08-03-13

Winterreise (Muller-Schubert)

Morgenavond voeren we voor de zesde keer de Winterreise uit van Muller-Schubert. We, dat zijn bariton Eric Janssens, pianist Marc Joly en ikzelf (inleiding, vertaling en foto bij elk lied). Huisconcerten: wat een genot...! Omdat er zulke kromme vertalingen op het internet te vinden zijn, wil ik graag deze strakke, vlotte vertalingen met jullie delen.

 

IMG_4940.JPG1 Goedenacht!

 
Een vreemde, zo kwam ik toe.                      
Een vreemde, zo ging ik weer weg.
De meimaand hielp me
met armen vol bloemen.
 
Het meisje sprak over liefde.
De moeder zelfs over trouwen.
Zo somber is de wereld nu,
de weg bedekt met sneeuw.
 
Ik kan op mijn dolen
zo weinig het moment kiezen.
Ik moet de weg zelf vinden
in deze duisternis.
 
Een schaduw van de maan
trekt met me mee.
En op het witte tapijt
zoek ik de sporen van wild.
 
Waarom nog langer wachten?
Tot men me hier verdrijft ?
Laat de honden huilen
voor het huis van je meester.
 
Liefde houdt van zwerven,
God heeft haar zo gemaakt.
Van de ene naar de andere.
Mijn liefste, goedenacht !
 
Ik wil je droom niet storen.
Ik wil je rust niet storen.
Je zal mijn stap niet horen.
Zacht, zacht sluit ik alles toe!
 
Ik schrijf in het voorbijgaan
op de deur: Goedenacht.
Kun je daaraan zien
dat ik aan je heb gedacht.
 
 
2 De windhaan
 
De wind tolde in de windhaan
op het huis van mijn mooie liefje.
Zodat ik begon te denken,
dat ze de arme doler wegfloot.
 
Hij had het vlugger moeten zien,
het schild van dit huis.
Dan had hij hier nooit zijn droom
van trouwe vrouw durven zoeken.
 
De wind speelt binnen met de harten.
Zoals op het dak, alleen niet zo luid.
Wat kan mijn verdriet hen schelen?
Hun kind is een rijke bruid.
 
IMG_4935.JPG3 Bevroren tranen
 
Bevroren druppels vallen
van mijn wangen.
Was ik het dan vergeten,
dat ik heb geweend ?
 
Of tranen, mijn tranen,
zijn jullie zelfs zo lauw,
dat jullie tot ijs bevriezen
zoals koude ochtenddauw ?
 
En toch stuwen jullie op,
gloeiend uit mijn hartenbron,
als wilden jullie laten smelten
het ijs van een hele winter !
 
4 Verstarring
 
Ik zoek maar vind in de sneeuw
haar voetspoor niet,
van toen zij aan mijn arm
door de groene weilanden liep.
 
Ik wil de grond kussen,
ijs en sneeuw smelten
met mijn hete tranen,
tot ik de aarde zie.
 
Waar vind ik een bloem,
waar vind ik groen gras ?
De bloemen zijn gestorven,
het gras ziet er bleek uit.
 
Zal ik dan geen herinnering
meenemen van hier ?
Als mijn verdriet ooit zwijgt,
wie zal me dan over haar vertellen ?
 
Mijn hart lijkt wel gestorven
rond haar beeld, koud en verstard.
Gaat dat hart weer smelten,
dan vloeit ook haar beeld weg.
 
20091104_0067.JPG5 De lindenboom
 
Aan de bron voor de poort
staat een lindenboom.
Ik droomde in zijn schaduw
al die zoete dromen.
 
Ik sneed in zijn schors
al die lieve woorden.
In vreugde en verdriet trok ik
altijd weer naar hem.
 
Zoals ook vandaag nog,                                     
in het diepste van de nacht.
Toen heb ik nog in het donker
mijn ogen gesloten.
 
Maar zijn twijgen ruisten.
Als riepen ze mij:
kom hier, mijn vriend,
bij mij vind je rust !
 
De koude wind sloeg me
recht in het gezicht.
Mijn hoed vloog weg.
Ik keerde me niet om.
 
Nu ben ik vele uren
ver van die plek.
En nog altijd hoor ik hem ruisen.
Ach, daar is mijn rust !
 
6 Watervloed
 
Vele tranen zijn uit mijn ogen
in de sneeuw gevallen.
De koude vlokken zuigen
de hete pijn dorstig op.
 
Als het gras wil ontkiemen,
dan waait er een lauwe wind,
en het ijs barst tot schollen,
en de zachte sneeuw smelt weg.
 
Sneeuw, je kent mijn verlangen.
Vertel, waar stroom je naartoe?
Volg maar mijn tranen,
het beekje zal je vlug opnemen.
 
Je zal met hem door de stad trekken,
vrolijke straten in en uit.
En als je voelt dat mijn tranen gloeien,
dan is daar het huis van liefste.
 
7 Op de stroom
 
Jij die zo vrolijk bruiste,
jij, heldere, wilde stroom,
hoe stil ben je geworden,
dat je niet groet in het weggaan.
 
