30-06-13

Lectuur: De geschiedenis van de vooruitgang (Rutger Bregman)

De geschiedenis van de vooruitgang is een biezonder inspirerend boek. De 25-jarige (!) auteur ervan toont niet alleen een verbijsterende hoeveelheid kennis en lectuur, hij kan ook heel helder nadenken en treffend formuleren. En zijn onafhankelijke natuur, die zelf wil onderzoeken en vergelijken en concluderen, bevalt me. We babbelen al genoeg elkaar na. 

rutger bregman.jpg
Dat de wereld ten goede veranderd is, dat hoorde ik mijn oude vader vaak genoeg zeggen. Hij die de hele twintigste eeuw mee beleefde, niet verder naar school kon omwille van de eerste grote oorlog en zijn afkomst, zijn eerste eigen fiets had toen hij dertig was, nooit het buitenland heeft gezien, hij kon het wel smaken dat de snelwegen vol licht staan, en dat je geld uit de muur kan halen, en dat koppels nu samenwonen voor ze denken aan trouwen, enzovoort. Zoals hij de eerste helft van zijn leven leefde, zo leefden mensen ook in de 19de eeuw, en vroeger: dominantie kerk en staat, scheiding standen, geen echt onderwijs, geen media of auto, geen stromend water, geen ijskast, geen vakantie, ergens ver wel een dokter, kleine winkeltjes zonder veel keuze, verstelde kleren van je broer of zus, stille dromen, eens getrouwd altijd getrouwd...

Pas in de jaren zestig en zeventig is de wereld van aanschijn veranderd: ik was 12 toen in ’62 bij ons thuis de televisie binnen kwam, allicht om de nieuwe paus te kunnen zien. Voordien waren het dezelfde stille avonden als van eeuwen voordien. Ik weet nog hoe verward mijn vader was toen hij beelden zag van de landing op de maan. Op de oude radio-met-zijn-knoppen-langs-de-vreemde-steden luisterde ik naar radio Veronica (Boudewijn de Groot zong begeesterend Welterusten, meneer de President, op de hitlijst kwam Procol Harum binnen, op de eerste plek, met A whiter shade of pale, ik vond dat toen een ongelooflijke gebeurtenis, het staat me bij als was het gisteren).

Vandaar dat het woord vooruitgang voor mij een biezondere betekenis draagt. Mijn kleine verhaal van uitbraak uit resten 19de eeuw, uit polderverlatenheid, uit niet(s) weten... Vandaar dat de titel van dit boek mij aantrok.

Maar er is nog een andere reden. Het vooruitgangsgeloof van de grote verhalen (christendom, communisme, socialisme) lijkt vandaag uitgeteld. Maar ook het verhaal dat die leemte opvulde, dat ongebreidelde sky-the-limitkapitalisme, ook dat verhaal loopt vandaag tegen een torenhoge muur aan. Bij wie met de wereld begaan is, zie ik nu eerder een soort doemdenken woekeren: deze wereld redt het niet (meer), de mens is het enige dier dat zijn eigen nest kapot maakt, enz... 

Hoe moet het nu verder? De vooruitgang die mijn vader zag, die lijkt wel verwezenlijkt: een goed materieel leven voor de grote meerderheid, ook steeds meer in de rest van de wereld. Is er dan nog vooruitgang denkbaar? En welke is dat dan?

Dit boek, van een heel jonge mens dus, eindigt met een onbeschaamd pleidooi voor een innerlijke vooruitgang, voor een politiek van de verre blik, voor utopieën die deuren openzetten, niet beknellen en beknotten. Ik kon, al lezend, alleen maar heftig meeknikken, en dankbaar zijn voor zoveel engagement.

De commentaren zijn gesloten.