22-06-11

De Aanraking (88)

 

IMG_4165.JPG

 

88.    Wennen

 

Uit de nacht ontwaakt in een dag van zware motoren en groot debiet: de auto’s en hun tunnel van geluid, de zon met zijn lichtkanonnen, klaterende bromfietsen, twee deuren die om ter hardst slaan. Als de sluizen open zijn gezet, moet ik altijd even wennen.

Want in de nacht leef ik andere levens, loop ik door gangen en verdiepingen, hoor ik stemmen uit de honderd hoeken die de wereld rijk is, duiken mensen voor mij op en altijd leggen ze wel een of andere hand in mijn nek. En ik hol maar door, minder opgejaagd dan vroeger misschien, maar het blijven roerige tochten.

Soms lig ik op mijn rug, op mijn zij, op mijn rug, op mijn zij problemen op te lossen zoals je een puzzel ineen steekt en er ontbreken stukken. Of je staart op een formule en je kent niet genoeg wiskunde. Of je zit naar jezelf te kijken terwijl je dat doet.. Komaan, zeg ik dan tegen mijn hoofd, hou toch op, vertel een verhaaltje. En soms doet mijn hoofd dat ook. Ik heb een braaf hoofd.

En dan komt de dag met al zijn zintuigen, even luidruchtig als een luidruchtige vriend, even schaamteloos als een die nooit zijn voeten veegt, even spottend. Je hebt niet te kiezen bij zo’n dag: ofwel verweer je je, ofwel ga je stilletjes vluchten.

Maar vandaag blijf ik in gedachten verzonken. Altijd dat aanpassen. Die duivelse golven, nooit houden ze op. Als je verrast wordt, zoals door de kleuren van de dag of door de warmte ‘s nachts, dan wil een mens zich wel overgeven. Maar wat als de geliefde zich omdraait en weggaat, wat als het lichaam struikelt en valt, wat als ze je naam afroepen en je wegsturen. Er zijn van die momenten waarop de wereld een klauw in je nek legt. Je kunt er van weglopen, je loopt ze toch tegen het lijf.

Altijd weer dat aanpassen. Laten we doen alsof het leven gewoon is, heel eenvoudige woorden en gebaren, laten we eten en drinken en groeten, ook als we ‘s morgens wakker worden en iemand heeft ons aangeklaagd, ook als de koude aan onze voeten begint en niet aflaat. Een soort stevig, onversierd gebinte, dat niet de illusie heeft dat het de ruimte zelf moet aankleden, maar voldoende onderdak biedt voor weer een storm of een wat hardere wind.

Het is een oude les, altijd weer wakker worden, altijd weer je kleren aantrekken, altijd weer de spieren van hersenen en lichaam op gang duwen. We zitten lang op de schoolbanken, misschien ons leven lang. De moed van levende mensen.

Maar wat als plots de diepten open gaan in onszelf en we mensen doodrijden om niet, jonge en oude vrouwen uit de straten schieten omdat anderen het ook doen, wat als we ons laten ophitsen en zelf ophitsen, als de waarheid ons zegt: sla, en we slaan, wat als we verslaafd zijn aan de levende dood, zoals het lichaam hem zichtbaar kan maken, bevende bleke angstige stukken dood, in ons of in al die andere lichamen waaruit wij hem willen zuigen?

 Of gebeurt dat zo niet? Toch niet met mij? Met anderen misschien, niet met mij? Zo donker ben ik niet?

Misschien moeten we daarom alleen al wennen en leren, leren afstaan en vrijwillig meegaan, leren dankbaar zijn om wat we krijgen en niet hopen op wat we niet krijgen, om zo licht te worden dat we blijven drijven, wat er ook gebeurt, om niet zo angstig te worden dat we slaan en schoppen om lucht, om niet zo dicht en zwaar te worden dat we niet eens meer zien hoeveel leven er nog over is, buiten ons.

Licht en zwijgzaam, dansend met de tijd.


IMG_4267.JPG

De commentaren zijn gesloten.