08-01-11

Nog wat gedichten van Yehuda Amichai

geliefdennieuwpoort.JPG

IMG_5029.JPG

 

Weer een liefde ten einde

 

Weer een liefde ten einde, als een goed citrusseizoen

of een periode van opgravingen waarbij uit de diepte

ontroerde dingen zijn opgehaald die liever waren vergeten.

 

Weer een liefde ten einde. En zoals wanneer een groot

huis is gesloopt en het puin afgevoerd, zo sta je op de lege

vierkante bouwplaats en je zegt: wat is dat een klein

stukje grond, waar dat huis op stond

met al die verdiepingen en mensen.

 

En heel uit de verte van de dalen komt het geluid

van één enkele tractor aan het werk,

en heel uit de verte van vroeger het getik

van een vork die, op een porseleinen bord, voor het kind

eigeel met suiker roert en schuimig klopt en tikt en tikt.


 

*

 

 

Want het is allemaal omkoperij

 

Het ijzer wacht vlak bij mijn lichaam, niet alleen in de oorlog,

ook bij de kapper kleppert het langs mijn wangen,

het giechelt bij mijn ogen en beidt zijn tijd.

Ik prijs het ijzer, bejubel de kapper

en betaal hem en geef er een fooi bij,

allemaal omkoperij.

 

Ik vraag naar plaatsen waar ik

niet heen wil, informeer naar mensen

die al dood zijn. Allemaal omkoperij.

 

Ik hang vlaggen op in mijn huis,

ik versier mijn vensterbank,

ik begiet mijn tuin met het laatste water

en geef rode bussen

hun voer, brieven, brieven,

ik spaar geld en geef aan liefdadigheid,

ik ben godvrezend en mensvrezend,

ik huil, ik lach,

omkoperij.

 

Ik verwek kinderen voor Moloch,

ik streel ze, ik kus ze.

Ik heb lief en ben bang, allemaal omkoperij.

 

Mijn ogen zijn de ogen van een vader, gaan heen

en weer met zijn kinderen op de schommel.

En mijn ogen weten dat één zwaai

de laatste zal zijn, bij mij vandaan en steeds verder,

en tevergeefs probeer ik de schommel om te kopen.

 

Ik ben zo alleen als een ei

ik ben zo sterk als een ei

ik ben zo zwak als een ei

ik voel me van binnen slechts geel en wit.

 

Ik eet de sappige vrucht

van de wanhoop, die vol zit met de pitten

van de goede hoop, ik zegen de vrucht

en spuug de pitten uit.

Allemaal omkoperij.

 

Elke morgen ben ik als Jozef, die men ijlings

uit de kuil deed komen en tot Farao bracht.

Ik scheer me en verander mijn kleren, net als hij,

altijd gereed voor een keer ten goede,

ik wanhoop niet, ik vul formulieren

en ledig mijn ziel, want het is allemaal

omkoperij.

 

Enkele dagen geleden zag ik een man

die op zijn oude dag het geloof had afgeworpen,

zijn baard had afgeschoren, zijn zijlokken afgeknipt,

en het keppeltje van zijn hoofd had genomen.

Ik dacht, wat een moed heeft een mens nodig

om zijn geloof af te zweren zo dicht bij de dood.

Ik schud zijn hand, ik streel

zijn gladde kwetsbare wang,

ik prijs, ik bid, ik vloek,

ik haast me, ik zing, ik zwijg

want het is allemaal omkoperij.

 

Zo'n indrukwekkende bezwering van de wanhoop, dit gedicht. Als het leven maar blijft genoemd worden ten goede ("ik prijs, ik bid, ik vloek, ik zing"), als het leven maar genoeg aangeraakt wordt ten goede ("ik streel, ik kus, ik ben bang"), als het leven maar genoeg gedeeld wordt ten goede ("ik vul formulieren in, ik schrijf brieven, ik kleed me op, ik betaal"), dan kan het toch niet anders dan dat het leven zelf ook meewil...? Ten goede...?

Daarom zijn stilstaan bij die oude man in de laatste strofe: die heeft het sterkste wat hem heeft doen geloven in dit leven afgezworen, net voor zijn dood. Nee, zo naakt wil en kan hij niet zijn. Niet zo alleen...

 

Waarom hou ik van Amichai? Het gaat bij hem ergens over, over dat ingewikkelde leven van ons, dat zingt en huilt, en te maken heeft met wonderen en oorlog tegelijk.

En hij doet het in een taal die ik kan horen, zo eenvoudig maar toch zo zangerig hoor ik hem spreken (let even op de variatie die in dat omkoperijrefrein zit). En alleen al daarom, door dat zingen, troost hij mij. Als taal kan zingen, dan kan het leven zingen, denk ik dan. Maar ook dat is misschien alleen maar omkoperij...

De commentaren zijn gesloten.