Met een harde, starre korst
heb je je toegedekt,
lig je koud en onbeweeglijk
uitgestrekt in het zand.
 
In je korst graveer ik
met een scherpe steen
de naam van mijn geliefde.
En de dag en het uur:
 
de dag van de eerste groet,
de dag dat ik wegging.
Rond de naam en de getallen
windt zich een gebroken ring.
 
Mijn hart, herken je nu
jezelf in deze beek?
Of het onder zijn korst
ook zo verscheurend zwelt ?
 
IMG_4047.JPG8 Terugblik
 
Mijn voetzolen branden,
al loop ik op ijs en sneeuw.
Ik zal maar weer ademen,
als ik de torens niet meer zie.
 
Alsof ik tegen elke steen botste,
zo ijlde ik uit de stad.
Vanop de huizen wierpen de kraaien     
sneeuw en hagel op mijn hoed.
 
Hoe anders toen je mij ontving,
jij onberekenbare stad!
Aan uw blinkende vensters zongen
de leeuwerik en nachtegaal om strijd.
 
De volmaakte lindenbomen bloeiden.
De heldere goten bruisten hevig.
En ach, twee meisjesogen gloeiden. –
Zo liet je je vangen, vriend !
 
Denk ik aan die dag terug,
dan wil ik graag nog eenmaal omkijken.
Wil ik weer achteruit wankelen,
voor haar huis stil staan.
 
9 Dwaallicht
 
Naar de diepste rotsbodem
lokt mij een dwaallicht.
Hoe ik een uitgang moet vinden,
daar denk ik niet aan.
 
Ik ben het gewoon te verdwalen.
Alle wegen leiden wel naar hun doel.
Onze vreugden, onze smarten,
dat is spel van het dwaallicht.
 
Door de droge geul van de bergrivier
beweeg ik me rustig naar beneden.
Elke stroom zal de zee bereiken.
Elk lijden zijn graf.
 
10 Rust
 
Ik merkte pas hoe moe ik was,
toen ik even ging rusten.
Het zwerven hield me monter
op de verlaten weg.
 
Mijn voeten verlangden geen rust,
het was te koud om te blijven staan.
Mijn rug voelde geen last,
de storm stuwde me vooruit.
 
In de hut van de kolenbrander
heb ik onderdak gevonden.
Maar mijn ledematen rusten niet uit:
zo branden hun wonden.
 
Ook jij, mijn hart, in strijd en storm
zo wild en overmoedig,
voelt pas je slang in de stilte,
als ze je met hete beet wakker bijt !
 
11 Lentedroom
 
Ik droomde van bonte bloemen,
zoals ze bloeien in mei.
Ik droomde van groene weiden,
van vrolijk vogelgezang.
 
Maar toen de hanen kraaiden,
ontwaakten mijn ogen.
Het was koud en somber,
raven schreeuwden op het dak.
 
Maar op de vensterruiten,
wie schilderde daar die bladeren ?
Spot u met de dromer,
die bloemen in de winter zag ?
 
Ik droomde van liefde om de liefde,
van een mooie meid,
van harten en van kussen,
van genot en geluk.
 
Maar toen de hanen kraaiden,
toen ontwaakte mijn hart.
Nu zit ik hier alleen
en overpeins mijn droom.
 
Ik sluit mijn ogen weer,
mijn hart klopt nog altijd warm.
Wanneer worden de vensterbladeren groen?
Wanneer houd ik de liefste in mijn arm?
 
IMG_0152.JPG12 Eenzaamheid
 
Als een donkere wolk
die door een helder lucht trekt,
wanneer in de top van de den
een zwak briesje speelt,
 
zo trek ik door mijn straat,
verder, met trage pas,
door een uitbundig, vrolijk leven
eenzaam en zonder groet.
 
Ach, de lucht is zo rustig !
Ach, de wereld is zo licht !
Mocht nu de storm nog razen,
zou ik niet zo ellendig zijn.
 
13 De post
 
Vanop de straat klinkt een posthoorn.
Waarom springt het zo hoog op, 
mijn hart ?
 
De post brengt voor jou geen brief.
Waarom dan zo opgewonden,
mijn hart ?
 
Wel ja, de post komt uit de stad,
waar ik een liefste had,
mijn hart !
 
Wil je ginder eens rondkijken,
en vragen, hoe het daar gaat,
mijn hart ?
 
14 Het grijze hoofd
 
Het rijp heeft een witte schijn
over mijn haar gestrooid.
Dat ik dacht dat ik een grijsaard was.
En daar blij om was.
 
Maar de schijn is opgelost,
ik heb weer dat zwarte haar,
waar ik van gruw sinds mijn jeugd.
Hoe lang nog tot de lijkbaar !
 
Van avondrood tot morgenlicht
werd menig hoofd grijs.
Wie gelooft dat ? En het mijne werd het niet
in heel deze reis !
 
15 De kraai
 
Een kraai was met mij
uit de stad getrokken.
Bleef tot vandaag
om mijn hoofd vliegen.
 
Kraai, wonderlijk beest,
waarom wil je me niet verlaten ?
Wil je, als snelle prooi,
mijn lichaam grijpen ?
 
