21-06-13

Het grote luisteren (27)

 

 IMG_6984.JPG

27

 
Misschien zijn wij die spontane jubel, die vanzelfsprekendheid in het aanvoelen van de grote genegenheid in de loop van de geschiedenis wat kwijtgeraakt. Althans toch in zijn maatschappelijke relevantie. Politiek, economie, die zijn maatschappelijk relevant blijkbaar, maar die innerlijke genegenheid voor wat er is, of kan zijn? Dat ouders tot tranen bewogen zijn door hun nieuwe leven, dat vinden we normaal, maar we beschouwen het als iets persoonlijks. 
 
Hoewel, als ik de zorgzaamheid zie van de verpleegsters in die afdeling voor prematuurtjes, waar mijn kleinzoon Elias nu ligt aan te sterken, als waren ze een tweede moeder die de eerste komt helpen, dan vind ik plots die verwondering om geboorte wel maatschappelijk relevant. 
 
En in de dagelijkse opvoeding zal voor verwondering ook wel een grote plaats worden ingeruimd: kijk, zei mijn vader, naar dat vogeltje. En hij zweeg, en ik mocht kijken met hem. En zijn zwijgen leerde mij meer over het wonder rond mij dan alle uitleg die later zou komen. Een van de beroemdste gedichten van Nijhoff, en van de Nederlandse poëzie tout court, gaat over dit gedeelde zich verwonderen van ouder en kind:
  
        “Ik droeg nog kleine kleren en ik lag 
         languit met moeder in de warme hei. 
         De wolken schoven boven ons voorbij, 
         en moeder vroeg wat ik in de wolken zag.”
 
Maar achter die eerstaanwezigheid van alles, als ik mij zo mag uitdrukken, een gevend gebaar zien waarvoor slechts dankbaarheid en jubel past, die spontaneïteit zijn we wellicht kwijt. Hoe meer wij mensen zelf maken van wat we rondom ons zien, huizen, straten, auto’s, lichten, hoe meer we de ratio loven. En terecht, verre van mij om al dit weten dat ons leidt, niet de lof te geven die het toekomt. 
 
En toch aarzel ik weer. Want autoritaire kerkgenootschappen mogen dan wel hun aanhang verliezen (net als autoritaire regimes), mensen blijven in de ‘nutteloosheid’ van kerken zoeken naar een vruchtbare leegte. En net nu winkelcentra zich voorstellen als het nieuwe paradijs, hunkeren meer mensen dan ooit naar het eenvoudige mysterie van een boom en zijn bladeren. 
 
Ik zag ooit, in een BBC-programma over de wijsheid van oude volkeren (Millenium heette de reeks), een oude Indiaanse vader ’s morgens, op zijn kromme benen en met zijn verweerde gelaat, een heuvel opklimmen, gaan zitten en de zon loven die hem hem de dag gaf. Waarom die scène mij is bijgebleven, is omdat ik keek met de ogen van zijn kleinzoon, die met hem was meegegaan en naast hem zat. Die ogen van die kleine jongen, zo intens gericht op zijn opa naast hem, en op wat hij aan het doen was. Misschien begreep hij, klein als hij was, nog niet wat zegenen was, of de diepe betekenis die zijn opa ontleende aan dankbaarheid, of de overgave van die man die toch een heel leven had geleid en doorgegeven, of de onwaarschijnlijke relatie tussen een kleine mens en een groot licht, of de ruimte en de tijd waarin zo iets mogelijk was, of... Misschien begreep hij niets concreet in woorden of gedachten, en toch zag ik hem gevuld worden met wijsheid die zijn leven zou bepalen... 
 
Hoe begint de zogenaamd vrijgemaakte moderne mens aan zijn dag?  Looft hij de dag als het licht door zijn wimpers binnendringt? Looft hij de dag als hij zijn zoon met volgeladen boekentas de deur ziet uitgaan, met een halve groet, zoals die opgeschoten stengels dat plegen te doen? Looft hij de dag als de auto hem naar zijn werk brengt? Ziet hij dat het licht weer alle kleur heeft meegebracht? Dat iedereen nog de woorden kent? Hoeveel slimmigheid er in humor zit? Hoe gratis die humor is? Ziet hij hoeveel slimmigheid er in samenwerken zit? Hoeveel overgave er in goed samenwerken zit? 
Laten we zeggen dat hedendaagse mensen loven in vlagen, korte momenten dat even de aanwezigheid zijn evidentie verliest en wonder wordt, gegeven en gekregen wonder. Niet iedereen heeft de tijd om een berg op te klimmen en het zonlicht te loven. Niet iedereen heeft daar de woorden voor. Maar laten we hopen dat iedereen wel die spontane, bijna kinderlijke reflex heeft om achter de grote evidentie de niet-evidentie van alles te zien, met diezelfde verraste ogen waar kinderen zo sterk in zijn.
 
Vele mensen branden een kaars bij een groter verlangen, een grotere zorg. Dan moet die kaars maar loven, in al zijn geconcentreerde schoonheid, in al zijn geduld, in al zijn zwijgen. 
 
Velen spreken de Goedheid zelf aan. Van binnen, alsof ze zich wat schamen of misschien omdat ook deze relatie zo intiem is als een andere, herhalen ze nog even hun wereldbeeld: dat een mens niet gemaakt is om alleen te leven, met zijn handvol talenten, dat er een nabijheid moet zijn die dat leven deelt, in grote liefde...  Zoiets dieps kun je wel vlug even denken, maar enkel innerlijk. Zoals je een zoon ziet buitengaan naar zijn school, en op dat moment ook van alles beseft, teveel voor de paar woorden die je dan zou kunnen vinden, teveel voor het brokje tijd dat je dan maar krijgt...


IMG_6985.JPG


(foto's: De schepping van de wereld, Marc Chagall, in Musée Chagall, Nice. Chagall houdt van engelen, hij weet dat ze die hele diepe nood aan aanraking symboliseren...)

De commentaren zijn gesloten.