01-10-10

Het geloof van de danser

IMG_4283.JPG

 

Het geloof van de danser 

 

 1  Geloof komt niet uit de lucht vallen. Geloof wordt integendeel  vezel per vezel opgebouwd, misschien zelfs al in de moederschoot. Als ik de intensiteit zie waarmee een moeder naar haar baby kijkt, dan kan ik me voorstellen dat die baby die blik voelt, voelt dat leven mogelijk is, als iemand zo naar je kijkt. Grond voor een heel leven is die blik. Geloof dat bestaan het hoogste is.

 

2  Geloof zou geen geloof zijn als het eenmalig was. Als dat kind opgroeit en de blik zich naar binnen zal keren, zal het bestaan ook een afgrond blijken. Als kinderen goed luisteren, en dat doen ze al vroeg, dan horen ze het duister met zijn stemmen: klagen, gesnik, woede en het geluid van wat vernield wordt. Is bestaan dan toch niet het hoogste? Geloof wordt nu het aanleren van evenwicht: dat het duister niet overheerst, dat er handen zijn die op je wachten, dat er een bed is om je toe te dekken, dat wie je liefheeft er zal zijn.

Alles wijst het kind op dat onuitroeibare menselijke geloof: de bakstenen die  het huis dragen, de letters die onthouden in de boeken, de schakelaar die licht geeft en de tuin die bloeit. Met betekenis leid je de wereld, met cijfers bouw je haar verder, met vragen zoek je en antwoorden willen wel op je wachten. Er is in de mensheid een massaal geloof aanwezig waaraan het kind zich laaft, zoals het licht in en uit gaat als adem. Opstaan en verder gaan, onophoudelijk, alsof de tijd zelf een vorm van geloof is.

Het is goed dat ouders en anderen het kind daarop wijzen, het zou wel eens kunnen denken dat die beweging vanzelfsprekend is, en dat is ze niet. Ze kan stilvallen, als er repressie is en de onmacht te groot wordt, of ze kan omslaan in haar tegendeel: een waanzinnig geloof in vernietiging, zoals in alle oorlogen gebeurt. Alle kracht die zich toelegt op vernielen, zoveel mogelijk vernielen.

Maar ook die waanzin verbergt onmacht, zoals blijkt uit de aard van vernielen: daar is geen intelligentie voor nodig, geen geloof dat een berg moet verzetten, geen verbeelding die volhoudt, nee, één beweging en de auto wordt opgeblazen, de bibliotheek in brand gestoken, het kind neergeschoten. Het heeft mij altijd verbaasd hoe "dom" vernietiging is vergeleken met schepping…

Vandaar dat vernietiging toch altijd weer ophoudt. Daarvoor is ze te tegennatuurlijk. Natuurlijk is de bundeling van kracht om op te ruimen, van verbeelding om te plannen, van geloof om het uit te houden. Zoals in het gedicht van Szymborska: “Na elke oorlog moet iemand opruimen. Min of meer netjes wordt het tenslotte niet vanzelf”.

Hier klinkt ook ironie door, de wijs geworden glimlach van de Poolse dichteres, die ook vermoeidheid en onbegrip onder haar hoede neemt, maar nooit bitterheid, nooit totaal ongeloof. De beweging blijft intact, al is ze in de twintigste eeuw wel héél naakt geworden, zoals de waanzin toen heeft toegeslagen. Maar ook Rieux zegt op het einde van La Peste: “Il y a dans les hommes plus de choses à admirer que de choses à mépriser”.                                         

Het kan niet anders: leven is geloven. Het kind zal het wel aannemen, zeker als het zelf ook kinderen krijgt. Dan wordt het geloof onvoorwaardelijk, een nabijheid die nooit meer overgaat, zelfs niet door afstand, zelfs niet door de dood.

