14-01-13

Voor mijn liefs verjaardag (3)

 IMG_5606-002.JPG

 

 

Zodra ik mijn ogen opsla (Hans Faverey)


Zodra ik mijn ogen opsla
is het onzichtbare mij ontglipt
en begin ik te zien wat ik zie:
herinneringen aan wat ik zag
en ooit al zal zien. Door te zien
blijf ik mij herinneren;
en hoop ik dat ik besta.
Vooral als ik naar haar kijk
wanneer zij zo haar hand door
haar haar haalt, haar elleboog
steunend op haar knie, en zij
iets tegen mij zegt.


 

Poëzie is, behalve een taalbouwwerk, ook een "manier van kijken", zoals deze blog ook heet. Laat ik even proberen met dit gedicht.

“het onzichtbare ontglipt mij”: ooit is dat gebeurd, ja, toen ik geboren werd en begon te zien. Een baarmoedertoestand (die totaliteit) van niet zien, niet zijn, verliezen, ten voordele van, ja van wat. Van leren beginnen te zien. Het is eenvoudig gezegd, maar elke keer een opgave. Want elk zien vraagt om interpretatie. Om inzet van intellect en gevoel, om bijhouden van wat al gezien werd, om verwachting van nieuw zien dat nu al betekenis heeft (vandaar dat intrigerende woordje ‘al’ in de 5e regel). 

Betekenis geven aan wat we meemaken (zien dus) is van het ingewikkeldste wat er is in dit leven. Anders waren er veel minder misverstanden, conflicten, botsende wereldbeelden, bitterheden. Toch, elke keer weer, moeten we beginnen met “te zien wat ik zie”. Er zit niets anders op. 

Het makkelijkst gaat dit nog door in dit lichaam van ons bij te houden wat al werd gezien. Elke mens een grote herinnering, elke mens een museum (slordig of boeiend, een ruïne of met veel geld onderhouden). 

En zo proberen we de grootste betekenis van alles een beetje in te vullen: besta ik wel, besta ik wel genoeg, mag ik wel bestaan... Dit is hopen, de meest broze categorie in onze betekenisgeving. Je kunt ze religieus invullen, je kunt er van wegkijken, maar ten diepste loopt die vraag met ons mee, waar we maar ook terechtkomen. 

En dan de test: die ogenschijnlijk onschuldige scène, “waarin zij haar hand door haar haar haalt”, beetje gebogen, “en zij iets tegen hem zegt”. Gewoner kan niet, maar wat betekent het? Misschien is het, zoals ik het in eerste instantie las, een uiting van liefde: zoals zij daar zit, en hij haar ziet. Maar voor hetzelfde geld is het een afscheid, of het begin van een afscheid.

 Laat ik het gedicht maar blijven lezen als een liefdesgedicht, steunend (zoals zij op haar knie) op het woordje “vooral”: er zijn inderdaad precieuzere momenten waarop je beseft dat je bestaat. Dit moment van samen, bij elkaar, een lichaam te delen, is er zo een. Dit moment van schoonheid-in-beweging (haar hand door het haar) is er zo een. Dit moment van samen praten, is er zo een: het mag klein zijn wat wordt gezegd, maar via de woorden stroomt toch een leven in een ander...


De commentaren zijn gesloten.