20-02-11

De Aanraking (27)

 

LARGE22.JPG

 

27.  Aanraking

Vespers. In de abdijkerk is ongemerkt het donker binnengekomen. Zo stil als de gestalten die in de banken knielen en hun gezicht buigen. Zo dichtbij als een warm kledingstuk.


De aanwezigheid van dingen is, als je goed kijkt, van een grote genegenheid. Ze wachten op je, ze omhullen je, ze dragen je. Ik kijk naar de witte mantels waarin de zwijgende gestalten bidden en weet: er is geen stillere liefde dan dit wit. Hoe moeten mensen zich voelen als ze zo omringd worden: gezuiverd, beschermd, verbonden?
Zo ligt ook het duister op mijn schouders, op mijn ogen. Een zwijgzame aanwezigheid, die voorzichtig de dag oplost, en dat zorgzaam en traag doet, als vanuit een innerlijke noodzaak.


Vooraan brandt het licht van de rest van de wereld. Drie ramen vangen een wezenloze schijn, waar je alleen maar naar kunt kijken, zonder woorden te vinden. Dat alles zo diep geschapen kan zijn! Dit licht in tonen boven elkaar, de werelden in de hoofden van wie hier bidden, de woorden die ze uitspreken en even mysterieus  zijn als de drie ramen, even oud naast deze kleine, ademende lichamen, de klanken die elkaar vinden en oplossen in het hoge dak, de stilte die dan valt en misschien groot genoeg is voor die diepte...


Niets bestaat, dat niet is aangeraakt. Niets bestaat zonder liefde, hoe klein en verloren ook. Iemand heeft die vorm, dat lichaam gewild, iemand heeft hen bestaan gegeven. In deze abdijkerk als een grote mantel zie ik veel liefde. De glanzende banken, de glanzende stilte, de gebaren, de stemmen, hoe dieper ze deze avond in zichzelf zinken, hoe meer ze de liefde teruggeven die hen vorm en leven gaf, die hen optilde uit de grote stroom van het onzichtbare. Misschien moeten we eerst doorzichtig worden als de drie ramen, als deze donkere ruimte, als die witte gestalten om dat te beseffen. Om door dat besef aangeraakt te worden.

De commentaren zijn gesloten.