20-12-11

Inleiding op de geliefde (17): Dat jij er bent...

IMG_3602.JPG

 

Inleiding op de geliefde (17): dat jij er bent...

 

Dat jij er bent...

Dat besef is iets anders dan weten dat je in het huis bent, dat je de was doet of de rekeningen klasseert. Is zelfs iets anders dan je zien, bijvoorbeeld als ik opkijk aan tafel, of als je je hoofd om de deur steekt, haren nat, wangen in bloei, nog wat opgewonden van weer een bezoek aan de wereld. Is zelfs iets anders dan je schouders masseren, of praten in het donker in bed. 

Om bij dat bed te blijven: het is zoals de man die ‘s morgens wakker wordt, merkt dat zijn hand aan de lege kant van het bed ligt en volkomen overweldigd wordt door het verdriet dat hij daar voelt. Een verdriet zo groot als het lichaam dat er ooit was, en dat hij nu niet meer vinden kan. 

Dat jij er bent gaat daarover: over die eindeloze leegten die er ook rond jou liggen, en die mij angst aanjagen, diep vanbinnen. Laat mij iets om naar te kijken, om naar te luisteren, om aan te voelen, om mee te ademen. Het mag klein zijn, groot of klein is geen categorie in die scheiding tussen zijn en niet meer zijn. Iets om het lichaam vanzelf te laten weten dat het goed is, en dat het verder kan doen met wat het op dat moment aan het doen is. 

Dat jij er bent: dat duizelige besef dat jij er ook niet kunt zijn, nu, terwijl mijn ogen je zoeken en vinden. Dat er verten tussen ons kunnen komen, die ik niet meer doorkruisen kan. Dat je lichaam ook iets is dat niet kan bestaan, afwezigheid is, hoewel het daarom niet minder groot zal zijn, en dichtbij, hoop ik. 

Ach wat een ijle hoop. In een lichaam zijn wij gedragen, lichamen pakten ons op toen we geboren werden, wreven ons warm, begrepen ons als we huilden. Zo leerden we bestaan te herkennen, te vertrouwen, ons er aan over te geven. Maar welke handen heeft afwezigheid? Hoe moeten we daar vertrouwen leren? 

Dat jij er bent: ik word er stil van, van die kostbaarheid die ademt en beweegt onder mijn ogen. Zo is het goed, natuurlijk: ik kan je zichtbare, tastbare bestaan niet genoeg eer geven, en die grote leegte er rondom leert het mij, telkens weer. We worden experten in dure geschenken, denk ik er glimlachend bij, terwijl ik met voorzichtige handschoenen ook dit moment weer wegberg. 

Is voorzichtigheid genoeg? Is dit besef van kostbaarheid genoeg? Is het voldoende de onmetelijkheid rond je te zien om meer te kunnen bewaren? 

Jij zult melancholisch worden van deze woorden, ik weet het nu al. Onder en rond je bestaan wacht een soort eenzaamheid waar je bang voor bent. En dan kijk je weg, met een koppige beweging van je haar, en ga je weer aan het werk. Weer is er iets anders dat ook bewaard moet worden. Zo’n tuin bijvoorbeeld, of dat boek dat schreeuwt om aandacht, of het toevallige gesprek in winkel en op straat (mensen voelen dat, dat jij die vlugge beweging in je hebt om weer iets goed te leggen). 

Melancholisch dus. Maar ik heb bijgelovige woorden waarin ik geloof.  Al deze woorden samen, dat is mijn kleine credo, houden ons in leven. Woorden rondom ons, in plaats van de vernietiging. Verhalen rondom ons, dat grotere bestaan, dat we delen mogen. Die grote zichtbaarheid rondom ons, die ons behoedt voor de totale eenzaamheid: luchten, huizen, bomen, dieren. En mensen, zoveel aanwezigheden die ook datzelfde geheim meedragen, soms met pijn op hun gezicht. Maar ook in staat zijn het leven door te geven: kinderen, woorden, inzicht dat zo helder werd dat het als lucht ingeademd kon worden, om van te bestaan. 

Dat wij er zijn...: het is een besef dat ons nooit verlaat, al hebben we het druk met dammen en muren te bouwen om de afwezigheid buiten te houden. Net dat troost mij: die grenzeloze inspanning, die wil om te bewaren. “Ik sta op de berg en kijk in het dal der plichten” schreef Nescio in 1922. En hij eindigde zijn kleine stukje met: “En ik jank als een hond in de nacht.” Dat is jouw melancholie, maar nog wat zwarter, doordat ze opgeschreven staat, vastgelegd is. Maar ik verzet mij tegen de melancholie, ik gooi woorden op als een sjamaan, ik bezweer door ze met elkaar te laten klinken, ik hoop op muziek, omdat die klank kan toveren. Ook leegte, maar leegte om mee tespelen, leegte die onverwacht betekenis vindt. Misschien zijn mijn woorden ook maar kleine riedeltjes, melodietjes te ijl en te zwak voor de grote kou. Maar toch, de merel heeft ook geen schrik voor de grote  avondval. Ik wil ons zingen, ik wil bestaan zingen, en of dit ambitieus is of belachelijk, ik wil geloven dat niets tevergeefs is. Is geweest.


(foto: graf in Mont devant Sassey, Maasvallei, Fr)


IMG_3603.JPG


IMG_3609.JPG

Commentaren

"Dat jij er bent gaat daarover: over die eindeloze leegten die er ook rond jou liggen, en die ik nooit zal kennen, ook niet als ze je hebben opgeslokt, meegenomen in het niets. Ik kan niet leven met het niets: er moet iets zijn om naar te kijken, om naar te luisteren, om aan te voelen, om mee te ademen. "


Dag Guido,

en dan zijn het deze zinnen die mij intrigeren.
Lees ik wel wat er staat? Of staat er niet wat ik lees?

Wordt het niets vervangen? Geplagieerd door het schrift.
Een substituut voor gemis en verlangen, voor het niets?

Ik weet het niet.
'Eindeloze leegten die ik nooit zal kennen'.

Of schrijf jij tegen het niets?
'Een rebellie tegen het vergeten?'
(Connie Palmen).


Wuif het grijs weg opdat het blauw je zou omarmen.
Dag Guido.


PS.
Ik voel me als een olifant in een porseleinenwinkel.
P-lomp verloren. Sorry.

Gepost door: Uvi | 20-12-11

Door je scherp lezen (eerder een voorzichtig stappen dan lomp baggeren...) besef ik zelf ook scherper hoe onmachtig mijn klein geroep is en blijft. De leegten slokken toch op, of zullen dat doen.
Grote woorden als "niets" gebruiken, helpt daarbij niet...
Het is rebellie, dat ook. Misschien vooral dat.
Maar ook die is meer gebaat met de beschrijving van haar hand bvb, dan met gegoochel met nietsen...

Thx, ik doe een poging tot "verkleining"...

gegroet lezer

Gepost door: Guido | 21-12-11

De commentaren zijn gesloten.