09-09-11

Zij (Richard Minne, 1891-1965)

IMG_4398.JPG

 

Een van mijn dierbare gedichten, van een kleine grote dichter, die om zijn depressiviteit te bekampen boer werd in Sint Martens-Latem (nu zou dat niet meer kunnen...). Het is vooral die "innerlijke gloed" waar ik van hou, en ik herken er ook een bepaalde afkeer in tegen leven-verguld-op-snee, dat zoveel ruimte inneemt.

En ook raakt mij telkens weer dat woordje "moe", op het eind. Zo is leven: er is vriendschap, maar ook veel moeheid...

 

Zij

 

Zij, de mensen die waarde

hebben in dit leven, innerlijke gloed,

zij lopen verspreid over deze aarde

en dragen een goedkope hoed.

 

Zij wandelen deftig en stil

en schuiven langs de huizen

en luisteren, liefst in de herfst,

naar de populieren die suizen.

 

Zij nemen geen ruimte in

gelijk zij die verguld zijn op snee,

en als de tram gevuld is

is hun plaats op de tree.

 

Gisteren nog leidde ik zo iemand

naar ‘t station. Het was

een avond vol mist en vroege kou.

Mijn vriend was moe en had een ticket 3de klas.

 

 

Commentaren

Tja, Guido,

mensjes van 3de klas. Ik heb ze nog gekend,
de houten wagons. Er liep een spoorweg door mijn dorp.
Met trage koeien en zingende sporen.

"en ik herken er ook een bepaalde afkeer in tegen leven-verguld-op-snee, dat zoveel ruimte inneemt."

En dicht bij mij, woont een dochter met drie kindjes en anderhalve slaapkamer.
En ik ken de moeheid in m'n hoofd.

Maar met dat soort uitspraken heb ik het altijd wat moeilijk.
Ik denk terug aan 'Het verkoolde alfabet' waarin PdW er zich over beklaagt
dat Spanje 'vernietigd' was door de 'toeristen'. Verkwanseld door de commercie.
De lamentatie van de elite.

Tja, zegt de ene reiziger tegen de andere: 'toch spijtig dat er hier zovele toeristen zijn'.

Groeten van een 'roerloze reiziger'.
En jawel, ik voel me thuis in dat gedicht.

Gepost door: Uvi | 09-09-11

Je hebt gelijk, Uvi, dat dergelijke uitspraken soms raken aan het gemakkelijke klagen. Een mens moet zich daarvoor hoeden.

Maar ik troost mij met het besef dat die uithaal in de derde strofe niet het belangrijkste is in het gedicht: het gaat om die vriendschap, en om de moeheid, in lichaam en hoofd.
Bij het eerste past meegaan naar het station, bij het tweede nakijken en de pijn voelen van wat telkens toch ook afscheid is.

Gepost door: Guido Vanhercke | 09-09-11

De commentaren zijn gesloten.