26-03-11

De Aanraking (44)

 

20100329_1281.JPG

 

44.  Regen 2

 

Regen. Dat ruisen, als van een zee die landinwaarts is getrokken en ons toch in leven laat. De druppels aan de onderkant van de bladeren. Het wit dat aan de horizon in het grijs vloeit, zoals alleen kleuren dat kunnen. De auto's die reepjes vocht uit het wegdek scheuren. De onbeweeglijkheid van natgeworden bomen. Het kleine van een lucht waaruit alle vogels zijn verdwenen. Het glimmen van daken, en motorkappen, en ramen, alsof er overal grijs is gemorst en nadien netjes bijgeknipt.


Maar mensen zijn anders. Mensen weten dat ze ouder worden en maar een leven hebben. Soms regent het in hun hoofd, dan willen ze liever onbeweeglijk worden, nat en doofstom, bemorst met onzichtbaarheid. Maar er zijn woorden voor, modewoorden, en daarmee is het niet meer van hen. En de dag roept hen op, duwt hen in de rug, is onvermurwbaar, een zee van afspraken waarin ze ooit terecht zijn gekomen en die te groot is voor een klein ding als zij.


Mensen kunnen zo maar niet wachten, gaan liggen tot het overgaat, tot er weer kleur zit in de ogen en verlangen in de armen, verlangen om te krijgen en weer weg te geven. Ze lopen in de straten, met hun schaduw dicht bij hen, ze staan op en gaan weer aan het werk, ze houden even op met afwassen, het hoofd dicht tegen het vensterraam, en kijken naar de tuin, waarin het wachten zelfs kleur en vorm heeft gekregen, zoveel is er van, en zo ver is het, onbergijpelijk.


Waarom krijgen we wat we krijgen, ondanks ons verzet, ondanks onze dromen, ondanks ons verlangen. Waarom houden we daar de ene keer van, met armen van ongeduld en een hoofd zo helder als een keukenraam, en waarom verdrinken we de andere keer, als regen en regen en regen?

De commentaren zijn gesloten.