29-10-11

Mijn wonderen: vriendschap...

IMG_4221.JPG

 

Mijn wonderen: vriendschap...

 

 Montaigne probeert in een van zijn essays (“Over vriendschap”) een verklaring te geven voor zijn bloedbroedervriendschap met Etienne de la Boétie. Hij maakt het onderscheid tussen minnen en vriendschap, tussen gewone alledaagse vriendschappen en vriendschappen die als uitzonderlijk aanvoelen. En in een ultieme poging om die hele diepe genegenheid en verbondenheid te begrijpen (toch de bedoeling van zijn essays) schrijft hij de beroemd geworden woorden: “Als ik zou moeten zeggen waarom ik hem liefhad, dan heb ik daar geen antwoord op. Parce que c’était lui. Parce que c’était moi.”

Is vriendschap dan van zo’n eenvoud dat er niets meer over te zeggen valt? Er valt veel meer over te zeggen, bij elke vriendschap opnieuw. Maar wat bij elke vriendschap zich voltrekt, is de ervaring dat de wereld zich geeft, op een manier die misschien nooit zuiverder is geweest. Vriendschap is, naast het eigen leven, de meest directe gave van het bestaan. Oordeelvrij, veroordeelvrij, zet ander bestaan een stap naderbij en biedt zichzelf aan als gave. Er zullen daar wel karakter- en interessegelijkenissen in meespelen, maar dat is denken achteraf, op het moment zelf “klikt” het eenvoudigweg. Ik heb het meer gehoord: je ontmoet iemand, en het lijkt alsof je elkaar al 20 jaar kent, zo vanzelfsprekend gaat het gesprek, zo juist is het verstaan, zo eenvoudig is het krijgen. Alsof een vriendschap al bezig is voor ze begint. 

Ook bij kinderen, en ook in de liefde, geeft leven zich totaal. Maar hier speelt het lichaam een hoofdrol. Een lichaam kan toveren en betoveren, dat weten we. Twee lichamen maken een nieuw jong lichaampje. Een lichaam ziet een ander en wordt overvallen door een hunkering om ook daarin te gaan wonen, op zo’n overweldigende manier dat de rest van de wereld niet meer bestaat. De eerste tover is de sterkste: dat tastbare, zichtbare kind wordt niet meer ongedaan gemaakt als bestaan; zo diep is dat weggeven dat ouders en kinderen hun leven ouders en kinderen blijven, al zijn ze zoveel anders erbij geworden. 

Liefde is wankeler, is een toneel met decor en muziek, speelt met dromen als nieuw speelgoed, is gevoelig voor de hand van de tijd, geneest soms moeizaam van eigen blindheid. Daarom, denk ik, moet vriendschap meedoen. De enige duurzaamheid voor liefde is als ze, naast het spel van twee lichamen, ook een soort vriendschap wordt zoals Montaigne die beschrijft: dat hij of zij het is, dat ik het ben... Die verwondering om een gegeven wonder, die intensiteit van een nabije gegevenheid. Zoals je in de wereld je eigen ruimte inneemt (het liefst wat leeg en opgeruimd, dat het niet knelt), zo biedt een vriend je een andere ruimte aan, een holte waarin je kan stromen zonder jezelf te verliezen. In ons mensen zit dat verlangen om groter te worden dan onszelf, om andere levens te leiden, al is het tijdelijk zoals inleving in toneel of film of muziek. Maar vriendschap heeft dat merkwaardige evenwicht bereikt, dat de ene mens zich verdubbeld voelt in een ander, zonder de spanning of de catharsis van andere versmeltingen. Vriendschap heeft het unieke talent om wel te versmelten en ook weer niet echt te versmelten. Twee lichamen bij elkaar, in wat toch een groter lichaam kan worden genoemd. 

Maar net hier wordt vriendschap ongrijpbaar, onverwoordbaar: hoe komt het dat vriendschap, na jaren scheiding, bij de volgende ontmoeting weer verder kan doen alsof er geen scheiding is geweest? Liefde zou dat nauwelijks overleven, vriendschap wel. Net in vriendschap ligt het ideaal van gedeeld leven: je leeft zo dicht bij een ander, en je blijft zo mooi jezelf. “Omdat hij het was, omdat ik het was”.  Misschien dat daarom Montaigne in de loop van zijn essay schrijft dat vriendschap met vrouwen niet echt kan. Er zit teveel ruis tussen: verlangen naar kinderen, en dat dromende, zelf ook verlangende lichaam. (Niet kunnen is teveel gezegd, vind ik, maar het is wel complicerend materiaal). 

Maar net daarom moet vriendschap de liefde redden: maatje worden van je geliefde. Haar lichaam is een wonder, maar ook de vanzelfsprekendheid dat ze er is en je kunt overlopen in haar kijken en luisteren zonder dat het hapert of pijn doet. Leven kan zichzelf zo breed en zo goed geven, dat leert ons vriendschap. Er zit begrijpen in, en warmte misschien, maar ook de lach waarmee je op café je rug en een glas deelt, en genieten, en een vloeibaarheid waar geen tijd tegenop kan. Het kan een goed gesprek zijn, dat verrast omkijkt naar de weg die is afgelegd, of de glimlach die weet dat ze glimlacht “omdat hij het is” die daar foetert en tekeergaat. Het kan zelfs het weten zijn dat je vriend bestaat, ergens rondloopt, en vanuit die warme herinnering even opkijken naar dat ergens.

Leven kan zichzelf zo breed en zo goed geven, maar toch nergens zo goed en zo breed als in vriendschap: het wonder dat het ene bestaan het zo goed kan stellen met een ander bestaan, alsof ze voor elkaar waren gemaakt...

Commentaren

Het was 1973. En avond.
Ze stonden langs de weg, een duim opgestoken.
En ze kwamen van Polen.

Vreemdelingen.

We namen ze mee in onze eerste wagen. Een rode kever.
Reden naar het Begijnhof. Haalden gebraden kip, later.
En nog later... praten. En praten. Etcetera.

We werden geen vrienden.

En toen kwamen veertien dagen geleden
de Poolse verkiezingen.
En ik was zijn naam niet vergeten.
En ik vroeg aan Google hem te zoeken.

En Google ziet en weet alles.

Ik schreef hem een mail.
En na een uurtje al antwoorden. Meervoud.
Voor alle veiligheid, vermoed ik. Of van ongeduld.

Hij is nu een professor aan de universiteit van Oregon.
And so on. And so on.
Hij wist mijn woorden van toen nog letterlijk te citeren...
En of ik naar Oregon kwam ...

Maar hoe had ik hem toch gevonden?

Gepost door: Uvi | 29-10-11

Mooi...

Gepost door: Guido | 29-10-11

De commentaren zijn gesloten.