19-06-13

Het grote luisteren (25)

IMG_5521.JPG

 

 

25
 
De nacht nadat mijn kleinzoon geboren werd die de naam Elias draagt, de lang verwachte, dacht ik, in een van die momenten dat een mens wakker ligt en er in hem gedacht wordt, dat mijn filosofietje van de aanraking nog veel en veel groter is dan ik het tot nu had begrepen. Aanraking is niet alleen wat die kleine jongen die prematuur op de wereld kwam, gevoeld heeft, toen zovele handen hem opvingen en naar de couveuse brachten en hem toedekten. Aanraking is de totaliteit van het warme mysterie leven dat hem toeviel, met misschien al zo vroeg het bewustzijn dat daarmee gepaard gaat. Dat is het: we weten dat we leven, hoe vreemd het ook is en blijft wat aan ons gebeurt, en gebeurde toen we uit de moederschoot opgevangen werden door handen van goedheid. Totaal is dat mysterie, het omvat alle gegevenheid, niet alleen dat van onszelf, maar van de hele wereld zoals die rondom ons leeft, en dat maakt het nog veel overweldigender ongrijpbaar.
 
Datzelfde mysterieuze leven dat in hem groeit, in zijn bleekrood glanzende huid, in zijn blauw dekentje, door de slangetjes die hem nog wat helpen ademen, glanst ook in zoveel meer tastbaars. En ik bewonder dankbaar de kennis die hem in leven houdt, die hem koestert, maar nog veel heviger kijk ik naar het gegeven dat hij er is, en dat ik niet kan vatten, noch met een woord, noch met een gedachte, noch met een blik. 
 
IMG_2902.JPGOoit maakte ik een foto van een vader in het gras, liggend op z’n zij naast zijn jonge zoon in een draagwieg. Het zoontje handjes en voetjes uitgestrekt, geluidjes makend zoals kinderen doen die het mysterie volop aanwezig laten zijn in henzelf. Maar het is vooral de blik van de vader naar zijn kind, die me treft: hij lijkt dwars door dat hem gegunde leven te willen kijken, om toch maar iets te kunnen vatten van het wonder dat hij nu maanden bij zich heeft en dat zijn zoon is. En tegelijk zie je dat hij wel ten diepste aangeraakt is, maar die veel grotere aanraking, die van het eigenlijke verschijnen en aanwezig zijn, niet kan vatten. Hij kijkt, en ik hoop dat hij zal blijven kijken, want al kunnen we niet vatten, we kunnen wel proberen te vatten. Wij kunnen wel proberen geraakt te zijn, wij kunnen proberen in de buurt te blijven van het grote wonder, ook als zo’n kind al lang geen kind meer is.
 
Dat er een wereld is, dat is de grootste aanraking. En die spirituele blik die zich verbergt in die aanrakingsmetafoor van mij, is geen geloof in een of andere magische kracht, die wordt afgeroepen als kennis het laat afweten, maar integendeel het antwoord van een zich blijvend verwonderend bewustijn. Antwoord is misschien een te groot woord voor de zwijgende blik van de vader, voor de gedachten die in deze nachtelijke open plek mij aandoen, voor de handen die Elias’ ouders straks op hem zullen leggen (niet strelen, daarvoor is de huid nog te dun),  voor de angst die hen bevangt als ze denken aan de kwetsbaarheid van dit mysterie en voor de gloed die hen bevangt als ze denken aan hun eigen grote liefde voor dit nieuw verschenen wezentje. 
 
Misschien hebben mensen, van geboorte tot geboorte, wel altijd al een intuïtief aanvoelen gehad van dat grote wonder, misschien zijn mensen alleen al daarom spirituele wezens. Bestaan is ontzaglijk, niet alleen voor ouders, maar ook voor iedereen die dat bewustzijn van haar of hem niet volstopt met materiële winsten en lichamelijke lusten. 
 
Misschien is het dat wel wat we kwijt zijn geraakt: die vanzelfsprekendheid waarmee de werkelijkheid meer is dan louter kennis, dan louter feiten, dan een verzameling etiketten en indelingen. De vanzelfsprekendheid waarmee de ontmoete werkelijkheid een luisteren is, dat wil zeggen aanwezigheid ons gegeven ten goede. Wie of wat die gever is, is een vraag die in haar grote gegevenheid ons overstijgt, maar waar we wel een aanvoelen van meedragen, van moment tot moment, van ontmoeting tot ontmoeting, zoals dat meisje in de bus zich koesterde in de omarming van haar vader.
 
Leven dat is gegeven, verdient jubel, omdat het zelf jubelt. Dat is een oud woord voor het spontane zingen dat ook loven en danken is. Dat is wat ik zie in de blik van de vader voor zijn zoontje in de wieg. Dat is wat ik hoor in de stem van de vader in de bus, in de overgave waarmee het meisje zich door die stem, en die armen laat omringen. Jubel is wat de psalmist weer rust en sterkte geeft, na zijn grote, soms woedende klacht. Jubel is de lente die nooit opgeeft, maanden kan wachten. Jubel is het leven delen met het leven, en samen oud worden, en nog altijd niet weten wat er met al die gedeelde ervaring zal gebeuren als het eenmaal ophouden zal, het mysterie. Jubel is het aandachtige gezicht van de verpleegster bij de couveuse, de kennis van dokter en vroedvrouw bij het kraambed, zoals die kennis zacht was, zacht was van genegenheid. 
 
Misschien is genegenheid een mooi woord om die grote aanraking toch enigszins te benaderen. Genegenheid komt van nijgen, naderbij komen, door iets dat in se groter is. Groter is het leven, maar het komt naderbij in dat kleine mensje Elias, zo broos als hij daar ligt. Groter is het leven, maar het weet zichzelf te temperen, en heel voorzichtigjes zal het zichzelf laten groeien in dat kindje, 15gr per dag, vertelt de zorgzame stem bij die erbij zit en alle cijfertjes in de gaten houdt. De grote aanraking, die alles omringt, als genegenheid: dan zou die liefde kunnen verklaren waarom elk nieuw leven tegelijk ook zo onwaarschijnlijk mooi is...

De commentaren zijn gesloten.