 

3  In zijn totaliteit is geloof indrukwekkend, zeker. Maar ik stel het te groot voor. Als kleine gelovige is de dag vaak net lang genoeg om de avond te halen. Dan is de kracht op, en vaak ook de overtuiging. Dan moet er iemand zijn om de batterijen te vullen, of om de zakken te helpen leegmaken. Iemand om samen mee te eten. Iemand om iets aan te vragen. Dan moet er een deur zijn die dicht kan vallen, dan moet er warmte zijn en een bed. Er zit iets heroïsch in die beweging van elke dag opstaan en aan het werk gaan (sommigen zullen zeggen iets blinds, maar die hebben een ander mensbeeld). Maar de beweging vraagt om gedeeld te worden. Hoe houd je geloof in stand alleen? Eenzaamheid tast alle geloofsfundamenten aan. Japi, de uitvreter van Nescio, was een schitterende kerel, blij met de zon en blij met de regen, blij met een dure maaltijd en blij met een korst brood. Maar hij had geen hol om de nacht door te brengen, geen plek die wilde luisteren, en hij ging er aan kapot.

Jaren kan het goed gaan, alsof er kracht teveel is, talenten te over die als vanzelf gaan bloeien. Jaren is geloof dan een begrip dat zelfs niet aan de orde is, zelfs niet moet bestaan, als leven zo vanzelf gaat. Maar er komt een moment dat het geloof wankelt, dat twijfel als een doorn in het vlees blijft zitten en begint te ontsteken. En dan? Dan is men weer het kind dat zijn handen uitstrekt, dat soms troost wil voelen op de meest elementaire manier, door aangeraakt te worden.

Voor de meeste mensen ziet bestaan er zo uit: een golfbeweging van geloof en ongeloof waar de dag orde in schept. En de meeste mensen zijn al blij als de curve van het geloof groter wordt. Mooie namen heeft men daarvoor: zelfvertrouwen, ervaring, wijsheid. Ik moest veertig worden om iets van rust te vinden. En nog altijd is onrust niet echt ver weg.

En het zijn de oude remedies die je zo ver krijgen: liefdes, vriendschappen, erkenning, alles wat een mens maar wil aanraken zoals hij ooit is aangeraakt…

 

4  Maar terwijl we nog bezig zijn het geloof te leren, moeten we het alweer beginnen af te leren. Ik bedoel: wat we kregen, zal hoe dan ook verdwijnen. Het neemt ons in zijn armen terwijl we ademen, rondkijken, voelen dat we vragen mogen stellen, maar het laat ons ook los, nu al, nu dit moment alweer voorbij is.

Is het leven een misverstand, een ongemak, zoals Cioran beweert? Wie zal het zeggen? Ieder volgt zijn eigen pad, schrijft zijn eigen verhaal, verteld of niet. Maar dat er meer is tussen hemel en aarde dan de simpele tegenstelling tussen licht en donker, goed en kwaad, dat is duidelijk. Geloven volgt die troebelte, dit ineenvloeien van krijgen en loslaten, van aanwezigheid die volloopt met afwezigheid. En telkens weer die intuïtie: er zijn geen twee kanten met elkaar in strijd, nee, er moet een eenheid zijn die al die kleuren bij elkaar houdt. Weg uit de dualiteit, voelt het geloof aan, maar hoe? Waar naartoe? Als er een hemel is die de hel moet overwinnen, waarom begint ze dan niet hier, in dit kleine, gebroken aardse leven? Als er een verlichting wacht, waarom die eindeloze ketting van proberen, van vallen en opstaan? Als de aarde de grote moeder is die herverdeelt, de warme donkerte die neemt en geeft, waarom dan die hardnekkigheid om te bewaren, om boven haar uit te stijgen? Ik gebruik hier lettertekens en woorden die zoveel ouder zijn dan ik, hoeveel stemmen klinken er in mijn stem? En al die lichamen die zichzelf doorgeven en herhalen, met een overgave die niet van henzelf lijkt? Waarom die beweging, dit grote verlangen dat ooit startte en nu nooit meer kan ophouden? Waarom niet het stof dat ligt op de maan, waarom niet de kou van planeten, het woordeloze licht van de sterren? Waarom uit alle geluiden ter wereld net deze gekozen die de Goldbergvariaties maken? Waarom dan de kathedralen, als er binnenin niets meer is dan bewegingsloze lucht? Waarom al die kennis, als kennis niet meer is dan uitgesteld verlies, dan een plek in de grond? Waarom die wanhoop om al dat verlies, als verliezen onze tweede natuur is? Vita vigilia, we zijn wakers in de nacht, luisterend naar de stilte die nooit leeg is, starend in een donker waaruit licht moet komen. Paradoxen omringen ons, de dichters raken ze aan, wie zingt laat ze allebei klinken: de stilte en het geluid, de verte en de nabijheid.

