07-05-11

De Aanraking (65)

 

IMG_4150-1.JPG

65.    Verlangen

 

Maar het verlangen is toch alles, zeg je. Zijn we dan niet geschapen om verlangen te zijn? Keren we ons gezicht niet naar de zon?

En je ademt daar in de zon, het is een dag waarop de hemel hoog op zuilen staat, en ook op aarde lijkt het alsof je door de huizen en de bomen kunt zien, en ik zie je. Met open of gesloten ogen, het doet er niet meer toe. Met mijn handen op je haar of op de lucht.

Alles moet ik in de vingers leggen die over je huid glijden, dit wezenloze van jou niet te zijn, dit vloeibare van dichtbij en ver, dit woordeloze van spreken en niet weten wat te zeggen, hoe het te zeggen. Er is nu eenmaal een grens tussen alles, anders was er het niets. We bestaan dank zij de afscheiding, dank zij de eenzaamheid zie ik jou, hoor en proef ik jou, je huid van olie in deze zomerdag, je adem die jou stappen geeft en gebaren en een gelaat met duizend spieren voor je glimlach.

Vingers kunnen, als ze dat echt willen, die hele nauwe grens voelen, daar waar ik ophou en waar jij begint. Op die grens wordt verlangen, wordt afstand bijna nodig. We zijn met een heel fijn mes uit het geheel gesneden, met uiterste zorgvuldigheid. Dat is zo groot, daar is niet bij te komen voor onhandige, onzekere wezens die ook alleen maar kunnen wachten op wat hen wil overkomen. Zo scherp kijken, dan voel je het mes weer, dan snokt het door je en moet je even de ogen sluiten. Jij en de lindeboom en de kinderen in de straat en de lucht met zijn wolken en de bij op de bloemenstruik en de deur die zijn schaduw over de stenen legt. Het is er allemaal en,  als je vingers en je ogen en je oren willen, zo dicht dat je kunt duizelen, aan je eigen warme vorm kunt twijfelen, naar adem moet happen.

Laten we daarom maar verlangen, zeg je, altijd opnieuw de afstand voelen die ons scheidt van al het geschapene en ons schept. Omdat jij er bent, mag ik er zijn.


De commentaren zijn gesloten.