28-06-13

Teveel

IMG_7694.JPG



Een morgen in juni. Ik kijk door het raam en zie de wolken, grijs en wit en alle schakeringen daartussen, en in alle vormen. En ik zie de bladeren wiegen. En ik hoor vogels. En in de straat stappen mensen voorbij, ze dragen hun gezichten door de dag en hun leven lijkt niet mee te tellen in dit moment, en toch zijn ze er. En mijn boeken staan te wachten op hun planken, ze zouden zoveel kunnen vertellen, maar wachten is nu eenmaal wat alles van betekenis doet. Wachten en klein bewegen, zoals de ekster die zich van het dak laat vallen, zoals het gedicht van Rilke dat ik toevallig opensla. 


Betekenis die wacht en wil wachten, en soms een beweging maakt van naderbij komen, ik zoek er evenwicht in, als ik weer eens alle teveel heb gezien. Zoveel eten in de supermarkt, wie koopt dat toch, en gooit men het overschot dan weg. Zoveel boeken, wie leest ze, of zelfs maar wie heeft ze gezien. Zoveel nieuwsfeiten, en ze rollen maar voorbij, groot of klein gedruis makend, zonder of met een beetje context of geschiedenis, gelogen of verdraaid of gewoon dom, en wie heeft nog die verre blik die ervaring en wijsheid zouden moeten meebrengen. Zoveel mensen, en ze lopen elkaar voor de voeten, en ze kijken je aan in het voorbijgaan maar knikken niet, zeggen niets.  Zoveel geluid, muziek tot slaaf gemaakt en afgebeuld, je oren en je kop verziekt van geraas en gefluit. Zoveel aanbiedingen en kortingen, nieuwe apps en nieuwe spulletjes, en tegelijk het brood weer duurder en de tandarts duurder en de schoolreis. 

Er is een razernij in dit leven, en soms word ik daar moedeloos van, en dan ben ik nog een luxe-vermoeide want ik hoef mijn centen niet drie keer om te keren, of mijn ogen dicht te doen om het verlangen in het moment te smoren. Maar er is teveel, teveel, en het loopt te snel, en het babbelt te luid, en het heeft vaak geen manieren.

En dan kom ik thuis, en kijk ik door het raam, naar de wolken en het licht. Of ik neem een boek uit de vele wachtende boeken, en laat mij zachtjes verrassen. Of ik loop in de tuin, en vraag mij weer af waarom ik zo graag de wind hoor, misschien is het wel de aanraking die het doet. En ik kijk, en daar ben jij, jij bent er al zo lang, het is ook een soort wachten: wachten bij, verwachten, de wacht houden, ook dat, ja, ook dat. 

 
Zu dem gebrauchten sowohl, wie zum dumpfen und stummen 
Vorrat der vollen Natur, den unsäglichen Summen,
Zähle dich jubelnd hunzu und vernichte die Zahl.
 
Voeg je, bij alle gebruikten, alle gedoofde, stomme
schepselen uit ’s wereld volle voorraad, de onuitspreekbare sommen,
voeg je daar jubelend bij, en vernietig het tellen.
 
(Rilke, Sonnetten voor Orfeus, 2e deel, 8ste sonnet)

De commentaren zijn gesloten.