09-09-13

het meervoud (3)

IMG_7998-001.JPG

 

Je moet nog 'ns naar boven, zegt Lieve, ze vragen je.
Als ik de donkere jongenskamer binnenkom -de deur open, voor het licht in de gang dat blijft branden- trekt hij de lakens tot aan zijn kin. Zit neer, zegt hij. Ik moet bij hem zitten op bed. Hij grijnst en lacht. Dat noemt men genieten. Waarom heeft hij zo graag dat er iemand op z'n bed zit, in het halfduister, voor hij inslaapt. Waarover zullen we het hebben, grijnst hij. Je zult later iemand moeten zoeken om op je bed te zitten, zeg ik. Een hoertje, zegt hij lachend.
Weet je wat, zeg ik, verdien jij veel geld en betaal ons ruim om 's avonds bij jou op bed te komen zitten. Dan zijn we allemaal tevreden.
Van de ene kamer naar de andere. Papa, zegt nummer twee, terwijl hij mij aan mijn arm op zijn dekens trekt, ik heb een geheim. Ik zeg ja? Ja, zegt hij, en ik zie zijn ogen opzij kijken in een poging om in ijltempo nog een geheim te vinden voor zijn vader weer opstaat en weggaat. Ik zeg: jij hebt geen geheim. Welles, zegt hij, en hij trekt mijn oor tot bij zijn mond: ik haat school, zegt hij. Het is wel geen echt geheim, maar toch. Jamaar, zeg ik, je bent nu eenmaal geboren in een maatschappij waar men naar school gaat en...
Dat weet ik, zegt hij, want hij kent z'n vaders argumenten en kan ze zo nodig ook zelf bedenken.
Enig over en weer gepraat. Het blijkt vooral de maandag te zijn die hij haat. De rest is niet zo slecht. De donderdag zelfs biezonder interessant. Van de overkant van de straat roept zijn broer dat ik een pietzak ben dat ik niet meer leren moet. Dat is inlands voor geluksvogel.
Ik zeg dat ik nog elke dag leer, en graag leer. Maar dat bedoelt hij niet. Het is het blijven zitten, op de rand van het bed. Het is het keuvelen in het duister. Welke ritus plegen we hier? Ik realiseer me het niet. Lijken de wereld en het leven in de avond makkelijker te bezweren? Is het zitten op de rand van een bed een oersymbool van troost? Of het zitten bij iemand die ligt, de weerloosheid zelve?
Ineens vraagt er een hoe ik mijn statuut van gewetensbezwaarde heb aangevraagd. Het beste is niet te zeggen dat dit geen zaken zijn voor een winterse zondagavond maar duidelijk antwoord te geven. Wie weet wat er achter hun associaties zit. Misschien is het wel het koordje waarmee ze zich de slaap van het vertrouwen intrekken. Hoe schrijf je zo'n brief, vraagt de andere. Ik zeg: geachte heer minister. En terwijl ik de trap afdaal, reciteer ik zo'n paar officiële zinnetjes die, weet ik, op hen een ongelooflijke indruk moeten maken, alsof er toch nog iemand is die weet van welk hout pijlen snijden.
Als ik bijna aan de deur beneden ben, roepen ze nog vanuit een tot rust gekomen verte: doei, ciao, dada, bonne nuit, slaap lekker. Hoe meer formules, hoe beter.

De commentaren zijn gesloten.