06-02-12

Bruegels winter

 IMG_4883-1.JPG

 

Bruegels winter

 

Bruegels winter in een houten raam

versteven, wit en zwart scherp bijeen.

In de verte hoor ik kinderstemmen

slaan, geborgen in hun verleden.

 

Ze komen over oude dunne sporen

aangewaaid, ik sta op en luister

aan dit landschap, het ligt open,

er is zoveel te horen.

 

Bruegels kinderen en zijn boeren

met hun hazenhart tussen geus

en paap, tussen de vijand en

hun stugge land verloren.

 

Bruegels ijs en uitgesneden

dorpen waar de kermis hoogtij viert,

gevloek, gescharrel achter hagen

en eenzaamheid niet meer vermeden

 

want de jagers komen en de vele

stramme jaren, hokkend bij de haard,

de voeten bij elkaar gebonden,

luisterend of de zoon niet wederkeert.

 

Maar de zoon wast zich het land niet af.

Hij loopt en leeft en wordt, schijnt het,

nog telkens weer zo fel geboren.

Maar in zijn hart is hij geleerd

 

te zwijgen tot alles toch weer

liggen gaat, niet te kermen

als de ruimte vol loopt

levensgroot met water, te wachten

 

in zijn blik, te ondergaan met

harde nek en dichte mond.

De zoon leeft van zijn plicht.

Hij slaapt in met zijn verlangen.

 

Het is hem vaak genoeg gezegd dat hij

gezond moest leven en zijn hart

bewaren. Maar de zee, de lucht

en het land zullen hem niet verklaren.

 

Bruegels winter in het houten raam,

er vallen schoten en de honden huilen,

de kinderen zijn verdwenen ongemerkt

en in de leegte zullen klokken luiden

 

over het binnenste van de blik,

de rechtstaande vrees waarheen te

moeten gaan en weer te moeten spreken

voor belangen mij ooit aangedaan.

 


(Dit is een oud gedicht, geschreven toen ik dertig en meer jaren jonger was. Zoon nog, van een zwijgend land, en oude ouders... Maar nu de sneeuw in het land is, en de oude koude, mag ik terugkeren naar vroeger. Nu uit nostalgie, en dwang van het geheugen...)

 

De commentaren zijn gesloten.