13-12-12

beschaving

IMG_5821.JPG


 

Elke keer als ik een vliegtuig uitloop (ik ben wel Herman van Rompuy niet, maar het gebeurt toch, af en toe, dit jaar wat meer dan anders), zie ik hetzelfde tafereel: in de businessklasse is de rommel die op de grond ligt, meer dan irritant. Kranten, dekens, papier, plastic, het ligt er neergegooid, alsof de mensen in allerlijl zijn moeten vluchten. Of nog eens extra chaos hebben gemaakt.

Enfin, denk ik dan, zo laat je een plek waar je uren doorbracht toch niet achter? Je kan toch wel even de rommel bijeen harken en een beetje ordenen? Dat de mensen die na je komen opkuisen, toch die winst al mee hebben. Reken uit: zoveel keer minder voorover buigen, door de knieën gaan, onder de zetel moeten reiken. Het spaart ruggen en heupen uit.

Maar dat is het: daar denkt die businessklasse niet aan. Die denkt in geld: die opkuisers worden daarvoor betaald, dus... Ik heb voor mijn luxestoel betaald, dus...

Maar ik denk in beleefdheid: je laat geen janboel achter. Ik zou me schamen.

En thuis, waar zogezegd niemand last van me heeft, heb ik het geleerd van mijn vrouw die zei: ik wil niet altijd “achterkomen”, ik ben geen meid. Hang die broek eens goed weg, mik dat hemd niet van ver op de stoel, drop die kous eens  fatsoenlijk in de wasmand, enz.

Misschien moeten piloten  eens een fatsoensoproep proberen: niet alleen om niks van persoonlijke bezittingen te vergeten, maar ook om geen zootje achter te laten. Er moeten beleefdere woorden zijn dan zootje om het duidelijk te maken. Maar toch...

 

(Het lijkt wel of een beschavingsoffensief begonnen is. Artikelen die de doodslag door jonge gastjes van een Nederlandse grensrechter willen duiden. Guillaume Van der Stighelen die het aloude woord ‘voorleven’ weer opdiept. In De Standaard bijdragen over de verloedering van onze omgangstaal. Een Franse burgemeester die eist dat alle communicatie eerst begint met een beleefde groet. En ik vergeet er allicht.

Toen ik klein was hing in de bus een bord, aan het achterhoofd van de chauffeur: ‘niet spuwen’. Aan openbare gebouwen als kerken hing ‘niet wateren, op straffe van boete’. Later verdwenen die opgestoken vingers. Wellicht werd er niet meer gespuwd, en respectabel gewaterd.

In de twaalfde eeuw, die eerste renaissance-eeuw met zijn steden, en gotiek, en eerste grote geletterdheid, kwamen geschriften op de markt als het ‘Boec van Seden’, met daarin richtlijnen voor een beschaafd omgangsgedrag.

Het is van alle tijden, dus, dat de goegemeente gewezen moet worden op hoe een samenleving het best met elkaar omgaat. Dat je niet rochelt op straat (ik zag zelfs meisjes het doen). Dat je anderen laat voorgaan. Dat je niet het grootste stuk eten pakt, alsof het vreten is. Dat er zakdoeken zijn om je neus te reinigen. Dat te luid praten stoort. Dat al te veel en al te spontane emotionaliteit ongewenst is. (In Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga wordt nog verteld hoe een spelletje schaak leidde tot handgemeen en doodslag. De socioloog Norbert Elias heeft beschreven hoe die emotionaliteit in de loop van volgende eeuwen teruggedrongen is tot de privé-sfeer, of tot uitlaatkleppen als sport en uitgaan, en ook daar onderworpen aan regels en sociale controle...  

Laten we zeggen dat ik aan dat offensief nu even een kleine, bescheiden bijdrage heb geleverd. 

Overigens vind ik het stille werk van die onderzoeksrechter die bankiers voor de rechtertafel brengt, een veel grotere bijdrage aan een beschaafde maatschappij. Hulde aan die rechter-die-de-media-mijdt. Hij mag zich verwachten aan advocatenspervuur, aan loopgrachten, aan uithongering, aan...)

De commentaren zijn gesloten.