27-05-11

De Aanraking (75)

 

 

nunoz 252381961_c929baf061.jpg

 

75.    Dik

 

Zoals mijn adem moet ik de wereld laten binnen komen, zoals mijn adem. Zoals mijn ogen moet ik vol gaten zitten voor al wat bestaat. Zoals mijn ogen.

Maar soms voel ik mij dik, vol, opgevuld tot aan de rand, ondoordringbaar, vetgemest door lagen maatschappelijk belang en overtuiging. En dan zie ik gezichten die ik niet zie, hoor ik geluiden die ik weer vergeet, loop ik door het licht alsof het vanzelf spreekt dat het voor mij opzij gaat, alsof het niet aan alle kanten glinstert. En ik schrijf mijn agenda vol toekomst, alsof ik daar heer en meester van ben, kam mijn haar alsof ik het pas gekocht had, eet en drink, ga zitten en sta op, lach en praat alsof alles op mij wacht.

Mag dat dan? Ja, dat mag. Maar er komt een verloren ogenblik, en dan voel ik mij dik geworden, loom, met stijve huid en ogen die maar bezig waren gangen te boren om bezig te blijven. Het is een vreemd gevoel, te weten dat je te groot wordt, niet meer kunt staren, achterover leunen en door het raam kijken, niet meer iets ontdekken dat daar ook aan het wachten is, niet meer weten dat je ademt.

Soms zit of sta je, op recepties, vergaderingen of andere volle ogenblikken, naast mensen die dat overgewicht een naam mogen geven, en het weten ook. Wandelende functies, vleesgeworden macht, tastbare belangrijkheid. Vaak hangt rond hen een geurloze ondoordringbaarheid, gladde omgang met de wereld die van hoge beschaving getuigt en mindere goden aantrekt, als een koning een hofhouding. Ah, de holle frasen en gebaren waarmee ze zich naar binnen likken. Ah, de minzame neerbuigendheid waarmee ze worden aanvaard.

Soms zit, diep in hen verborgen, een kleine jongen. Je hoort hem niet, maar hij is mager en oud geworden de jongste tijd. Het lichaam kun je niet bedriegen. Het is vriendelijk en geduldig, het lichaam, maar er komt een dag dat het al dat gewicht van zich afschudt.

Soms, maar zelden, zie je er die niet veranderd zijn. Vreemd, ze hebben zoveel macht, en je herkent zoveel vertrouwds, zoveel dat klein is gebleven, dat dichtbij komt.

Het is langzaam herfst geworden. Het jaar werpt zijn kleren af, gaat weer in de kou staan, laat met fijne vingers knopen, versieringen, kleuren los. Er is een goedmoedige wind die alles wel op wil gooien en wegtoveren. Er is een zon die door de gaten wil schijnen. En zeggen dat hier een paleis heeft gestaan.

 

(beeld: Nunoz)


De commentaren zijn gesloten.