02-06-11

De Aanraking (78)

IMG_4177.JPG

 

 

 

78.    De troostzoekers van de stad

 

Er is mist in de straten en in de lucht die vandaag van geen verroeren wil weten, grijs gewicht dat half dronken maakt, traagheid waardoor je leert van jezelf niet te houden, er is regen die zelfs niet meer wil glanzen.

Straten waarin de slapelozen zwerven, van bakkerij tot dagbladwinkel, van postkantoor tot tram, om het brood en de woorden te kopen waarmee ze rust zullen vinden. Maar de etalages zijn holle gaten die door geen beweging, geen stap worden gevuld en op de gezichten ligt een blik die wegkijkt, de onverschilligheid die veroordeeld is tot zichzelf. De slapelozen in de hoek van de tram, in de winkeldeur, in de hall als ze de sleutel in het slot voelen. De aarzeling die hen dan overvalt, omdat ze geleerd hebben dat ze dronken zullen thuiskomen, een beetje radeloos van al de verloren tijd die zich in hen ophoopt en waar allang geen plaats meer voor is, en dat de dag wreder is dan de nacht omdat hij meer illusies tevoorschijn tovert, meer beelden die niets anders doen dan wegkijken, dan gelijkenis vertonen met wezens om lief te hebben, mee te praten, uit wandelen mee te gaan, om aan te raken.

De troostzoekers van de stad, als ze bijziend van grijs door het inpakpapier van de lucht schuifelen, stapvoets, van etalage tot etalage. Als ze, oud geworden, boodschappen blijven doen, opgemaakt in teveel rouge, ruw in zichzelf pratend, half geschoren soms, waggelend bij elke stoeprand, wegstaren boven de koffie door het doffe raam met de zwarte planten, overdreven grote gebakjes etend, denkend aan al die kinderen die ze hebben gekend en nu kleinkinderen zijn, denkend aan al die tijd.

De troostzoekers van de stad, al die geschapenen die maar één ding willen, weer die eerste blik op zich te voelen, die blik waarin ze het mooist waren. Hij wordt gezocht in de schommelende boot van het Grote Café, in de donker wordende straten, in de trouwe liefde die eten heet, in de herkenning van wat men heeft gezien, in de onderdanige liefde van wat men bezit, in het grote onbekende van kinderen, altijd weer kinderen, in de herinneringen als de nacht valt en de oogleden, in de vriendschap van een nieuwe dag.

In een zijstraatportiek van het warenhuis zit het meisje ineengedoken in haar overjas. Ze glimlacht naar me als ik voorbij ga en haar zie. Maar misschien doet ze dat met iedereen. Misschien glimlacht ze niet, maar grijnst ze, haar lichaam dicht rond het vuur geschaard dat in haar brandt, en wil ze de buitenwereld zo buiten houden. Ze blijft de rest van de namiddag in mijn hoofd zitten. En als het donker wordt, zit ze er nog.


 

 

 

 

 

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.