22-07-12

IJsland, een eiland

IMG_4382.JPG

 

 

Het eiland Ijsland is (tot onze verrukking hoor, we rijden hier de eerste dagen rond in een soort lichte euforie) een permanente aanslag op onze verwachtingen:

-Normaal ligt de sneeuwgrens ’s zomers op meer dan 3000 meter, hier ligt de sneeuw er nog op enkele honderden meters van de begane grond, zwart-witte plekken waar Hergé zijn pen op had kunnen botvieren.

-Normaal vind je gletsjers op verre afstanden, hoog verheven boven het werkende dagelijkse leven, hier liggen ze naast de straat waar je naar je werk rijdt.

-Normaal moet je voor bergpassen hoge Alpen of Pyreneeën in, hier begint een vervaarlijke pas al na 10 minuten klimmen, enkel rots en rots en rots, en daartussen de grijsbruine kiezelweg, soms zo scherp dalend dat het slechts in 1e versnelling kan, stapvoets.

-Normaal doen bergen er een tijdje over om hoog te worden, zodat de kleine mens die langskomt zich geleidelijk bewust kan worden dat hier iets heel groots aanwezig is. Hier schieten de hellingen naast je auto de hoogte in, en voel je je maar puin tussen het andere puin dat aan de voet ervan mag liggen.

-Normaal verwacht je in het Noorden kou, en regen, hier schijnt al weken een felle zon, met wolken die temperen zoals wolken dat hier doen: een wild spel van schaduwen en vlekken en poelen fel licht.

-Normaal associeer je geothermisch heet water met geysers en fosforvelden en dreigende ondergrond. Die zijn er wel, maar dat hete water vind je ook goedaardig klein in bronnen naast de weg, waar de mensen hun auto parkeren om een uurtje te gaan liggen in een rond bronpoeltje waar de brandende ondergrond is teruggebracht tot bubbels in het water en zalige warmte (soms bouwt men er een zwembad naast, met blauw water dat even warm is).

-Normaal staan er op aarde bomen, om de afstand tot de lucht wat te verkleinen, hier heb je enkel die twee: aarde en hemel, en rechtstaan moet voor een mens soms eenzaam naakt leven zijn, als de seizoenen moeilijk doen, want bergen en oceaan zijn er wel, en die helpen niet erg mee, integendeel. Vooral in de Westfjorden is leven tussen al deze grootheden bijna onmenselijk voor een mens. Normaal heeft die wat ademruimte, om in te lopen, om op te telen, om een huis te bouwen, maar hier blijft enkel een stripje land aan de rand van de fjord, onder de bergrand, uitkijkend op de vaak wrede zee. Mensen zijn niet als de bloemetjes en de mossen en de heide, die kunnen met nog minder voort, en zijn nog harder in hun overleven. Mensen doen voort zolang ze kunnen, en als het teveel is, gaan ze weg.

-Normaal is een rotstuin van het moeilijkste in de hofcultuur, delicaat en met zorg aan te leggen, hier is heel het eiland één grote rotstuin, kleine meesterwerkjes tussen al die stenen, zomaar, omdat er genoeg tijd was en ruimte en die speciale wilskracht van bloemen en grassen.

-En de grootste aanslag op je verwachtingen: waar is het donker? Normaal wordt het ’s avonds avond, en na een tijdje komt dan het donker, en leggen mensen zich te ruste achter hun ogen. Hier schijnt de zon nog om halftwaalf, twaalf uur als we gaan slapen, het is wel een lage, uitgewoede zon, maar toch. En als ik enkele uren later opsta, om het water zijn beloop te laten, merk ik dat het licht misschien nooit weg is geweest. 

 

De commentaren zijn gesloten.