15-09-10

De Uitvreter (4 tot einde) (Nescio)

Er zijn zeven hoofdstukken in de novelle, dit is dus de middelste en meteen ook het langste want een kantelmoment: drie hoofdstukken hebben we Japi de genieter gezien, vanaf nu kijken we in de donkere kant van Japi. Nescio doet dat door confrontatie met Japi's spiegelbeeld: Koekebakker, ook jong, ook arm (hij moet zijn overjas verpanden), maar hij heeft tenminste een eigen kot en verdient zelf wat geld. Dit is een ander genieten, eentje om beter mee te functioneren in een maatschappij die van iedereen een functie en een positie vraagt. Net dat laatste is Japi's probleem. Voor de eerste keer komt er een soort zieligheid uit Japi: hij klaagt, hij loopt letterlijk uitgeregend rond...

 

IV.

 

Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren, maar in ’t begin van die week was ’t weer plotseling omgeslagen. En nu was ’t avond en ’t stortregende. Den heelen dag had het bijna zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had geen kachel en m’n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over dag te slapen en ’s nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen hebben maar lollig was ’t niet geweest. En nu zat ik te luisteren naar ’t kletteren van den regen op ’t dak en was blij dat ’t dooide, hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen: vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en in ’t kleine keteltje begon ’t water te razen. Daarnaast stond m’n theepot, zonder deksel, te wachten tot ’t water zou koken; de thee was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt, met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m’n broekzakken en keek naar m’n boterhammen, naar m’n lieve geldje, naar de vlam van mijn olielamp, naar ’t licht van mijn stelletje, en luisterde naar de regen en was tevreden.

 

’t Was acht uur. ’k Legde m’n klokje op tafel naast m’n centen, ’t klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: „Jij blijft voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje”, en stak m’n hand weer in mijn zak. Dat converseeren met m’n dingetjes was ik zoo gewoon, omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.

 

Voorloopig was ik uit den brand, ’t Lieve najaar had me niet bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten, die ’t klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en keek er naar, naar mijn eigen geld, ’t geld daar je op aan kunt, dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter, twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden een kastje voor me getimmerd, naast ’t raam en daar lag op den bodem alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent geweest. En ’t aangesneden brood lag er boven, op ’t plankje.

 

En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas, vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. ’t Water begon te koken, ’t deksel van ’t keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den stoom en begon plannen te maken om morgen m’n demi uit den lommerd te halen en voor een keer niet in ’t koschere restaurant te dineeren: biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de lui. „Zeker Hoyer”, dacht ik, „die kan nooit den haak vinden.” De haak zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. „Kom binnen”, riep ik, te lui om op te staan. „Makkelijk praten”, hoorde ik zeggen, „hoe zit dat?” „Die stem ken ik niet”, dacht ik, „wie kan dat zijn?” Ik stond op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. „Japi”, zei de man. „Kom binnen”, zei ik weer. Daar stond i; ’t water liep van alle kanten uit zijn kleeren en van z’n hoed.

 

„’t Regent nog al”, zei Japi, „mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht, dan zullen we dit eerst neerzetten.” Onder z’n jas vandaan haalde i een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette ’t op tafel. „Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?” zei i en gaf me z’n jas. Z’n hoed zette i overeind tegen m’n stelletje.

 

„Een oogenblik, ouwe heer”, zei ik en nam z’n jas en hoed mee, hing de jas bij m’n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die toen plat op den grond in den hoek.

 

Japi zat al, wrong de knieën van z’n broek uit en keek rond. „Wat verschaft me het genoegen?” „Zeg maar Japi”, zei i, maakte ’t pakje los en legde „Le Lys dans la Vallée” op tafel. „Zie hier, burger”. „Mooi zoo”, zei ik, „en wat hebben we daar?” „O”, zei Japi, „boeken van Appi.”—„Leest Appi tegenwoordig ’t Handelsblad?” „Neen,” zei Japi, „die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie in.”—„Een advertentie?”—„Een advertentie; zie hier, daar even van den ouwen heer gekregen.”

