14-06-13

Het grote luisteren (17&18)

IMG_4068.JPG

 

 

17
 
Als we geen Gezicht hebben, wat hebben we dan?  
 
We hebben de beweging van tsimtsoem die we elkaar geven. In de stilte die we in en rond ons maken, klinkt misschien een groter wachten. In de ruimte die we in en rond ons maken, welt misschien een grotere ruimte op. In het niet weten proeven we misschien de eerste aanvaarding. In het gezicht dat we ontmoeten, en dat kan  zomaar bij het omslaan van een hoek, raakt ons die vraag naar lucht, naar openbreken, naar de nabijheid die we genegenheid noemen.
 
Ons richten tot, daarmee begint de beweging. Dat we dat durven. Dat we durven verlangen, dromen, niet alleen voor onszelf maar voor een hele wereld. Dat we zingen en al onder woorden brengen wat nog niet is. Dat we misschien noemen wat nog niet is, zoals ouders hun kind een naam zoeken, al hebben ze het nog niet gezien.
 
Als ik het gezicht zie dat me aankijkt, zie ik dan tegelijk ook niet de verwondering om weer een mens in wie alles begint, schoonheid en tragiek, verlangen en verlies? Raakt mij dan niet de onmogelijkheid om dit wonder een naam te geven die het recht doet? Wil ik dan niet zomaar (vanuit welke drang?) in de beweging stappen die mee helpt zoeken naar een soort antwoord?
 
Achter de zichtbaarheid zit, voor wie wil kijken en voelen, een onzichtbare beweging waarvoor we nooit genoeg namen zullen vinden om ze te vatten. Soms, even, worden we er in getrokken, de een misschien al makkelijker dan de andere, ik weet het niet, bij mij gaat het niet verder dan een vermoeden. Ik vermoed veel, en daarom blijf ik zoeken. Echt die grotere beweging zien en ervaren doe ik niet. En misschien is dat maar goed ook, blijf ik daardoor nieuwe woorden zoeken, nieuwe gezichten aanspreken, of bekende gezichten die de nieuwheid dragen van het jongste moment.
 
Ook een onmogelijkheid om dat helemaal te vatten, dat jongste moment. Het leert je af er achteraan te lopen met je grote verwachtingen van kleine mens.  Je wordt er leeg van, met de jaren eerder verwachtingloos, je leert je ruimte schoon te vegen, gastvrij te maken voor wat wil aankloppen en binnenkomen. Dat is de rust van wie ouder mag worden: er is wat bijgeleerd... 
 
En alleen al daardoor ontdekt een mens dat hij nog zo klein niet is, dat hij wijder is dan hij ooit dacht. Dat verlangen een beweging is die al vroeger begint dan dit moment, dan dit lichaam van mij, en doorloopt in het volgende moment, in het volgende lichaam. Ja, ik mag roepen als wanhoop mijn borst toeknijpt. Zovelen hebben dat voor mij gedaan. Ja, ik mag kijken en mijn ogen even loslaten. Ja, ik mag luisteren van hoe ver de noot komt die nu zal klinken, en dat hij meegenomen wordt door andere oren, die daar luisteren waar ik niet meer ben. Ja, ik mag kijken naar het onzichtbare in het zichtbare, en mij voorstellen dat, net als ik nu, aanwezigheid wacht bij aanwezigheid.  
 
Ja, ik mag vloeken en tekeer gaan als Job, wanneer het slaan te groot wordt, wanneer de gezichten wegkijken, wanneer het lichaam te bang wordt, wanneer het onrecht tevelen zoekt. Zelfs al weet ik dat mijn roepen geen oplossing brengt, geen genezing, geen ommekeer, ik mag roepen omdat wij, bestaanden, tot elkaar veroordeeld zijn, veroordeeld om elkaar betekenis te geven. Zelfs al is het het stomme donker van de nacht, zelfs al is de massa mensen rond mij overdag te groot, ik moet blijven roepen als Job, tot ik die andere raak die wil stilstaan. En is er niemand die stilstaat, dan roep ik tot een heilig moeten, tot een heilig weten, dat ooit eens, en ook nu, vooral nu, dit gedeelde betekenisroepen in gang heeft gezet. Zich met ons bewust werd van die verschrikkelijke schoonheid die ons nooit, niet, ook niet nu gerust laat...
 
 
 
 
 
18
 
Dus als ik het poog leeg te maken, wat doe ik dan?
 