Wat een vreemd geloof dat niets meer heeft om te geloven. Wat een vreemd gebaar dat in het aanraken ook het loslaten voelt. Maar ook omgekeerd: niets lijkt zo vruchtbaar als verliezen. In de leegte is veel plaats om geboren te worden. Verdriet leert troosten en troost heeft respect voor het verdriet. De nacht is een herinnering en een belofte. Maar is niet alles dat? Alles hangt tussen twee uitersten, niet alleen in de tijd maar ook in zijn wezen. Elk rechtstaan is op het scherp van de snee, een blik naar boven en een blik in de afgrond.  Zo scherp te moeten leven, het kan angst aanjagen. Geschapen te zijn tussen twee onmetelijkheden maakte Pascal koud van inzicht, en verloren. Als je in je eentje moet geloven, voel je altijd de kou, denk ik. In elk geval voel je de snee onder je voeten, en je kunt er nauwelijks over praten, of iets van laten zien. Dan heeft gedeeld geloof het makkelijker, met zijn rituelen en verhalen en ruimte voor iets anders dan handel en ontspanning. Wat is er groter dan een mens, laat Shakespeare Hamlet zeggen. En diezelfde Hamlet voegt er aan toe: waarom hou ik dan niet van de mens?

En toch. Net als een kind zich laaft aan het massale mensengeloof, zo breekt door de existentiële angst toch altijd weer  -vanwaar die wil-  de overtuiging dat alles uiteindelijk ten goede is. Zelfs wie dat goede niet wil invullen, vult het toch in door het te aanvaarden, door zich te laten troosten, door het leven weg te geven in een soort zelf bevochten zinvolheid. Schoonheid, goedheid, rust, ze vullen al zo lang het eenzame hart van de mens. En men kan er spottend over doen als men jong is, en kracht en geloof te over heeft, als men ouder wordt troosten ze zonder onderscheid. De wijsheid regeert, en die heeft niets te maken met meningen  die delen en verdelen, maar met een nabijheid die niet meer wil dan dat, nabij zijn. Er is in mildheid een verlangen om uitersten te verzoenen, zelfs zonder te begrijpen, misschien zelfs zonder ze te aanvaarden. Er is in mildheid een rest van het zich verwonderende kind, dat geen schaamte voelt om dwars door iets heen te kijken, pure openheid tegenover dit vreemde bestaan. Er is in verliezen zoveel dat tekeer gaat, zeker. En toch telkens weer die wil om uiteindelijk te luisteren tot al die stemmen een soort samenklank krijgen, tot er iets van een betekenis te horen is. Er is veel lijden, ja, maar zijn er niet ook vele voeten die komen helpen, armen die opereren en toedekken, ogen die foto's maken, ruggen die tenten en water brengen? En worden er uit lijden niet ook conclusies getrokken, inzichten die nooit meer weg zullen gaan?

Er is de dood, ja, maar in het afscheid ligt de kern van dit bestaan. In het afscheid wordt het kind groot, het werk en het kunstwerk zijn op een bepaald moment af, blijven duren doet niets. In het achterlaten ligt het geboren worden, in het loslaten respect, in de eindigheid de oneindige beweging die groter is dan al het andere samen.

Een mens kan niet anders dan tussen die uitersten leven. Maar niet als Pascal, in existentiële angst, maar als een dansend kind. Daar waar de ene beweging overgaat in de andere, daar is de lichtheid die niemand kan vasthouden, maar die even groot is als de beweging waaruit ze komt. Even maar, deze stilstand, dit hangen tussen de tegenstellingen, dit uitrusten tussen uitersten, maar de diepte openbaart zich grondeloos. Van de mens is de diepte en hoewel ze even ongrijpbaar is, is het wel in hem dat ze zich voltrekt. De lichtheid van de danser, de fractie stilstand na het springen voor het vallen is, hoe weinig en klein ook, groot genoeg om alles van die diepte te ontvangen. Weer zo'n paradox van oneindigheid in onze kwetsbare menselijkheid. Mensen lijken wel tussen de uitersten gezet om alles zichtbaar te maken…

Vandaar dat de bewegingen die in leven zitten, vaak van een oneindige schoonheid zijn, en een moment is genoeg om ze te voelen, om ze te zien. Tot in het diepste ontroeren kan een zachte bries 's avonds, als alle lucht opgedronken is door een vogelkeel, tot de klanken hard worden als edelstenen. En dan dat vleugje wind, dat vaak ook gaat geuren…

