23-09-10

Des hommes et des dieux (Xavier Beauvois)

 

20100404_1310.JPG

 

Net de film Des hommes et des dieux gezien en nagedacht over die ene vraag waar de film zijn bestaan aan dankt: waarom blijven wonen in dat levensbedreigende gebied, als het onvermijdelijke einde een zekerheid is geworden? Zijn het niet de rebellen, dan zal het het Algerijnse leger zijn dat hen elimineert. De helicopter hangt niet voor niets minutenlang te dreigen boven de kapel waar ze aan het bidden zijn, de acht trappisten.

Maar als ik terugga naar de titel, dan zijn het niet de goden die hen redden, al zijn het zingen en de stilte die in hun knielen en hun witte kleren hangt en de kapel van een grote steun. En toch denk ik dat de uiteindelijke beslissing om niet weg te lopen, niet te wijken voor doodsangst maar solidair te zijn met de inwoners van de streek die evenzeer het met hun leven bekopen dat ze daar wonen, dat die beslissing meer door mensen wordt bepaald dan door goden: de hartenkreet van de dorpsbewoners, de medicijnen van de pater-dokter, de broederlijke vriendschap onder elkaar, de diepe aanvaarding van elkaars angst en gewetensnood, de tijd die ze elkaar gunnen, de zorg die ze voor elkaar opnemen, het afleggen vanwege de abt van zijn autoriteit, de liefde voor het nieuwe land dat hun thuis is, enz. Niet toevallig zijn de enige passages waarin je aan acteren denkt, die waarin gezongen wordt. Voor de rest zijn die koppen van een aangrijpende echtheid. Steeds meer, zou ik zeggen, want je wordt als kijker toegelaten in hun familie, je mag toekijken en meedenken en meevoelen.

Vandaar dat de film voor mij geen martelaarsfilm is geworden, maar alles te maken heeft met diepmenselijke verbondenheid. Er is, door de burgeroorlog, een bevolking in gevaar, en van die bevolking maken zij ten diepste deel uit, zoveel is hen nu wel duidelijk geworden. Maar ook van de kant van rebellen en leger hebben de daden niets met goden te maken: het gaat om een brute machtsstrijd, en de dorpen en de steden zijn er het slagveld van. Zelfs de sharia die vrouwen hun vermeende progressiviteit niet vergeeft en hen de hals oversnijdt, heeft mijns inziens meer met macht dan met de koran te maken. Wat ook met zoveel woorden wordt gezegd in de film.

Waar zijn de goden dan? De mensen zijn er, edel of vernietigend vullen ze de film van het begin tot het einde. En zelfs nadien, want ze laten hun vragen achter in jou als kijker. Maar de goden? Vindt de jongere pater, die in de eenzaamheid van de nacht bijna stikt van angst, uiteindelijk rust in de kapel? Vanwaar komt de nieuwe kracht die hem lijkt te vullen? Voor de abt lijkt het me duidelijker: zijn eerste zekerheid brokkelt met de dag af, tot en met de beelden van wanhopig en stuurloos wandelen in de omgeving, en het zijn de beslissingen van zijn medebroeders die hem weer een (angstige) glimlach geven. De dokter-pater is de meest vrije want wijs en oud geworden in zijn diepe zorg voor mensen. en zo heeft elk zijn reden om uiteindelijk te blijven.

Zou deze film ook verteld kunnen worden zonder het kloosterthema? Ik bedoel: als een groep van Artsen Zonder Grenzen bijvoorbeeld? In hoeverre is dat zingen, zijn die oude teksten, is de God die ze aanroepen voor hen essentieel, in hoeverre is hun identiteit van religieus de uiteindelijke grond waarop ze staan en gaan?

Met het feest van Kerstmis spreekt de abt over nieuwe geboorte. En dan bedoelt hij niet de nakende dood, maar dat diepe menselijke verlangen om aan ieder volheid van eigen leven te geven, en het even diepe besef dat zoiets slechts gedeeld kan.