 

„„Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor”, let wel, druk exportkantoor—„grondig bekend met de moderne talen, stenografie en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren (let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder No. 1296 bureau Alg. Handelsblad”—1296, slag op ’t vlotje. Floris de stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben ze dan de Overtoom gedempt? ’t Was geen gezicht om dien stijven kerel er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300 à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan”

 

„Wilt u daarop schrijven?” vroeg ik—„Jij, als ’t ublieft,” zei Japi. „Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: ’t kan zoo niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen cent zie ik van hem. Kijk eens hier.” Hij stak z’n been uit. Ik zag een splinternieuwen, gelen schoen. „Wat bliksem, dien schoen ken ik.”—Waar zie je zulke gele schoenen?—„Ze zijn nu wat donker van ’t water”, zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. „Van Appi! En hoe komt dat? Ik ben m’n ouwen heer niet tot last. Ik loop rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand, ik zit met m’n bloote voeten in z’n schoenen”, zei Japi, en liet heel gemoedelijk een stuk van z’n bloote been zien. „En boeken heeft i, in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht.”

 

Appi z’n vader had een goed beklante slagerij en kon ’t doen. Dat Appi nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z’n vader heeft hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.

 

Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik ’t water op en zette ’t theepotje op ’t waterketeltje. Japi snoof.

 

„Goeie bullen”, zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z’n stoel tot hij met z’n neus boven de theepot zat. „Ik heb mot gehad met Bavink”. zei i. „Is ’t waarachtig?” zei ik. Van Hoyer had ik al gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze in één bed sliepen, Japi onder ’t laken en Bavink er boven, dat ze om beurten jenever hadden gedronken uit ’t ééne bierglas dat Bavink nog had. „Ik heb z’n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond.”

 

In één avond hatti ’t kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z’n pijp gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z’n knieën. En niks gezegd hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had ’m laten uitrazen, hij was opgestaan en had z’n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook ’t schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met ’t uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen had Japie gezegd: „Verrek met je kachel”, en was kalmpjes weggegaan naar ’t huis van z’n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van z’n broer, en van z’n moeder een stuk taart gekregen dat van ’t dessert was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: „Bavink ik breng je kaduukstoker mee.” En Bavink had om ’t geval gelachen, En Japi was dadelijk naar ’t plankje geloopen en had, op ’t bekende plaatsje „naast Dante”, een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z’n drieën hadden ze ’t een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi dikke boterhammen gesneden van Bavink z’n brood en toen waren ze met hun drieën naar ’t Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw kacheltje gekocht (’t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk model; en met z’ drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.

 

Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een kopje had ik niet voor ’m, steunde behagelijk en zette de kom hard neer. „Nu wou ik wel een stukje brood hebben”, zei i; „neem me niet kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet.” Hij had m’n kast al in de gaten gehad „Kerel”, zei i, „weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ’t wist. Hij kwam er al mee aanzetten. „Boterhammenworst, een ordinair volksvoedsel.” Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet, hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast ’m op tafel en hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. „Geneer je niet Japi, centen genoeg.” Japi had ze nog niet gezien. „Goddome”, zei i, „vetpot!” „Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst”. Ik knikte. „Zoo moet je maar doen”, zei i, „die kerels zijn toch nergens anders goed voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m’n leven ook nog eens iets geschreven.” Hij propte z’n mond vol brood en worst en veegde z’n handen af met ’t Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. „Ik zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor.”

 

En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje, op de vouwen doorgesleten: „De Vlachtwedder Grensbode.” Hij liet me een artikeltje zien: „Brieven uit Amsterdam” stond er boven. Zes hatti er geschreven, zei i, de vijf andere had z’n broer zoek gemaakt. Japi nam nog een sneedje brood. „Moet je niet meer?” vroeg hij. Ik bedankte en Japi nam ’t laatste van m’n twee ons worst, „’t Ordinaire volksvoedsel” ging er goed in. „’s Nachts gemaakt” zei Japi met z’n mond vol en wees met ’t mes naar ’t krantje. „Na kantoortijd, ’s Avonds moest ik altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m’n hoofd onder de kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik er aan? Niks, moe word je er van. ’k Loop liever bij den weg en kijk naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik aan ’t plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat ’t die kaffers aan, wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond te kijken en trekken vervelende gezichten omdat ’t zoo ver is, en ’t leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor mij? Die paar centen kunnen ze houden.”

 

’t Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet geloofde dat ’t van hem was.