Eens kwam ik thuis, de achterdeur stond open en ik vond mijn moeder slapend op de bank, haar hand onder haar gezicht gedrukt, lang en diep haalde ze adem. En ik keek naar haar zoals ik nog nooit naar haar gekeken had, en ik voelde afscheiding en verbondenheid ineen, en ergens sneed ik me aan dat gevoel, deed het pijn…

En ik herinner me het oceaangevoel toen mijn eerste kind geboren werd, alsof de grote onzichtbaarheid die alles in zijn handen houdt zelf een stap naar voor had gezet. En de dokter vroeg of ik al een naam had, en ik kon niet spreken, stom van geluk.

En te midden van een hoopje mensen zie ik mijn vrouw. Ze is aan het luisteren naar iemand, met dat zachte gezicht van haar, en weer gaat in mij een hand open die me optilt, want ik zie dat zachte dat mijn leven heeft gered, ik zie het genot te mogen praten met iemand die zo luistert, ik zie de sterkte die in zachtheid zit. Bewegen wordt makkelijker als er zachtheid is, in beweging komen dan ook zoeken, vragen, aarzelen, het worden bewegingen van de dans, het is de rook die keert en golft, het is het licht dat schaduwen verdraagt, schemer, nevel.

Tussen de onmetelijkheden die ons omringen, van licht en donker, van geboorte en dood, is dit moment van dansende lichtheid een andere onmetelijkheid, een diepte die in ons open gaat en alles lijkt mee te brengen wat we zijn, en dat is veel.   Zo diep is dit moment van bestaan, dat ze de troebelte helder kan maken, dat ze het gewicht op kan heffen, de zinloosheid klieven in betekenis, zelfs al zijn er geen woorden voor, enkel tranen van ontroering. En dat dit grote ook in zoiets kleins kan als een enkele adem, een blik,  een hand op een hand. De klank in een stem. Het licht zoals het op de straat valt. Het nakijken van wie de deur uit gaat. De stilte 's nachts. De muziek als ze heupwiegend op je gaat liggen. De lach om de mond, en die lach ken je. Vanwaar toch die kracht?

 

4  Geloof wordt aangeleerd en weer afgeleerd en weer aangeleerd: dat is op zichzelf al een dans. Als het moment doorbreekt, wordt geloven weer eenvoudig. En wie ben ik dat ik zo aangekeken word? En wie ben ik dat de lucht mij in leven houdt? En wie ben ik in dit lichaam van mij, dit steeds weer aangeraakte wonder van aanwezigheid? Wat is dit grote verlangen dat in die aanraking meekomt en nooit weg lijkt te gaan?

Met de dans van het geloof wordt die vraag sterker: is er een bron die ons in leven houdt, is er een vuur dat ons aansteekt, is er een kracht die ons gezien heeft?

Omdat het geloof, met de jaren, zo gegroeid is dat het overstroomt naar al het andere dat ook in leven is, moet het ons niet verwonderen dat het verder wil groeien, en wil uitkomen bij iets buiten ons. En moet het ons niet verwonderen dat we  een gezicht zoeken, een hand, een stem, een verhaal. Zijn we niet uit een mens in het leven gevallen?

