04-06-11

De Aanraking (79)

 

IMG_2724.JPG

 

79.   Geweld

 

Maar de perverse aanraking die geweld heet? Vanop een afstand iemands rug strelen, dat hij languit voorover valt op straat, met een kreet of een zucht, alleen of te midden van voorbijgangers? Schreeuwen dat de tranen in de ogen springen van aanwezigheid, verstaanbaarheid? Gezichten trotseren van binnenin, dwars door de dunne huid slaan, die niets meer blijkt te zijn dan een illusie en geen weerstand biedt, zo weinig is er om bang voor te zijn, net genoeg om toch nog iemand te voelen zonder gevaar, zonder de algehele vernietiging die loert en lonkt en sist.

 Hoe vreemd dat geweld, het onopgevoede, kortademige, stuntelige broertje, zo snel zo intiem wil worden, bloedlippen kust, geheime ingewanden ziet en oppakt, trillende draden doorknipt van blikken, ongewassen handen op de adem legt, met verveelde vingers armen en benen opzij schuift, hijgend binnendringt en voortijdig zaad loost.

Onhandig voorwaar, maar niemand die zo veel krijgt op zo’n korte tijd, niemand die zo dicht in het lichaam komt, niemand voor wie meer tijd wordt uitgetrokken, niemand naar wie stiller wordt geluisterd. Wat willen de sluipschutter, de roepende vader, de slaande jongen, de verkrachter? Is hun nood zo groot dat hun alles moet worden gegeven? Is hun kreet zo luid dat ze alles willen overstemmen?

Vreemd dit samengaan van aanraking en vernietiging, alsof het antwoord onverdraaglijk wordt.

Maar de aanraking vraagt afstand, de mooiste blik, die je het leven gaf, bracht tegelijk afstand mee, eenzaamheid, een nooit meer overgaand verlangen. Soms kijkt ze eens op, de liefde die je in gang heeft gezet, die je heeft uitverkoren, maar meestal is ze met anderen bezig, lijkt ze overal en nergens en liggen we verloren naar onszelf te staren.

Als kind wil je daar doorheen lopen, huil je, sla je desnoods. “Mama, neem me nog ‘ns vast als een baby”. Maar de mama gaat dood en alles wordt mama, aan alles wordt die vraag gesteld, met ogen die te groot geworden zijn.
Maar het leven is een hardnekkige leraar. In het loslaten, in het kijken, in het glimlachen om al dit bestaan, ligt de liefde. Wat met jou is gebeurd, aan anderen gunnen, aan al het andere. Voor alles die mooiste blik, al kan dat niet, al kun je niet van alles vader en moeder zijn, al drijf je soms maar als een stuk hout in de tijd.

Laten we zacht zijn, omdat alles bestaat, alles is gekneed, warm gehouden, schoon gelikt. Laten we zacht zijn, omdat alles hunkert en heimwee heeft, alles ogen heeft die gezien willen worden. Laten we spiegel zijn, omdat we niets meer  zijn dan dat, even stil en willoos, spiegel van het alles dat in ons leeft.

 

(West-Australië, outback-kerkhof in Coolgardie, leeggelopen goudzoekersstadje)


De commentaren zijn gesloten.