Nu, het zal niet ver meer gaan
aan deze wandelstaf.
Kraai, blijf me trouw
tot aan het graf !
 
16 Laatste hoop
 
De bomen laten al
zo veel verkleurde blaren zien.
En ik blijf vaak in gedachten
voor de bomen staan.
 
Ik zoek naar een blad,
om mijn hoop aan te hangen.
Speelt dan de wind met mijn blad,
kan ik beven, zoveel als ik beven kan.
 
Ach, en valt het blad op de grond,
dan valt mijn hoop maar mee.
Val ik zelf mee op de grond,
ween dan op het graf van mijn hoop.
 
17 In het dorp
 
De honden blaffen, de ketens rammelen.
De mensen slapen in hun bed,
dromen vaak van wat ze niet hebben,
eten van goed en van kwaad.
 
En morgenvroeg is alles vervlogen.
Ja, ze hebben hun deel gehad.
En ze hopen, wat overbleef,
terug te vinden op hun kussen.
 
Blaf me nu weg, jullie wakende honden,
laat me niet rusten in het sluimeruur !
Ik ben het gehad met al mijn dromen.
Waarom zou ik bij de slapenden talmen ?
 
red centre en sydney 243.jpg18 De stormachtige ochtend
 
Hoe erg heeft de storm gescheurd
het grauwe hemelkleed !
Wolkenflarden drijven rond
in een uitgewoede strijd.
 
En rode vuurschichten
schieten tussen hen door.
Dat is nog eens een ochtend
die lijkt op mijn gemoed !
 
Mijn hart ziet aan de hemel
zijn eigen beeld geschilderd.
Slechts winter.
Winter koud en wild !
 
 
19 Misleiding
 
Een vriendelijk licht danst voor me uit.
Ik volg het kriskras.
Ik volg het graag en zie
dat het een zwerver verleidt.
 
Ach ! wie, zoals ik zo ellendig is,
geeft zich graag over aan de list,
die, na ijs en nacht en verschrikking,
hem een helder, warm huis wijst.
 
En een goede ziel daarbinnen. 
Enkel misleiding is mijn winst.
 
IMG_3994.JPG20 De wegwijzer
 
Waarom vermijd ik toch de wegen,
waar andere zwervers gaan?
Zoek ik verborgen paden,
over besneeuwde rotsen ?
 
Ik heb toch niets misdaan,
dat ik mensen zou moeten schuwen.
Wat een dwaas verlangen
drijft me in de woestenij ?
 
Wegwijzers staan op de straten,
wijzen naar de stad.
En ik zwerf verder,
rusteloos op zoek naar rust.
 
Slechts één wegwijzer zie ik staan
en hij wijkt niet voor mijn oog:
ik moet een weg gaan
waar nog niemand van terugkwam.
 
21 De herberg
 
Naar een dodenveld
bracht me mijn weg.
Hier wil ik uitrusten,
dacht ik bij mezelf.
 
Jullie groene rouwkransen
kunnen evengoed het teken zijn
dat vermoeide zwervers uitnodigt
in de koele herberg.
 
Zijn dan in dit huis 
al alle kamers bezet ?
Ik ben zo moe dat ik zal vallen,
ben dodelijk gekwetst.
 
O onbarmhartige herberg,
toch wijs je me af ?
Nu verder dan, altijd verder,
Mijn trouwe wandelstaf !
 
22 Moed
 
Vliegt de sneeuw in mijn gezicht,
ik schud ik hem van me af.
Spreekt mijn hart in mijn borst,
zing ik helder en vrolijk.
 
Ik hoor niet wat het me zegt,
heb geen oren.
Ik voel niet wat het klaagt.
Klagen is voor dwazen.
 
Vrolijk de wereld ingaan,
tegen wind en weer in !
Als er geen God op aarde is,
dan zijn we zelf goden !
 
23 De nevenzonnen
 
Drie zonnen zag ik aan de hemel staan.
Ik heb ze lang en aandachtig aangekeken.
En ook zij bleven mij aanstaren,
als wilden ze niet weg van mij.
 
Ach, jullie zijn mijn zonnen niet !
Kijk anderen toch in het gezicht !
Ja, onlangs had ik er ook wel drie.
Nu zijn de beste twee ondergegaan.
 
Ging de derde er maar achteraan !
Ik zal beter af zijn in het donker.
 
IMG_3172.JPG24 De draaiorgelman
 
Ginds, voorbij het dorp,
staat een draaiorgelman.
En met verstijfde vingers
draait hij wat hij kan.
 
Blootvoets op het ijs
wankelt hij heen en weer.
En zijn schoteltje
blijft altijd leeg.
 
Niemand hoort hem graag,
niemand kijkt hem aan.
En de honden grommen
rond de oude man.
 
En hij laat het passeren.
Alles zoals het wil.
Draait maar, en zijn draaiorgel
staat nooit stil.
 
Wonderlijke oude man !
Zal ik met je meegaan ?
Wil je mijn liederen
op je draaiorgel spelen ?

 

De commentaren zijn gesloten.