21-05-11

De Aanraking (72)

 

 

20100301_1162.JPG

 

72.    Over het door het raam kijken 1

 

Net als katten kijk ik vaak door het raam. Het is passend, vind ik, dat je de schepping eer bewijst door ernaar te kijken. En het is een manier om op veel plaatsen tegelijk te zijn. En je kunt er bij gaan zitten.

Vanavond is het vroeg donker, het regent, het is koud. Onder de donkere lucht hangt een vaalrode gloed, als kleur even ongezond als de regen monotoon is.

Er is dus nauwelijks iets te zien of te horen. Maar in mijn hoofd steken de cafés hun lichten aan, warmen de muren de ruggen van oude mannen die alleen drinken, wisselt de kelner een grapje met de oude dames die samen drinken, zo gelijk hebben ze de ouderdom over hun drieën verdeeld, hangt er tussen de rook nog wat vergeten muziek en slaat de buitendeur hard.

En in mijn hoofd rijdt door de zilveren straten een late tram, er zitten nauwelijks mensen in, en hun levens zijn veilig opgeborgen onder hun kleren, hoewel ze niet kunnen ontkennen dat ze dit kleine stukje ervan nu met anderen moeten delen. De tram jankt soms, en soms schieten er vonken uit zijn voorhoofd.

En in de huizen slapen nu de kinderen, of zouden  moeten slapen. Wat vandaag gebeurd is, heeft zich in hun hoofd teruggetrokken om misschien nooit meer herinnerd te worden. De slaapkamerdeur blijft een eindje open staan, de trap kraakt onder de stille stap die hen nu alleen laat.

Zoveel gezichten dragen vanavond zichzelf de nacht in, gezichten soms zo dicht dat je ze zou kunnen aanraken, gezichten zo dicht dat je ze een voor een zou willen koesteren, als dat niet een beetje vreemd gevoel is tegenover zoveel mensen.

Wat hebben gezichten dat ze je zacht maken? Dat het leven er zijn tekening op heeft gemaakt? Dat ze zo doorzichtig zijn? Of is het omdat ik ouder word, dat ik ze aanvaarden kan, de gezichten van de mensen? Door het raam kijk ik naar de luchten en de gezichten en naar mezelf.



De commentaren zijn gesloten.