04-09-13

het meervoud (2)

IMG_8102.JPG

 

 

 
Juli. Op reis door Spanje deden we Madrid aan. We moesten er niet zijn maar gingen toch. Toeristen willen nu eenmaal alles zien (reizigers zoals vroeger, die een jaar of twee onderweg waren, kunnen we al lang niet meer zijn). En een paar mensen meer in Madrid, er zijn dingen die meer opvallen.

Maar Spanjes hoofdstad ontving ons met allure. Wat een stad! Een stad zoals een stad moet zijn: elke straat zes banen breed, met hoge huizen en bomen die staan toe te kijken hoe al die spartelende auto's zich ergens heen spoeden en de mensenmieren langs en tegen elkaar lopen. Maar er was ruimte, je verwachtte dat alles wel een weg, zijn weg zou vinden. Alleen als van zweet druipende vrouwelijke politie-agenten hun dunne ziel wegbliezen bij elke voortdreunende vierwielige, bij elk verspringend licht, wilden we wel 'ns kregelig en ook wat droevig worden. Ook aan de schelle vrouwenstemmen konden wij, noorderlingen zijnde, moeilijk wennen. Soms draaiden wij ons dodelijk geschrokken om, denkende nu slaan ze elkaar met messen om de oren, maar nee, een burenpraatje bij de kruidenier.

Wat doen we met de bedelaars, vroegen de jongens (8 tot 10 jaar leven achter de rug, in een land dat zijn bedelaars oplevert aan de sociale dienst). We raakten er niet uit, het liefst was ons nog als er wat creativiteit aan te pas kwam. Zoals die doofstomme jongen die van tafel tot tafel ging met een gedichtje in gebarentekens, dat hij nadien weer kwam ophalen, met of zonder gift. Woordeloos, met een buiging toe. Ik legde de jongens het verschil uit tussen naastenliefde en recht hebben op een uitkering, een levensminimum. Ze begrepen het wel, maar bleven het moeilijk vinden. Want als zij het voor het zeggen hadden, zouden ze toch onmiddellijk al die bedelaars helpen? Zo eenvoudig was dat toch? Vandaar kwam de discussie op hoe een staat met het geld van zijn bevolking omspringt, en hoe de staat aan zijn geld geraakt, en waarom het ene land rijker is dan het andere, enzovoorts. Het koord waarmee de ons omringende wereld samengebonden lijkt, daar mogen wij met ons gezinnetje graag aan trekken, vooral aan tafel of als het journaal net achter de rug is of op reis als we andere dingen zien die in ons geëgaliseerd landje niet meer opvallen. Het merkwaardige is dat hoe meer je begint uit te leggen hoe meer er uitgelegd schijnt te moeten worden, en dat de kinderen daar niet genoeg van krijgen, ook al zijn er zo weinig oplossingen (hun aangeboren menselijke nieuwsgierigheid, jawel, en laten we hopen dat die later niet zal struikelen over het betonnen gewicht van de school...)

Schoonheid dan. In het Prado amuseerden ze zich rot met De triomf van de dood van Bruegel (een man stond hen af te piepen en zei dan, grijnzend, met Hollands accent:"Lekker griezelen"), terwijl ik daar kapot van was en elke cm2 van het schilderij met mijn ogen opdronk om toch maar niets te vergeten ('Ze komen op magere paarden', zingt Boudewijn de Groot in Apocalyps. Ik zag de magere paarden...) Ze werden, net als ik, aangegrepen door Goya's Saturnus die zijn kinderen opvreet (herinnerden zich uit vele gangen eerder nog een vleesetende Saturnus!) en vonden, net als ik, Rubens maar niks. Er is veel Rubens in het Prado. Het werd teveel voor hen. Ze moesten buiten en kwamen weer tot leven in het Archeologisch Museum. Kijken hoe andere mensen vroeger leefden, daar zijn ze sterk in. Daar zit tenminste enige variatie in, wat je van schilderijen niet kunt zeggen, vinden zij. Zowaar als wij in het Prado elk schilderij wilden zien, zo willen zij dan geen speerpunt of silexsteen of grafinscriptie missen, met alle uitleg die ze maar kunnen verzamelen (nooit zomaar langs iets lopen, is ons devies, al word je er wel eens moe van...)

Als mijn vrouw nadien vraagt wat ze zich nog aan details herinneren, dan blijken ze een klein gotisch kruis in ivoor, vol ingenieuze diertjes en mensen in half-reliëf, biezonder mooi gevonden te hebben. En kistjes in beslagen zilver. Dat is zo mooi gemaakt, dat willen ze dan namaken, later, als ze thuis zullen zijn. En ondertussen al tekenen, in hun schetsboek. Wat heet mooi? Wat hen op ideeën brengt is mooi. Wat nieuw is, aantrekkelijk, spectaculair, is mooi, zoals de grootstad die rond onze oren klappert en siddert van ongeduld, zoals moeder natuur met haar grillen en verrassingen.

Maar het louter esthetische genoegen, kennen zij dat?
Het is hen in elk geval niet vreemd. Ze stellen er vragen over: waarom vind je dat mooi? In Burgos waren ze zelf onder de indruk van hun vaders fascinatie voor een in carraramarmer gebeiteld (gebeiteld? met zachte handen losgemaakt...) grafmonument van de Condestables, in een zijkapel van de kathedraal. Drie keer ging ik er terug naartoe (want mijn geheugen is een draagbaar fotoapparaat, en om goed te onthouden moet ik goed kijken). Waarom ik die twee zo mooi vond, vroegen ze me. Omdat ze niet echt dood leken, zei ik, als altijd onhandig wanneer ik moet improviseren, maar ze begrepen dat hun vader wil dat er na zijn dood van hem iets moois overblijft. (Wil je ook zo begraven worden, zeiden ze, dan zul je nu al moeten beginnen sparen...).

Wat heet mooi? Het minste probleem is natuurlijk weer de muziek. Klanken dringen zo in het diepste binnenwerk van de mens, daar waar hij zijn ontroering nog niet aan banden heeft gelegd, en zij vormen daar geen uitzondering op, zonder dat erover gediscussieerd moet worden. Wel over hun keuze van televisieprogramma's, niet over hun muziekkeuzes. De twee cassettes die zij het meest beluisteren zijn Bachs vioolconcerto's en Joe Jacksons Night and Day. Er is een slechtere keuze denkbaar. 

De commentaren zijn gesloten.