22-08-12

Input (het klepperen van de grootstad)

IMG_5400.JPG

 

 

Hoeveel input kan een mens redelijkerwijs verwerken om niet overspoeld, weggespoeld te raken? Als we ’s morgens de bus nemen van Vitry naar Porte de Choissy, het eerste metrostation waar we induiken, heb ik al meer mensen gezien dan op een gewone andere dag thuis. Meer gepiep, geratel, geraas gehoord, meer stemmen ook, al komen die zachter binnen dan de massieve achtergrond. Heb ik meer teksten gelezen op straatborden, op huizen, op T-shirts, op gekraste busramen. De hele wereld loopt hier voor mijn ogen: zwarte en bleke Afrikanen, kleinere Aziaten, blanken die misschien hier ook niet geboren zijn. Jong, met die prachtige huid van jonge mensen, ouderen, met dat levensverhaal getekend op hun lichaam. En iedereen verzonken in haar of zijn gedachten, of spelend met het telefoontje, of de kop gedrenkt in muziek. 

Het mooie is als er twee elkaar herkennen. Dan ontstaat onvermoed leven. Zie ik een strenge, zwartgehoofddoekte vrouw, met een gezicht even strak toegesnoerd, plots ontdooien bij de groet en de lach van een jonge Afrikaanse, het haar hoog opgestoken op wat vanzelf al een lang uitgerokken gezicht is. Ze babbelen honderduit, maar dat valt niet op te midden van een bus die kreunt en kraakt en optrekt en weer piepend remt. Alleen hun gezichten vallen op: ze lachen en stralen, en maken duidelijk dat mensen meer zijn dan eilandjes in een archipel. Mensen koesteren hun geschiedenis, en als ze die kunnen delen, dan ontstaat er merkwaardig veel leven.

Zulke gesprekjes heb je niet in de metro. Daar verzinkt men nog meer. De metro, dat is instappen en uitstappen, en daartussen heb je even niet geleefd. Zelfs de clochard op de bank zit daar alsof hij nooit meer zal opstaan. Zijn onderbenen zitten vol wondjes. Zie ik in het voorbijgaan. Input. Ach.

 

De commentaren zijn gesloten.