05-04-12

Mijn wonderen: morgen...

IMG_3162-001.JPG

Mijn wonderen: morgen...

 

Vanmorgen hing de hemel bordeauxrood boven de huizen. Er waren andere kleuren in, er was over nagedacht blijkbaar. Het geheel was te groot om in te lijsten maar verrassend genoeg om te onthouden. 

Dat heb je vaker met morgenden: dat ze je verrassen. Niet alleen omdat er toneelgordijnen opengaan (daar moeten avonden niet voor onderdoen), maar omdat nieuw zijn zo nieuw is. Dat is elke keer weer een aanraking die je even verwart, zoals wanneer iemand een hand op je arm legt, of op je schouder. Je weet wat er gebeurt, onbekend is het niet wat er gebeurt, en toch is het zo onverwacht blijmakend nieuw elke keer. 

Zo is het ook met de morgen. Het lijkt wel of het licht frisser is ’s morgens, of de uren verser zijn, de mogelijkheden ook, of wat er is meer aanwezig is tussen al het andere dat er ook is. Het lijkt wel of het licht anders glanst. Ik zal niet zeggen helderder, want dat lijkt zo clean en afgestoft. Maar misschien jonger, zoals kinderen glanzen in hun jonge huid, en bladeren als ze uitkomen in de lente. 

Het lijkt ook of een morgen nog niet echt moet, nog kan kiezen, nog wat kan aanlummelen zoals een snotneus bij zijn maten en hun brommers. Het lijkt of de morgen geen grenzen heeft, doorloopt tot einders. Hoewel je in de avond veel verder kijkt, als alles is gaan liggen, lijkt zo’n morgen toch van overal te kijken, alleen maar om hier even bij jou en al de rest te wachten. 

Dat is dus wat we met een woord beginnen noemen. Nog zo’n woord dat wel z’n best doet, maar niet in staat is de vreemde totaliteit van die ervaring weer te geven, bewegend en stilstaand tegelijk. 

Het mooist zie je beginnen in de stad. Stap of fiets in de morgen door de stad, en je ziet heel langzaam een groot lichaam wakker worden en zich uitrekken: hoe daar een raam opengaat, een vrachtwagen toekomt en parkeert, twee schoolkinderen voorbij fietsen met achter hen hun stemmen, de schaduw van een straat bovenaan lichter van kleur wordt, vogels onzichtbaar klapperen, een uitstalraam zich vult met daglicht... Er is geen beschrijven aan, daarvoor is alles wat gebeurt te onverwacht, te nieuw want niet voorzien, nog los van moeten, en toch al wijzend op redenen en oorzaken en noodwendigheden. Alles zal wel ergens te maken hebben met de rest, als in het lichaam van mensen, maar op een grotere schaal. Maar toch, even dichtbij als je eigen wakker wordende lichaam, even traag van bewustzijn, alsof elke dag zich weer moet inpluggen in een groter bewustzijn. En dan zijn ze daar, degenen die ingeplugd hebben: ze stappen anders, ze weten weer waarom, nu is het een beslissing die hen leidt, niet het lome van zich uitrekken en nog niet moeten. Auto’s zijn daar makkelijker in, die nemen beslissingen voor hun baas en gaan er dan vandoor als jonge honden. Net als lichten in winkels en winkelramen. Alsof het nieuwe van een dag maar een vingerknip groot is, de beslissing om weer geld te verdienen, het aanzetten van de kassa. 

Maar in het donkere studiootje kwetst het beetje licht dat binnen kan, zich aan de onopgeruimde keuken. Er ligt een lichaam dat niet wakker wil, de slaap niet wil loslaten, dat van geen begin meer wil weten. Het is een jong lichaam dat hier ligt, en de dingen willen wel wachten maar ook niet eindeloos. Ze worden dof, lijkt het wel. Zelfs al is het morgen en rolt overal rondom begin door de straten en de huizen. Alleen hier, in deze weggezakte doos, niet. Hier moet de nacht duren, met de gordijnen dicht. De lucht zucht. Het licht stolt. Als ze niet opletten, is de morgen voorbij. 

Maar het licht laat de jongen niet met rust. Het licht poogt zich steeds meer door de zware gordijnen te wurmen, de auto’s claxonneren net iets luider voor hem, de liften hummen dieper, de verse etensgeuren kruipen onder de deur binnen. Maar hij weet het niet. Misschien wil hij niet meer herbeginnen, want begin, hoe vreemd het nieuwe van het begin ook is, neemt toch alles mee van voordien. Dat is de wijsheid van zo’n morgen. Maar ook de last, voor wie niet meer wil. Nooit, of bijna nooit, is er begin zoals op de eerste scheppingsdag (en zelfs daar waren er al duisternis en ruimte en nog meer). De grote kunst van zo’n morgen is dat hij opgaat over kind en kraai, dak en straat, dossiers en boeken in rust, auto’s die grommen en auto’s die nog slapen, hoge schaduwen en lage, fabrieken en volkstuintjes, reclameborden en versleten kranten, windvlagen en plassen, wolken en vlinders, silhouetten van steden en van mieren, wijsheid en domheid, angst en stil genot, sterven en geboren worden van toch weer hetzelfde lichaam. Alles is begin in de morgen, zo totaal weer gegeven, maar het is ook alles. En soms wil een mens dat grote alles niet meer zien. Wil een mens zich oprollen, zich afkeren en dichtvouwen, dat al dit grote alles er niet meer is, of toch minder. Zelfs een jonge dag kan daar niets aan doen dan wachten. Zich inhouden, de donkerte laten en niet opjagen. Overal zijn grenzen, ook aan zo’n brede, grote arm als een nieuwe dag.

 

Commentaren

In de ochtend
is het altijd lente ...

mijn akte van geloof.

dag Guido.

Gepost door: Uvi | 11-04-12

De commentaren zijn gesloten.