 

„Nu zou ik wel een potje bier lusten”, zei Japi en leunde achterover. „’t Spijt me kerel”, zei ik, „ik heb niets in huis, geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan, maar steek een sigaar op.”

 

De regen kletterde op ’t dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren wit van ’t water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: „Die Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?” Hoyer en hij konden ’t niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning en een ruwe vent. „Die kerel deugt niet”, zei Japi, „die moet vooral maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed.”

 

Bavink was een dag uit de stad geweest: „voor zaken” zei Japi en toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer was er ook en ’t eerste wat i gezegd had was: „Zoo, uitvreter!” Japi vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. „De burgerman moet ons toch allemaal de kost geven.” En dienzelfden avond had hij Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft die malle zalmkleurige jas van ’m geleend en nooit teruggebracht. Maar veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er een mouw uitgetrokken.

 

„Kom”, zei Japi, „kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen eens.” Hij ging voor ’t raam staan. „Niks te zien”, zei i. „Je kunt niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt.” Ik haalde zijn jas. Hij was nog zwaar van ’t water.

 

„Moet je ver door dat weer?” vroeg ik. „Ik kan wel naar de ouwe gaan”, zei Japi, „maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest, hè?” Japi schoof ’t gordijn weg en ging op m’n ledikant zitten en gaapte. „Ik geloof dat ik ziek ben”, zei i; „weet je wat je doen moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal ’t je bij gelegenheid wel teruggeven.” Ik stond daar nog met z’n jas over m’n arm. „Trek mijn jas aan”, zei i. Ik scharrelde naar zolder; m’n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi z’n jas over m’n vest. ’t Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi te ronken, aangekleed, z’n schoenen nog aan. „Hallo”, riep ik en schudde aan z’n schouder. Hij mompelde wat. „Hallo, jenever.” Hij keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. „O”, zei i, „ik zie ’t al”. Hij dronk een spatje. „Daar knap ik van op.” „Zeg”, zei i, „kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en vandaag kon ik niet slapen.” Wat moest ik doen? Hij kon wel op den grond slapen, zei i, als i maar wat onder z’n hoofd had. „Goddank”, zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. „Goddank, dat ik uit die natte krengen ben.” Toen hing i z’n broek over de leuning van een stoel „om te drogen.” Mijn stelletje schoof i op zij; in den hoek legde i de boeken van Appi, z’n jasje legde i er over heen, z’n vest hield i aan. Toen [78]nam i mijn beste deken, rolde zich er in, dronk nog een spatje en ging met z’n hoofd op ’t stapeltje liggen en zei: „Wel te rusten.”

 

En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.

 

Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden water gehaald, en zich aan m’n ontstelde buren voor een neef van mij uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. „Ik heb al gegeten”, zei i „ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt.” Hij moest weg. Hij wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk ’s morgens om een uur of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij ’t raam z’n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en keek naar buiten. „Allemaal armoed”, zeidi. „Nou bonjour hoor, mijn jas kan ik zelf wel van de lijn halen.” Bij de deur draaide i zich nog even om. „’s Avonds ziet zoo’n hok er een boel gezelliger uit.”

 

Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel lagen m’n centen nog. Hij zegt dat hij z’n ouwe heer niet noodig heeft, dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.

 

 

 

De eerste zin van het volgende hoofdstuk zegt het al. Op het einde van dit hoofdstuk is hij echt een schooier geworden, verslaafd aan een bepaald soort tabak (hij die tevreden was met wat er was...). 

Vanaf nu zal de tijd ook steeds sneller gaan: Japi ontsnapt hen...

 

V.

 

„Koekebakker”, zei Japi, „ik voel me zoo raar van binnen.” ’t Was op een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een pak kranten voor zich. „Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen.”

 

„Je ruikt tenminste degelijk naar jenever”, zei ik.

 

„Nee”, zei Japi, „de jenever is ’t niet. Ik geloof dat mijn ziel te groot is.” Zoo’n uitvreter toch! „Wat moeten die kranten, Japi?” vroeg ik. Japi gaf een klap op ’t pak. „Nieuwzen van den Dag, Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand oud.” „Moet je weer solliciteeren, Japi?” „Juist geraden man. ’t Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684 Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren.”—„De hoeveelste is dat?” vroeg ik.—„De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe ’n toer dat is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?” en hij doopte z’n pen in de inkt en staarde op z’n papier. „Koekebakker”, zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z’n pen neer. „’t Gaat niet, ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik deug er niet voor. Ik weet ’t bij ondervinding. Ik begrijp er niks van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We zullen dat maar weer wegbergen.” En hij nam het pak kranten en legde ’t zorgvuldig onder tafel.

