’t geval” maar schuldig te blijven; de kelner kende me; en om één uur liepen we met z’n drieën op ’t Frederiksplein vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug; hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond ’t geval kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet zijn beenen bengelen; zei dat ’t stom van Bavink was geweest om zich te bezatten, maar „die zaak kwam in orde.” Toen hij wegging had hij „Le Lys dans la Vallée” te pakken.

 

De commentaren zijn gesloten.