07-10-11

Mijn wonderen: elektrische gitaar...

JIMI-HENDRIX4.jpg

 

Mijn wonderen: elektrische gitaar...

 

Waar ik die liefde voor de elektrische gitaar heb opgedaan, weet ik niet meer. Het is ook geen ziekte, natuurlijk, maar een speciale gevoelige plek die onmiddellijk reageert als ze wordt aangeraakt. Veel hoeft dat niet te zijn, een beetje van dat scherpe en toch ronde elektrische geluid is al voldoende om mij een soortement geluksgevoel te geven. Het gaat zo simpel als ik het hier zeg. Full contact.

Er is iets aan dat geluid dat mij mateloos fascineert. Dat je subtiel en toch ruw kunt zijn tegelijk. Beschaafd en buiten zinnen. Beheerst en toch dronken. Hogeschool en het lawaai van kroeg en sigarettenrook. Vingervirtuositeit en het schuren van een lege bierfles.

In deze is er geen enkel instrument dat zo opvallend een tijdsgeest samenvat: hoe na de tweede grote oorlog maatschappelijke klassen hun scheidingen verloren, en cultuur als eeuwig jong kind daar onmiddellijk van profiteerde. Als onderklassekind ging spelen met de rijke leeftijdsgenootjes van de straat. Als keurig opgevoede jongemens ontdekte dat er nog opvoedingen zijn, en dat je er heel andere dingen in kunt zeggen, bijvoorbeeld schreeuwen op hoog niveau, over het lichaam spreken waar het bij staat, of over de macht. De elektrische gitaar symboliseert voor mij het definitief ontwricht raken van de oude cultuur van voor de oorlog. De “eigenaars” van de ene waarheid hadden gehoopt, zelfs na die wereldbrand, voort te kunnen doen alsof er niets gebeurd was, de wereld verder te laten boeren zoals altijd: iedereen of zijn of haar plaats, de waarheid van kerk en staat onbeweeglijk in het midden.

Maar zo is het niet meer gegaan. Zeker in de jaren 60 van de vorige eeuw gierde het felle, nieuwe geluid onbevreesd en uitdagend en vooral biezonder nieuwsgierig door de opengegooide ruimtes, even fel als Jimi Hendrix die God bless America jankt, op het einde van de film Woodstock, terwijl de camera zwenkt over een leeggelopen, met afval bezaaid festivalterrein. Veelzeggender kan het niet.

Niet toevallig is Dylan op een bepaald moment ook elektrisch gaan spelen, tot woede van de die-hard fans die hem folk zagen verloochenen, alsof de oude Mississipi-bluesmannen niet al zo lang hun gitaren elektrisch hadden laten vloeken. Of verlangen. Of beide. Een elektrische gitaar kan dat.

Maar die gitaar kan nog meer. Muziek heeft altijd iets met het lichaam gehad, maar geen instrument dat zo een mensenlichaam kan opzwepen als die versterkte klanken. Dit is geen overgeleverd dansen meer, maar een ter plekke beleefde grenzenloosheid, een windvlaag die door je spieren trekt, tot op het niveau dat alleen adem en bloed kennen, het eerste bestaan. Een elektrische gitaar leert het lichaam, zo, direct, zonder uitleg, dat het lichaam overvloed van energie is, van levenskracht, van intensiteit. Wat kun je meer opspannen dan een lichaam, wat kun je heviger loslaten dan een lichaam, wat kun je vloeibaarder maken dan een lichaam.

Hier raak je aan een vrijheid die je nooit vermoed had. Puur ritme kan een mens dus bijna worden. Die droom heeft dansen altijd al gekoesterd, maar in dit door elektrische geluiden opgejaagde dansen lijken alle grenzen te moeten, en te kunnen, wegvallen. Zo hevig is die vrijheidsdroom geworden, dat ze slechts in trance kan worden beleefd, in totale overgave, die paradoxaal genoeg ervaren wordt als totale vrijheid.

Ik weet dat pure elektronica voor miljoenen de rol van de elektrisch gitaar heeft overgenomen. Zelf vind ik dat soms een verlies, omdat een gitaar toch een stem was, een stem die tot je spreekt, lacht en schreit, een stem met veel adem, die toch ademloos kon worden. Die menselijkheid van verlangen en verdriet hoor ik niet meer in de techno. Ik hoor enkel een machinaal lichaam, een hart dat slaat, bloed dat zijn bochten neemt, zenuwen die samentrekken. Maar zonder reden, zonder de tragiek en vreugde van mensenbestaan, zomaar, omdat beweging er nu eenmaal is en zwaar aangejaagd kan worden.

Maar ook ik ben kind van mijn tijd, en ik gun al die jonge lijven hun pure naaktheid, hun ritueel van collectieve versmelting, hun opgestookte grote warmte. Muziek is van iedereen, en van alle tijden, en ieder moet er maar op tijd en stond zijn wereldbeeld in ontdekken en mee uitdrukken. Ik keer terug naar de vrijgevochten mond die ik zo vaak hoor als een elektrische gitaar spreekt. De B.B. King die ik onlangs zag optreden, was de tachtig ver voorbij, was een oudgeworden gentleman, maar zijn gitaar had nog de katoenvelden van de slavernij gekend, en dat hoorde je. Johny Cashs stem was op zichzelf al een gitaar, zeker als hij in San Quentin het Amerikaanse gevangenissyteem verwenst, maar ook als hij, bevend en breekbaar ziek, zijn hoop op een eeuwige redding zingt, met die gitaar die bij hem was. En ik was 18 en hoorde Pete Townsend van The Who in zijn musical Tommy roepen: see me, hear me, touch me, feel me. En ik was het die riep, alleen op mijn studentenkamertje, met dezelfde lichamelijke intensiteit.

Er zijn er nog die versterkte gitaren in hun stem hebben: als ik in John Sheppards In media vita de sopranen hoor stijgen en reiken, zo fel en zo onmogelijk, dan hoor ik diezelfde kracht die uitersten verenigt, en in je lichaam legt. Ik hoor het in het Requiem van Mozart, in Verklärte Nacht van Schönberg, in de Klaagzangen van Gorecki, in de stem en Arabische luit (de ud) van Dhafer Youssef, in de stem van Dylan Thomas als hij zelf zijn gedichten voordraagt, in het Salve Regina waarmee de monniken hun dag loslaten, in Brel en Leo Ferré, in Glenn Goulds bezeten pianospel, in Nina Simone en Aretha Franklin, in zoveel wat toevallig voorbijkomt op de radio en weer verdwijnt in het niets, alleen een vage herkenning nalatend...