 

„Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is, Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel schapen er in Australië zijn en hoe diep ’t Suezkanaal is? Nou juist, daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik ook niet, maar ik heb ’t geweten. De raarste dingen heb ik moeten leeren. Vertaal in ’t Fransch: „onder benefice van inventaris.” Ga der maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te maken. Overigens is ’t ’t ouwe gedonderjaag, ’s morgens om negen uur present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen, maar ’t wou niet meer, ik had ’t zooveel jaren gedaan. En taai. Ze zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik ’t niks lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: „Ja jongetje, het leven is geen roman.” Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen; af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me aan een toestel gezet, dat ze de „guillotine” noemden. Daar moest ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle monsters werden scheef. De lui hadden ’t wel in de gaten, ze hadden niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was ’t erg; de man die den brief kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de hand geschud. Ik heb gezegd, dat ’t me speet, maar dat ik er niets aan doen kon en ik geloof, dat ’k ’t meende. Zie je, Koekebakker, dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er was geen denken aan, dat ze uit ’t copieboek konden wijs worden. Ik zag wel in dat ’t zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.

 

„Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat ’t met de jaren wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. ’t Lijkt er nog niet veel op. ’k Heb ’t nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje en een kalf. Als je blieft.” En hij haalde zijn portemonnaie voor den dag. „Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis.”

 

„Met Bavink?” vroeg ik. „Neen,” zei Japi, „niet met Bavink, alleen. Ik ga naar Friesland.” „Midden in den winter?” Japi knikte. „Wat doen?” Hij haalde z’n schouders op. „Doen? Niks doen. Jelui kerels zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin in heb.”

 

Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan z’n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z’n hand hatti een papieren sigarenpijpje met een reclame. „Wacht even”, zei i, toen we al beneden waren. „Ik heb nog wat vergeten.” Even daarna kwam i terug met een vischhengel.

 

Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak voor hem had.

 

Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein laten vallen. Hij was ook nog een keer in ’t water gevallen, zei i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in ’t hoofd, van Bavink natuurlijk.

 


De tijd neemt nu grote sprongen, een echt levensverhaal: iedereen bouwt zijn eigen leven op, de vriendenkring lost op onder de druk van volwassenheid en wat daarbij komt kijken. Maar Japi zou Japi niet zijn als hij niet bleef verrassen: zoals hij daar in Brussel rondloopt, jeune premier. En dan, als Van Gogh, aangestoken door het socialistische vuur in de Borinage. En dan, dat beeld dat mij doet denken aan dat beroemde schilderij van Hopper -een café bij avondlicht met zijn stille mensen-, Japi 's avonds laat nog werkend op kantoor, terwijl de sneeuw valt!

Het meest verrassende is dat de liefde Japi's leven binnenkomt, "een Franse dame"...


VI.

 

Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren, een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd, een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine sokken met witte ruiten, lage schoenen.

 

Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in verbazing achter.

 

Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd etens-pannetje op ’t hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als hij bij Bavink op ’t hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel, dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit deed. Toen rookte i tot ’t endje te klein werd om vast te houden, dan stak hij er een speld in en rookte ’t zoo op. Het duurde niet lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.

 

Toen gaven wij hem op.

 

En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden, en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) ’s nachts mee ging roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken, want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind voor onzen boeg in ’t water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij ’t wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.

 

„Apropos”, zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met burgermanstermen). „Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die twee samen op ’t steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade gekeken naar de lichtboei en ’t draaiende licht van Schouwen en naar de branding geluisterd, en „bekgetrokken” zooals Hoyer ’t ordinair uitdrukte. Bavink zei weer dat i ’t wel gedacht had en ik zei: „ook stom, dat hadden we kunnen weten,” en toen kwamen wij los over Japi en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.

 

’t Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij aantreden. Hij zei niet dat ie ’t beroerd vond. Hij zou eens zien wat i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan, kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer hadden om te verstoken.

 

Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis, de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren, verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.

 

Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar, de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan, meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien hebben in de nachten dat ’t zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000 jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan, duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd, er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.

