19-05-11

De Aanraking (71)

 

20100301_1163.JPG

71.    Genietingen 2

 

Zo’n bende ruggen die samen zitten, en elkaar hun gezicht aanbieden, met al wat er op te lezen valt. En iemand begint te vertellen, zit niet naar zichzelf te kijken maar kruipt helemaal in zijn woorden en gebaren. En de anderen kruipen in zijn gezicht, geven hem kleine zetjes door te knikken of even kort naar adem te snakken of door zo’n hevig scherp lachje. Of ze trekken de koordjes dicht door elkaar even aan te kijken. Ha, het wonder van bij elkaar te mogen horen.

Zo’n café waar de luchtbel van het tafeltje net groot genoeg is om twee gezichten in te vangen, en je hebt het gevoel dat je met de drank tastbare aanwezigheid in je giet. Ook woorden en blikken kunnen dronken maken, of toch een weldadig gevoel geven. Een moment dat je vriend met zijn handen breekt en dat je samen opeet.

Maar ook het lichaam even laten doen, zijn gang laten gaan, niet aldoor opletten waar het nu weer terecht komt maar al soezend en pratend meelopen. Ook het lichaam wil stromen, overstromen, oplossen in al wat groter is, en er is zoveel dat groter is. En de drank en het Grote Café praten maar op het lichaam in, en jij bent met je dromen bezig, en plots is je lichaam vloeibaar geworden, zweeft het over de straatstenen, hoort het zichzelf niet meer stappen, ademen, moet het weer alles leren, lichaam als jong vaantje, het schrikt en giechelt tegelijk.

En het moment dat je betoverd wordt, plots laat je alle leven achter voor dat ene leven van de acteur op scène, voor de muzikant die de noten speelt waarop je altijd hebt gewacht, voor het verhaal dat je meeneemt. Plots ben je verliefd, moet je vluchten, plots sterf je, plots blijkt de hele schepping bij jou binnengetrokken, plots ben je waar je naar zocht, de stenen zuilen van de kathedraal en er valt zonlicht over en ze blijken zich eindeloos te herhalen, de stem die vertelt en je opneemt en neerzet in een nieuwe huid, de wind die door de bomen ruist, je hand als hij mij weer opnieuw aanraakt.

En de lange geluiden die zo lekker lang uitsterven.

En de schaduwen opzij van het licht.

En de honderd smaken op je tong, de honderd kleuren in je ogen, de duizend vingers in je oren.

En je bed als je mag inslapen.

En je adem voor je inslaapt, altijd je adem, je ruimteloze, naamloze, zwijgzame, zachte, lekkere adem.


De commentaren zijn gesloten.