Ik maak het stil in mij (dat wil zeggen deuren en vensters open, meer kan ik niet doen, ik wil ook niet tussen kale muren wonen, en zonder tafel, kast en stoel) en er waait een lucht binnen die van voor en na mij is, en een landschap staat recht waarin mensen zich omkeren en mij aankijken, alsof ze iets willen vragen. En ik verstil nog meer, omdat al dit leven verlangen is, ik kan er niets aan doen dat ik die stille schrei hoor, de mysticus heeft het zo genoemd, en zijn woorden zijn achtergebleven. Nee, omdat ik mij herken, daarom, omdat in zijn woorden iets van dat geven achterbleef. Als je leeg bent voel je het beter: er moet zoveel adem binnenstromen om verder te kunnen leven, zoveel geven, lucht en genegenheid en erkenning en aanraking. En betekenis in de tijd. En hoop voor de tijd die komt, dat bewaard kan woorden wat kostbaar bleek, zo ongelooflijk kostbaar. Zoveel adem, dat je plots beseft hoe leeg je bent en vlug weer adem haalt.
 
Dit unieke eten en drinken van al wat we krijgen, hoe groot is de hand die ons dit geeft? Hoe groot is de wil die ons liefheeft, ons zichtbaarheid schonk om niet?
 
Veel kan ik niet doen, als ik het zo leeg maak. Stilstaan, zitten, knielen misschien, staren ook. Wachten ook, tot er weer wat meer besef is. Luisteren, naar alle talen die hetzelfde zeggen: de klank van de regen buiten, de klank van woorden, de klank van iemand die iets in je achterlaat, de klank die kan opspringen als iemand je aanraakt (en er zijn veel aanrakingen die willen zingen). De klank van verdriet ook, dat ook jij meeklinkt in die stille schrei, zelfs al zeg je niets, is het alleen dat lichaam van jou dat zijn kleine kreun laat horen. Hoe stil moet een mens zijn bij zijn stille schrei? Je kunt ook opstaan en weggaan, de deur harder dichttrekken dan de bedoeling was, gaan lopen en praten en steeds sneller bewegen. Maar ook daaronder blijft de stilte die je eerst hoorde en niet meer wilde horen. Daarom zijn de nachten zo fel, omdat je niet kunt blijven weglopen  en uiteindelijk met open ogen in het duister je eigen bestaan voelt zeuren.
 
Het is het verdriet van alle bestaan, dat weet je, en het gewicht is ondraaglijk. Want er is geen antwoord, nooit zal er een antwoord zijn. Dat geloofde je nog toen je een kind was, toen er formules waren waarmee je probeerde te toveren, te bezweren. Maar je kunt niet toveren, je kunt alleen dit lichaam laten klagen, en hopen dat het ook nog niet extra pijn gaat doen. Je kunt het volgende moment aankijken en proberen genoeg vertrouwen te vinden voor nog een moment.  Je kunt de adem verzamelen die je wel hebt, in en uit, in en uit, met alle bestaan dat daaruit volgt. Je kunt staren, en weten dat het jouw ogen zijn die dat doen. Je kunt je de namen herinneren van wie je liefhebt. Misschien alleen maar hun namen opzeggen, een na een. Ook een manier om te ademen, namen opzeggen van geliefden, in de hoop dat dat genoeg is om ook hun schrei te horen, te laten horen. Je kunt terugdenken aan het woord dat je gered heeft, aan de boom op het pad, aan de foto die jou bewaarde, aan nog andere namen die je kent, misschien aan al de woorden die je nog kent, aan al het bestaan dat je niet kent en hun onzichtbare beweging. Je kunt in slaap vallen, zoals alle genade overkomt je ook deze, leven is ook wat aan je gebeurt terwijl je aan iets anders aan het denken was.
 
En zo merk ik dat mijn leegmaken een vraag losweekt die niet zonder een andere leegte kan. Zo leeggemaakt ontmoet ik mijn volte, en hou ik ze in mijn handen als een verloren kind, als niet iemand ze uit die handen wil nemen, zachtjes, met aandacht. Ik ben geen vat dat kan wachten tot de regen komt, tot er drank in wordt gegoten, ik ben een mens die in zijn kleinste vezel adem nodig heeft, adem van lucht en betekenis en aanraking.
 
Hoe leger ik word, hoe voller ik word. Waar is de leegte die op mij wacht? Waar is het lied dat mij zingt, de melodie die mij lijkt te kennen, voor mij de juiste toon vindt? Waar is er leven dat mijn bestaan omarmen kan?
 
Ik heb alleen maar mijn verlangen. Dat was al zo toen ik kind was. Dat blijft zo nu ik een mens van jaar en dag ben. Tussen die huid reikt een vraag die reikt naar een antwoord. Als reiken het antwoord is, als kunnen en mogen reiken het antwoord is, dan zal ik morgen weer wakker worden, en misschien is mijn hoofd dan helder, en kom ik iemand tegen met dezelfde heldere blik. In datzelfde nieuwe, heldere licht.

De commentaren zijn gesloten.