28-03-12

Mijn wonderen: nacht...

IMG_4293.JPG

Mijn wonderen: nacht...

 

Een nachtloper ben ik niet. Niet een schuinsmarcheerder die onzichtbaar wil blijven, niet een dronken stratenlaller, niet een vandaal die van losgeschopte autospiegels houdt, niet geboefte dat voelt of ramen open kunnen, niets van dat alles. 

Maar ik heb genoeg in de nacht gelopen om te weten hoe vreemd de wereld dan geworden is. Zo zonder dimensies, bijeengehouden door lichtvlekken, met daartussen donker dat nu eens zacht is als een hand over je huid, dan weer als een vuist tegen je hoofd. 

Er is een andere wereld gaande als het nacht is: een die veel en veel ouder lijkt, een voorwereldlijk dier dat breed en diep adem haalt, je kunt het horen als je even wil stilstaan en luisteren buiten jezelf. Een dat nog weet heeft van de vorming van de continenten, van ijstijden en woestijnen, van een wereld zonder mensen, zonder taal. 

Soms kan je daarom dan een andere angst overvallen, ook een die veel ouder is, een prehistorische angst waarin legers en ondieren huilen, waarin voorouders stierven. Dan alleen door een lege straat moeten, is niet gezond. Liever thuis op dat moment, hoogstens overvallen door een kleine rilling als je opstaat en door het raam kijkt. 

Sommigen bezweren de duisternis door net dan in het licht te gaan zitten. Zo vervult het café zijn kleine maar ondoorgrondelijke ritueel: op een barkruk alcohol en gezichten en licht drinken, met in je rug het oude donker dat niets zegt, is misschien verdoving maar evengoed een vorm van uitdagen. Want in de nacht slapen mensen. Ze leggen zich neer bij het veralgemeende vergeten, zij geven toe dat ook zij moeten en zullen vergeten en vergeten worden, en die kleinheid verschaft hen rust. Geen hybris kan tegen de nacht op, tegen de wetenschap dat alles overgaat, moet overgaan, hoe groot het ook is. Hoogstens is er de belofte van een volgende dag, bij de Azteken door een mensenoffer, bij de kleine kinderen door een zoen en een aai van vader en moeder. 

In de nacht staan de monniken op, maar dat is omdat ze de dag willen verwelkomen, met zijn vele leven.

In de nacht blaffen soms de honden, maar dat is omdat ze een opdracht hebben, die ze nooit vergeten, ook dan niet.

In de nacht kraakt soms het huis, maar dat zijn restjes spanning van overdag, of dat zijn opgetrokken schouders tegen de grote wind buiten, of dat is het zuchten van huizen in hun slaap.

In de nacht lopen de dromen vrij rond, even schuw, even lief en even oneerbaar soms als de levenden.

In de nacht waken mensen over anderen mensen, ze laten lichten aan in gangen, ze luisteren en staan op tegelijk, ze leggen een dekentje goed of geven een pil of nemen een hand vast die koud werd. Het zijn kleine, bijna vergeten daden geworden, klein bijgelicht, klein uitgevoerd en bewaard, te midden van een immensiteit van niet bestaan. Het is geloof in dat grote lichaam dat ons in het leven hielp, en dat ’s nachts kwetsbaarder lijkt, en is, dan overdag, meer pijn kan doen, en dat we allemaal, samen, naar morgen moeten dragen.

In de nacht worden kinderen geboren. Dan krijgen ze warmte en doeken.

In de nacht sterven mensen. Dan worden ze toch al goedgelegd, opgebaard voor wie komt groeten, zal schrikken van zoveel stilte. 

Maar de nacht is ook het grote verbergen. Van kwade machten. Het is kwalijk volk waar je ’s nachts mee in contact komt, zegt een buurman, roddelend over een andere buurman. Het is de angst van wie zijn deur twee keer sluit: overgeleverd te zijn, alleen, aan wat normaal maar een droom blijkt. Misschien is een mens daarom niet gemaakt om alleen te slapen. 

En de nacht is ook de plek voor wie het leven wil vergeten, of nog een een keer wil leven, anders, heviger, met een smaak die bedwelmt. Het is goed je daar geregeld aan over te geven, het is het verlangen dat ook in kunst naar boven komt. Maar sommigen worden daar verslaafd aan, omdat ze het gewone leven niet aankunnen, of te gewoon vinden en er de diepgang niet van kennen, of omdat de nacht alleen doorbrengen te dicht op de huid komt, of...  Zo donker als de nacht is, zo is ze dan zware drank die dronken maakt en een ander lichaam en een andere kop te voorschijn tovert. Want alleen wakker liggen ’s nachts, dan is het donker geen bedwelmende drank, maar levend geworden negatie: nee, er is niets in dit leven, nee dit bestaan is een leugen die toch niet nalaat pijn te doen, alsof negatie niet gewoon kan bestaan, maar een sadistisch spelletje moet worden van... ja van wie, van niemand.

Laat het lichtje branden in de gang, zegt het kind.                                                                   

Lees mij een verhaaltje voor, dat ik weet dat de wereld verder gaat, in de boeken, in mijn hoofd, in mijn dromen, in de stem van mijn vader en moeder.      

Geef mij een nachtzoen, dat ik weet dat alles mij blijft aanraken, ook als het er niet meer is. 

Stop mij goed onder, dat mijn lichaam weet dat het veel groter is dan dit kleine dat nu moet slapen en vertrouwen. 

Laat mij nooit alleen, ook niet als je ver weg bent, ook niet als je er niet meer bent.

 

Commentaren

En dan is er gelukkig weer de ochtend.
De de nacht als een laken van zich wegslaat.
En staat de dag daar, nog in z'n pyjama.

Nog een zonnige dag, Guido.

Gepost door: Uvi | 28-03-12

Jij ook, Uvi.
Met aan je hand licht, woord en lichamen.

Gepost door: guido | 28-03-12

De commentaren zijn gesloten.