21-07-13

The old ways

IMG_7818.JPG

 
 
Geen land dat meer voetpaden heeft dan het Verenigd Koninkrijk. Bridleways, footpaths, publiek toegankelijke paadjes, ze liggen als een fijnnervige bloedsomloop verborgen over dit golvende landschap. Geen land ook dat meer wandelboeken maakt. Niet alleen met het doorwandelde landschap als achtergrond of thema (de paden van bijvoorbeeld romantic poet Wordsworth, of Ian MacEwans roman On Chesil Beach), maar veel meer nog geweldige boeken over het wandelen zelf, rambling over all these old ways. Wij hebben Cees Nooteboom, zij hebben John Berger, Synge, Bill Bryson, Eric Newby, Jonathan Raban, Laurie Lee, Redmond O’Hanlon, John Hillaby, om alleen nog maar in mijn bibliotheek een greep te doen. Van laatstgenoemde begeesterde me, jaren geleden, de voettocht van Land’s End in Cornwall tot John O’Groats in Noord-Schotland, een klassieker onder de langeafstandswegen, met tientallen individuele verslagen op het internet.
 
Een verschil met de Amerikaanse wandelaar is dat deze laatste meer wildernis ontmoet, en ook vaker een doler is. Denk maar aan Jack Kerouacs On the road, of Blauwe Wegen (van William Least Heat Moon), of Zen and the art of motorcycle maintenance (van Robert Pirsig). Of aan een van mijn helden, Thoreau, die in Walden zijn eigen wildernis herschept... In the old country is de wildernis weggeduwd, door mensen, parken, wegen, dreunende auto’s, uitzwellende steden. Enkel in het Noorden en het Westen ligt er nog natuur groter dan de mens.
 
Dacht ik. Tot ik op reis Robert Macfarlane ontdekte, en zijn boek The old ways, een schitterende gecomponeerd en geschreven verslag over zijn exploratie van letterlijk de oude wegen, over kalkheuvels, zandstranden bij eb, of het hardste graniet en gneis. Bedolven onder zand, of onder de westelijke onmetelijke hemel bijna onzichtbaar aangeduid met kleine piramides of drie stenen als een schoof tegen elkaar gezet...

En de erudiete Macfarlane loopt niet alleen zelf die oude paden af, maar de Cambridgedocent overstelpt je ook met lectuur, nieuwe namen en een fascinatie die heel ver teruggaat. Wandelen als levensvorm: bewegen moeten elk levend wezen vanzelf al doen, anders komt er geen eten op tafel en wacht er geen bed. Maar bij dit bewegen, te voet en in mijn geval zwervend met de auto, is er die voortdurende nood aan het onverwacht grotere, zelfs al is het maar een blad in avondlicht, of de zang van een leeuwerik, of de helling van een heuvel, of de ontmoeting met een onbekende. Wat ik uit dit boek leerde, is dat dit onbekend grotere zo vaak een diepe melancholie moet doen vergeten: het eigen kleine bewegen, dat op zichzelf al zo zwaar kan wegen, kan verwarren, paradoxaal genoeg kan doen verlammen (niet meer bewegen). Als de wereld zo groot is dat ze je kan verwonderen, weegt het eigen gewicht minder, is het makkelijker vertrouwen, kracht en vreugde te bewaren...

Daarom kijk ik zo vaak door het raam. Daarom wil ik zo graag op zwerftochtreis, ’s morgens niet wetend waar je ’s avonds terecht komt. Sommigen vullen dan een rugzak en trekken weg, alleen onder die grote hemel. Misschien heb ik teveel van die grote hemels gezien in mijn jeugd, dat ik dat zou doen. Maar er was ook nog zoveel niet geziene wereld die moest worden gezien. Die opgejaagdheid is, tot tevredenheid van mijn vrouw, nu rustiger geworden. Waardoor ik meer heb leren houden van het stappen zelf, iets wat zij al heel lang graag deed. En dat Macfarlane vergelijkt met het ritme in poëzie: de onophoudelijke jamben (of trocheeën) van voet na voet, van voet na voet...

De commentaren zijn gesloten.