17-09-12

vriendenbezoek

IMG_5470.JPG

 

 

Op vriendenbezoek in Budapest. Niet de grote, rumoerige stad zelf, maar net aan de rand, aan de kleine Donau, uitkijkend op boten en kano’s en andere roeiers. En mensen die bier drinken op een aangemeerd ponton. En buitenhuizen op een klein eilandje. En het eeuwig stromende water. Zo dicht bij de stad, en er toch zo fel buiten, hebben onze vrienden hier vijfentwintig jaar geleden een oude csarda gekocht en bijna totaal moeten heropbouwen. Csarda is een oud Hongaars woord voor café, en werd ook de naam van een volksdans, gespeeld door zigeunermuzikanten. Zij lerares Russisch en Engels, hij ingenieur. Erfgenamen van een woelige tijd (hij maakte van nabij de opstand van '56 mee), nu overlevers in een land waar de middenklasse het moeilijk heeft.

Maar ze zijn rijk aan boeken, aan vriendschap, aan wijsheid. En ze delen, alsof dat hun meest natuurlijke gave is.

En hun taal is een van de meest zangerige die ik ken. Het is geen toeval dat hier zoveel grote componisten hebben geleefd: Bartok, Kodaly, Lizst, Ligeti, Lehar, Kurtag. De toon van deze taal zal er iets mee te maken hebben. 

En de liefde voor poëzie. Ik weet niet of zij exemplarisch zijn voor de rest van de Hongaren, maar een kwart van hun boekenvoorraad bevat poëzie. De ontdekking deze keer is de in '44 vermoorde joodse dichter Miklos Radnoty. Ik citeer de Engelse vertaling van een bekend gedicht van hem, geschreven in ’41, in de angst van de oorlogsjaren, en in 2009 nog in aanwezigheid van honderden gezegd en beluisterd voor het huis van zijn weduwe: In your two arms

 

In your two arms I am rocking 

quietly.

In my two arms you are rocking

quietly.

In your two arms I’m a child, 

reticent.

In my two arms you’re a child, I’m 

listening.

With your two arms you embrace me 

when I am afraid.

With my two arms I embrace you, and 

I’m not afraid.

In your two arms even death’s great 

silence cannot

frighten me.

In your two arms I fall through death 

as through a dream – 

soundlessly.

 

(20/4/1941)

 

Radnoty bleef schrijven te midden van zijn gevangenschap in werkkampen. Eerst in zijn hoofd, want hij had maar een klein notitieboekje dat hij verborgen hield, en wilde geen papier verspillen. Ook liefdesgedichten, voor een vrouw die hij miste, en van dat missen bijna gek werd. Maar nooit schreef hij zo uitgepuurd als in dit gedicht, dat faam verwierf. 

Het wiegt letterlijk, door die armen, door die afwisseling (al kunnen zijn armen niets meer, op het eind...), door die vers-indeling. Reticent betekent zwijgzaam, gesloten. Zo zijn ze bij elkaar, woorden zijn vestild tot kleine beweging van leven, die aan elkaar wordt gegeven. En tot de beweging van de innerlijke, beluisterde, stille kracht van dit gedicht in hen beiden.

De eenvoud van dit gedicht is noodzaak. Het is wat overblijft, meer is er niet. Misschien kunnen wij de diepte van het woord arm maar aanvoelen, als we die geliefde arm zo lang, zo wanhopig missen? En de diepte van een bewering als ik ben niet bang meer, als geliefde armen ons zo vasthouden? Woorden teruggebracht tot de essentie die ook kinderen moeten voelen, als hun ouders hen sussen, met armen, met kleine geluidjes, met de warmte van een klein woord...

De commentaren zijn gesloten.