29-05-11

De Aanraking (76)

 

IMG_4721.JPG

76.   Lege plekken

 

Ouder worden is lichter worden. De grote beuken staan daar nu al zoveel jaren, steeds overzichtelijker. Straks worden ze kaal, en dat doen ze met gratie. Het licht in deze najaarsdag is nauwelijks meer dan wat vegen waterverfgrijs, nat en zo voorlopig dat, als je even niet oplet, er al een ander vel ligt te drogen. Er blijft voor de bomen en de huizen weinig meer over dan wat aangelengde schaduw. De wind gooit nog late vogels over de daken. Als al die lege plekken vol lopen, krijg je vanzelf  nog wat wind.

In de van overschotjes licht bijeengespaarde woonkamer, in al deze onnadrukkelijkheid, luister ik naar Alfred Brendel die Bach speelt. Het lijkt of ik slechts af en toe een noot hoor, zo intens is de ruimte rond de klanken. Als Brendel de diepe bassen aanslaat, tril ik mee. In mijn leeggelopen lichaam, in deze leeggelopen dag, in Brendels oude vingers en hoofd is ruimte voor Bachs lichtheid, voor zijn naaktste vorm, voor de stam van zijn bestaan. Hoe kan een  klank zoveel eigen leven meekrijgen en dat leven zo tastbaar loslaten?

Instrumenten om leven los te laten zijn we: het zware, elegante ding met snaren, Brendels lichaam met zijn handen, deze kamer met mijn hoofd, de dag met zijn opdrogende  lucht.

Misschien moeten we, ouder geworden, het licht teruggeven, ophouden met levenslang te krijgen, met beschenen te worden en te glinsteren, en ons bezig houden met dat beetje licht dat we zelf zijn, die doorschijnende beenderen en huid die ons dragen, die ene klank in ons hoofd, die blik die ons zo herkenbaar maakt voor wie ons liefheeft, dat ene woord dat we hebben ontdekt en dat alles samenvat, dat gebaar. Daarom willen de beukenbladeren glanzen in het late najaar, goudgeel en koper en alle nuances vandien, een glans die helemaal uit henzelf komt nu, verbijsterende aanwezigheid.

Je krijgt het bestaan en geeft het terug. Misschien moest Brendel een leven wachten om Bach zo te kunnen spelen. Misschien moest Bach een leven lang geloven om die noten te kunnen vinden. Je krijgt het bestaan en je geeft het terug, liefst met de glans die op de bodem van alles ligt te wachten, ook ligt te wachten, tot ze licht genoeg is om weg te vliegen.


De commentaren zijn gesloten.