 

Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets meer te krijgen op de pof.

 

Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes, over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.

 

Op ’t laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden wij het woord „chéri” en „chérie”. De laatste „e” van chérie sprak i uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei: „Ik ga weg, geef me een poot.” Op de trap stommelde i.

 

Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.

 

Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog in een kantoorgebouw. Hij zat aan ’t raam te werken en ’t lokaal was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek uit de rekken, keek er in, zette ’t weer weg, schudde zijn hoofd, zei enkele malen: „’s jonge, ’s jonge”, draaide aan de copieerpers, keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.

 

Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. „Doe als je blieft de ramen dicht”, zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, ’t copieboek geopend in zijn handen.

 

„Zeg, schrijf jij dat allemaal?” Japi keek nauwelijks op en zei enkel: „Niet allemaal.” „Je bent toch een verdomd knappe kerel,” zei Bavink, „die handel is niet makkelijk.” Daarna ging Bavink weg.

 

 

 

Het einde van dit wonderlijke leven lijkt te verzanden in een eindeloze depressie, de tijd lijkt niet meer bij te houden en misschien is dat ook wel zo. Het water had het hem in het begin al verteld hoe ongrijpbaar alles is, hoe veel te groot voor een klein mensenleven en mensenverstand.

Japi's einde is voor mij een van de meest ontroerende passages uit de gehele literatuur zoals ik ze ken, ik krijg er altijd rillingen van. En ettelijke keren heb ik dit verhaal voorgelezen in de klas, en even zovele keren was het muisstil na dit einde. Het is, hoe tragisch ook, tegelijk ook een wonderlijk beschreven einde, helemaal in de lijn van Japi. Eigenlijk van een droefmakende schoonheid.

En pas in de voorlaatst zin van de novelle klinkt bitterheid door: hun gazet hebben Japi's ouders (gelukkig) nog, hem hebben ze niet meer...

De laatste zin: net zoals zijn reis naar Friesland zal Japi wel "onopgehelderd" blijven. Zijn grote verlangen, zijn grote angst, al die andere levens die in hem lagen te wachten terwijl er toch maar eentje kan langskomen...

 


VII.

 

Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.

 

Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was ’m, wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.

 

Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte ’m op zijn schouder en zei: „Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?” Hij gaf me een hand, zei niets, was niet verwonderd. „Ik sta maar te staren,” zei i toen.

 

„Dat heb ik in de gaten,” zei ik, „ga je mee een borreltje pakken?” „Goed,” zei Japi. De pummels die op eenigen afstand, achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede en ’s Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.

 

Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika, last gehad van de hitte en van de beesten en koorts [89]geleden, meer koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i van den zomer teruggekomen.

 

Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch, sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar gebroken Hollandsch een „goeie beest” genoemd en uitgelachen. Had haar kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt; maar loopen kon ze nog maar heel slecht.

 

En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z’n kantoor vrat i uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.

 

Of i van plan was nog weer eens zoo’n woeste werker te worden?

 

O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden was i in de laatste drie, vier jaar.

 

Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje deed i er af.

 

Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje, het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund, anderen brachten ’t op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had i willen worden. Voor z’n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i, voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend, heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.

 

Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd, terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas, hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa’s werk, die i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel maakten, meer dan genoeg.

 

En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen, wat [91]rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als ’t er was en in den regen als ’t er niet was, en niet denken aan den dag van morgen, niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.

 

Je kon ’t niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In Veere had i dagen lang boven op ’t Hospitaal gekampeerd. September had i in Nijmegen doorgebracht.

 

En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over ’t water. Van ’t water dat maar altijd naar ’t westen stroomde, dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang ’s morgens op ’t zelfde uur dezelfde wandeling had gemaakt. Over ’t Valkhof en aan de Noordzijde naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300 maal. En altijd stroomde ’t water naar het westen. En dat beteekende nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen, tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder, de rivier daar stroomt naar ’t Westen en blijft stroomen tot daar ook een eind aan komt.

 

Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech af, staande op een stoel.

 

Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende.

 

In Mei trok i naar Nijmegen.

 

Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.

 

Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten. „Maak je niet druk, ouwe jongen,” had Japi gezegd, en toen was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.

 

Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt.

 

Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met „Ziezoo”.

 

De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.

 

Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

De commentaren zijn gesloten.