10-03-11

De Aanraking (36)

 

IMG_4044.JPG

36.  Het Ongenoemde 1

Ken ik een God? Ik ken het ongenoemde, dat door mij trekt, en door de bladknoppen die al een tipje rood laten zien, en door de kat die haar poten neerzet met een elegantie die niet van haar is, en door de lucht die tussen de huizen hangt en op ons wacht, en door de grond waarin het leven groeit, in al zijn duizelingwekkende vormen, en door je glimlach en je woorden en je handen, en door de klanken van muziek, geslepen tot ze glinsteren.


Ken ik een God? Ik ken de liefde die alles vorm geeft, een vorm om te bestaan, om uit de grote stroom zin en betekenis te krijgen, hoe kortstondig en onopvallend ook. Maar geen enkele vorm is onopvallend, het is onze blik die niet krachtig genoeg is, niet groot genoeg, niet geconcentreerd genoeg. Ook een blik is een daad van liefde, van zorgvuldigheid.


Vorm mogen worden uit het magma van de onvorm, de leegte, de vormloosheid die geeft en neemt. Hoe rillend kwetsbaar de vormen, als jonge kalveren, als blinde vogeljongen. Hoe volmaakt ook, de gaafheid van al wat jong is, blad en huid en blik en kleur. Hoe onvoorstelbaar het vertrouwen vormen los te maken uit de vormloosheid, daar zit een verlangen in te groot voor woorden, een visie die mensen maar al te goed kennen maar zoveel groter is dan wat zij kunnen  vermoeden. En God zag dat het goed was.

 

Maar ken ik een God? Ik ken de leegte die vol is, waar alles te wachten ligt, ik ken het wachten, het verlangen. Misschien dat ze daarom zo stil zijn, al die monniken, om dichter te komen bij dat scheppende, vormgevende mysterie, bij die wil om zomaar te geven, en daardoor de dankbaarheid te voelen dat men zomaar bestaat. Misschien is alles toevallig. Maar achter dat toeval zit wel het immense verlangen te willen en te mogen bestaan. Het ongenoemde.

De commentaren zijn gesloten.