Daarom stoort mij de scène waarin pater Luc, de ouwe dokter, leunt tegen en voelt aan het portret van een naakte, lijdende Christus. Dat is erover, meer dan een klein beetje. Die (anders niet sentimentele) man haalt zijn inzet niet van de mens Jezus, maar van elke zieke mens die voor zijn ogen en handen komt, met al zijn verwachtingen op een goed lichaam en leven. En daarom storen mij ook de afscheidswoorden van de abt, waarin het lijkt of de dood zijn keuze was, tot en met de vergeving van zijn moordenaars. Het was, heeft de film voordien uitgebreid getoond, zijn keuze niet. Het leven was zijn keuze, een leven van grote, nabije, aanwezige liefde.

En toch spreken de monniken in hun getijden in hun kleine kapel een andere liefde aan, of laten ze de psalmen dat voor hen doen. Ze buigen er voor, ze knielen er voor, ze worden er stil bij. In tijden van grotere nood smeken ze zelfs luidop, alleen of samen.

En zo stelt die film toch scherp de vraag naar dat andere waar zij om de zoveel uur het gelaat naar keren, naar de godheid uit de titel. Ieder mens (behalve misschien Paris Hilton) geeft zijn leven weg, aan geliefden, kinderen, werk of vrienden. Ook de monniken geven hun leven weg aan elkaar, zeker, maar samen ook aan een grotere liefde die hen dragen moet. En die zich zo weinig laat invullen, dat ze het met stilte moeten doen, en oeroude woorden, en kaarsen, en het ijle geluid van een klok. Zo weinig laat dit andere zich invullen, dat ze zelf hun vragen moeten oplossen, zelf hun hoofd stil moeten maken, zelf hun beslissingen moeten nemen.

Misschien dat het helpt liefde te ervaren, liefde te worden, als je de liefde steeds weer in het gezicht wil kijken. Zoals een geliefde haar of zijn geliefde wil zien en voelen, woorden wil horen die het uiteindelijke bevestigen. Op niets minder dan dat uiteindelijke komt het blijkbaar aan: niet alleen in het aangezicht van de dood, maar ook in het alledaagse licht van elk uur, bij het aardappel planten of medicijnen voorschrijven, of naar muziek luisteren. Alles lijken wij mensen te willen en te moeten doen tegen een achtergrond van uiteindelijk begrip. Tastend, jawel, want het grote zo binnenlaten in dat kleine dat we zijn, is altijd wat verwarrend. Dat geldt voor iemand die ziek wordt, dat geldt voor eenzaamheid en zinloosheid, dat geldt evenzeer voor verliefdheid, of voor de volheid van vreugde...

 Een ondernemer legt zijn hart in zijn onderneming, kunstenaars zijn voor altijd verbonden met de schepping die in hen gebeurt en nog moet gebeuren, moeders en vaders voeden hun kinderen op met lijf en leden. Maar monniken richten zich tot de liefde zelf, alsof ze met Hoofdletter geschreven moet worden, alsof ze aangesproken kan worden, afgescheiden van mens en ding en wereld zoals hij gaat en staat. Sommigen zullen dat naïef noemen, anderen misschien heroïsch. Ik ben blij dat zij pogen, in wat ze zeggen en doen, dat onbenoembare, vaak schemerige uiteindelijke, iets dichterbij te brengen. De betekenis die ons soms dragen wil, ook als we het niet meer begrijpen. De goedheid en de trouw van mensen die zouden kunnen weggaan, maar beslissen om je niet in de steek te laten.

 

20100407_1360.JPG


Commentaren

Bang en verdrietig.
Ik ben niet moedig.

Ik heb zovele vragen, over ... toen en morgen.

Zie in Europa in meerdere landen tendensen groeien.
En zo weinig, vind ik persoonlijk, wordt de 'waarom-vraag' gesteld.

Neen, 'men' staat vlug klaar met een 'oordeel - veroordeling'.


Ik weet het niet ... ik heb het nooit geweten.

Waarom verliep - verloopt de geschiedenis zoals ze loopt?
Kan een historicus de geschiedenis schrijven van 'de kleine man'
die alles moet ondergaan ...

Gepost door: Uvi | 23-09-10

Ja, soms overvalt ons dat, bang te zijn en verdrietig om wat op ons af lijkt te komen.
Maar ik klamp me vast aan de overtuiging dat de gezamenlijke wijsheid groter zal zijn dat de gezamenlijke stupiditeit. En ik hoop dat overtuiging meer wil zeggen dan sterke hoop...
groetjes
G

Gepost door: Guido Vanhercke | 24-09-10

De commentaren zijn gesloten.