02-02-11

De Aanraking (18)

 

IMG_4224.JPG

 

18.  Moe

Wind slaat tegen de rolluiken. Moeheid rolt de avond op tot een harde bol, die in het voorhoofd hinderlijk gaat wegen. Deze dag moet maar 'ns over zijn.


De dingen die moesten, zijn gebeurd. Deuren open en dicht gemaakt, handen geschud, papieren ingevuld, woorden duidelijk uitgesproken, informatie in stapeltjes doorgegeven. Misschien dat dat op den duur voldoende is om een diepe bedding te graven. Al die kleine handelingen die vanzelf de weg wel zullen maken.


Want als je zelf stilstaat en een putje wil graven, dan lukt het je niet.


Altijd maar weer, zegt het gezicht van de een. Altijd maar voort, zegt de rug van een ander. Altijd, zeggen ze. (Soms met de verkeerde stem van toen ze nog klein waren en voortdurend opgepakt wilden worden. Soms met verdriet van toen. Tussen de papieren en de vergaderingen steken soms vreemde boodschappen.) 

 

Misschien is het goed dat de dagen komen en gaan. De tijd zal ons wel uitschuren, is het vandaag niet, dan morgen. Zo lost een mens op, zonder dat hij het beseft, als rook die er is en dan niet meer, je ziet het nauwelijks gebeuren, zo vluchtig is al het zichtbare. Wat overblijft zijn de oude vormen, de beddingen van vroeger, de hellingen die nu kunnen glooien en gezien mogen worden. Misschien dat het verdriet nu een mooie kleur krijgt, misschien dat het zeuren onderweg is vergeten.

 

Maar vandaag niet. Vandaag slaat de wind tegen het raam. Vandaag denk ik aan de moeheid van andere mensen: iemand is haar geliefde kwijt. Nog iemand die ik ken is zijn vrouw kwijt. Ze willen stil staan en een putje graven en begrijpen, en het lukt hen niet. De grond is hard voor een mens alleen.

De commentaren zijn gesloten.