Geloof blijkt altijd zo dicht bij onze huid te komen, dat het toch niet vreemd is als mensen het verlangen dat hen aansteekt vangen in religieuze beelden, verhalen, ruimtes. Geen verstarde religie, vastgelopen in macht en blindheid, maar een vrijgemaakte religie, die de noodzaak bijeen te houden niet met autoritaire, waarheid claimende, sociaal uitsluitende middelen wil verwezenlijken, maar met het gezag dat gegeven wordt aan wie wil luisteren. En gaat het religie niet om luisteren, om samen luisteren? Stil bij elkaar zitten zou al voldoende moeten zijn, luisteren naar de stilte als ze vanuit de diepte wil komen, misschien wel de diepte van dit moment nu. Maar omdat de beweging ondertussen niet stilzit, is het goed als mensen die samen willen geloven, ook samen iets doen: een ritueel dat voor hen zal spreken, voor dat waar geen woorden voor zijn. En dat in een ruimte die voor niets anders dient dan voor dit leeg geworden, leeg willende worden samen zoeken. Laat iemand voorlezen uit de heilige boeken, laat iemand een woord zeggen waarover is nagedacht, laat iemand een lied aanheffen, laat iemand wierook branden, laat iemand brood en wijn delen, laat iemand licht meebrengen, laat iemand een naam noemen, laat iemand rechtstaan, zijn schouders mee onder het dak dat zich boven zijn hoofd uitstrekt, laat dit allemaal gebeuren, het brengt het grote geloof in aanwezigheid die zoekt en vraagt heel dicht bij de huid van wie zoekt en vraagt. Het hoeft geen antwoorden mee te brengen, aanwezigheid die mag zijn is genoeg. Trouwens, veel antwoorden zijn er niet. We zijn te ongelovig geworden in ons geloof, om nog veel antwoorden te verdragen. Eenvoudig kan enkel dit kleine moment zijn, nooit het grote leven dat ons aandrijft. Geloof is geen antwoord, maar een blik, een verlangen, een gebaar: dat de goedheid uiteindelijk zal zijn, zoiets, meer woorden zijn er niet, hoe zouden ze.

Maar de woorden die er zijn, zijn van een onvoorstelbare koppigheid. Eenmaal genoemd zal het woord 'gerechtigheid' nooit meer zwijgen. Eenmaal losgelaten, zal het woord 'mededogen' niets minder willen dan de verlossing van de hele schepping. "Alles is vol van wat nog niet is", zegt de filosoof Bloch. Hij noemt het de hoop: "iets dat ons voortjaagt, verder wil, het niet bij ons uithoudt, wil uitbreken, op zoek naar hoe alles zou kunnen zijn…". Eigenlijk speelt het geloof met het onmogelijke, en danst het onmogelijke met het geloof…

 

5  Het leven is een mysterieuze gave, dat weten we. Als het ons aankijkt, dat mysterie, in stillere momenten, in moeilijke momenten, in volle momenten, verdragen we dan die blik? Kijken we dan terug?

 

 


Commentaren

"Waar is de wijsheid die we zijn kwijtgeraakt in de kennis?
Waar is de kennis die we zijn kwijtgeraakt in de informatie?"

T.S. Eliot


'Waar hebben we de dans verloren?'

Gepost door: Uvi | 02-10-10

We hebben hem nog, die dans, Uvi. Als jij uit die ogen van je kijkt en daar woorden voor vindt, wat een dans toch. Als jij van woorden die je leest dan weer je ogen maakt, opnieuw een dans. Als jij door je leven beweegt, en wacht en krijgt, en de dag verwelkomt en haar bijhoudt als ze is weggegaan, hoeveel wordt er dan niet gedanst? En de pijn mag ook meedansen, waarom zou ze niet, ze moet ook bewegen...

Gepost door: Guido Vanhercke | 02-10-10

"Het geloof van de danser."

Volkomen juist, Guido.
Maar omwille van de titel, dacht ik aan 'het geloof'.

Gelukkig zij die ... dansen
en je hebt dat erg mooi beschreven.

Gepost door: Uvi | 02-10-10

Maar net omdat dat oude woord zo verbruikt & misbruikt is, en toch iets fundamenteels uitdrukt, probeer ik het op mijn manier her in te vullen. Geloof als levensvertrouwen, ontdaan van kerkelijke waarheid, ontdaan van een magisch aandoend opperwezen, in de eerste plaats gericht op het concrete leven rondom ons, in lief en leed.

Ik geloof (!) dat er voor dat herdenken nu eindelijk wat ruimte komt, eindelijk wat ruimte om de mens ook te zien als een spiritueel wezen, zonder dat daar onmiddellijk hoongelach op volgt, of de identificatie met een kerk. Sommigen (nogal veel jongeren schijnt het) diepen de oude gedachten en vooral rituelen van vroeger weer op. Jammer, vind ik dat. Een tragere, moeilijker weg is dat herformuleren van wat oeroud is, maar onderweg leeg werd en verschrompelde en weggegooid werd. Zeker nu we zoveel meer weten, is dat spirituele nadenken meer dan nodig om niet ten prooi te vallen aan cynisch materialisme, aan ziekmakende droefheid, en meer van dat...

mvg

Gepost door: Guido Vanhercke | 02-10-10

De commentaren zijn gesloten.