14-06-11

De Aanraking (84)

 

(We naderen het einde van dit boek. Nog zes te gaan, tot het ronde getal negentig. De aandachtige lezer van deze aanrakingen zal wel gemerkt hebben dat ze de loop van een jaar volgen, en we nu stilan in de winter zijn beland. Het is wit en leeg geworden, symbool voor verlies, en een ander soort winst...)

 

IMG_5064.JPG

 

 

84.   De behoefte aan wit

 

Wit is zichtbaar geworden leegte. Zoals de winterlucht die tussen de huizen en de bomen hangt, zo precies uitgesneden. Zoals de daken met de dunne sneeuw, zoals de witte lijn van de takken, zoals de mensen als er even licht op hen valt. Zoals ik aan je denk en je beeld alleen al mij warmte geeft, voldoende is om dit grote ogenblik te vullen. Je weet nooit hoe groot een ogenblik is, maar dit lijkt wel een groot ogenblik. Zo tastbaar heb ik je en heb ik je niet. Zo hevig kan afwezigheid zijn.

Misschien dat daarom de ogenblikken, opgejaagd als ze zijn door hun meester, leeglopen in onze gevoelens. En in de herinneringen, aangeklede gevoelens. Het is aan de mensen dat de tijd heeft gevraagd om alles te bewaren, een naam te geven, op te bergen. En dat doen ze, de mensen, in al hun onooglijkheid zitten ze opgestapeld vol flinters tijd, scherven die van de grote steen afsprongen en in hen achterbleven, etterend of glanzend, weemoedig makend of sterk. Bij sommigen woekeren die scherven als kanker, zwellen ze het leven weg, karikatuur van leven. Bij anderen gaat een schijnsel van licht door de huid, zoals een glimlach door een gezicht, steeds meer naarmate die huid dunner wordt, vlekkiger, brozer.

Iedere morgen, als hij wakker wordt, vraagt een mens zich af waar hij nu weer opgepakt en neergezet zal worden, en wat daarvan in zijn hoofd zal achterblijven als hij vannacht zijn ogen sluit. Het stroomt maar door, het leven, het is zo groot als de aarde onder je voeten, die je ook niet voelt bewegen, tenzij misschien in een of ander gelukkig moment dat niemand op de grenzen let.

Maar in die draaikolk heb ik jou gezien. En of je er nu bent of niet, ik hoef mijn hand maar op te tillen om je aan te raken, als ik door mijn haar strijk weet ik dat jij dat doet, ik hoef maar rond te kijken om je overal te zien.

Dunne sneeuw ligt op de daken en de straten te wachten tot het tijd is om te verdwijnen, de zon zet schijnwerpers op de dingen en de vormen, voorbijgangers glijden geruisloos voorbij, en ik houd alles wat van jou in mij is achtergebleven warm.

Zo’n winterdag toch: straks is hij weer voorbijgestapt, hij gaapt en trekt het deken weer over het hoofd. Morgen kan hij zich toch weer uitrekken. Maar stel dat ik je nooit meer zag: zou ik niet bleker en kaler worden, alle grenzen verliezen, wegstromen zonder dag en nacht? Ik weet het niet. De leegte is goed als alles er is, en je dat mag weten. Sneeuw is als een kind dat slaapt, van dat wezenloos stille dat je aangrijpt omdat het zo klein en duidelijk mag zijn, voor jou, nu, het leven dat nog zoveel zal groeien en grijpen en door de bocht gaan en slaan en keren. Straks doe je de deur open, hoor ik je stem, zie ik je eten, kijk ik hoe je hand zich op de wereld legt.

En toch, ooit moet er een vlakte zijn, een witte vlakte waar de sneeuw blijft liggen, en waar ik mij toch goed zal voelen, omdat alles er gebleven is.


Commentaren

Nog zes.
Guido, nog zes aanrakings zeis zoenen.
Het regeneratieve van sterven en leven.
In het kleine ligt het grote besloten.
En zo is er grootsheid in het kleine.
Slechts één aanraking kan een leven al ...

Heeft u zelf niet nog een extra exemplaar ergens?
Een 'Aanraking' gebonden, die u missen wilt?
Ik wacht nog op antwoord; ook van de uitgever.
Of men nog zielen autobiografeert.

Vriendelijk groetend,

Cor

Gepost door: Cor Beau | 14-06-11

Dat moet lukken, Cor.
Als je mij je emailadres bezorgt, dan doen we zaken...
Het mijne is: guido.vanhercke@telenet.be

Gepost door: Guido Vanhercke | 15-06-11

De commentaren zijn gesloten.