21-09-13

blauw 4

 IMG_8148.JPG

 

 

Blauw is mijn lievelingskleur. Misschien omdat er zoveel blauw boven mij hing, toen ik klein was en rondliep in de open vlakten van de polders. Als je voor je uitkeek, zag je maar een dun streepje land, in de donkere dagen schimmig zwart, in de zomer bevend van de hitte. Maar daarboven begon pas de echte schepping, zo leek het wel, met al dat blauw, en die bergen van wolken, en dat opnieuw en opnieuw geschilderde grijs in al zijn tinten.

In diezelfde lege dagen verzamelde ik broederwoorden voor blauw: azuur, lazuur, ultramarijn, opaal, schalieblauw, staalblauw, saffier, marine, indigo (al vraag ik mij af of ik dit laatste woord wel kende, want jeans had ik niet).
En al leek het alsof het geel en het rood en zelfs het groen meer tinten en schakeringen en afgeleiden hadden, wegens hun pact met de florawereld, toch bleef mijn voorkeur uitgaan naar blauw, dat grote lichaam boven ons. Het gras heeft de wereld veroverd, schrijft Walt Whitman, maar pas als je het blauwe vlies opgespannen ziet boven ons, kun je de wereld thuisbrengen, als een huis om in te wonen, als een plek waar alles mag zijn wat er is.

Blauw heeft daarom iets van een seigneur, iets van de kracht van zijn stand, iets van onbeweeglijk mogen toekijken want van niemand afhankelijk, met alle mildheid die je dan bij een dergelijke vrijheid veronderstelt. Blauw is daarom niet koel, maar gewoon ten diepste zichzelf, zelfs in zijn lichtste azuren vorm. 

Rood is een aanhalig lichaam, smeekt om aanraking, om dichterbij komen, verkoopt zichzelf met de belofte van warmte en vuur. Geel is jeugd in al zijn glanzen, is jonge kracht, spontaniteit op het randje van overmoed. Groen is volwassenheid, gedegen aandacht, het tegenovergestelde van onbezonnenheid. Groen kan wachten, wil wachten, lijkt wel te wachten, tot het verkleuren begint en het grote vallen. Maar blauw is het meest gewoon zichzelf, hoe mysterieus dat ook is.

IMG_6520.JPGHet diepste blauw zie je, als over een wintersneeuwlandschap traag de avond valt. Het licht glijdt weg, of lost op in de aanzwellende kou, schaduwen zetten een stap naar voor, de verten en de dingen worden weer het dunne perspectief of de dunne vorm waarmee ze de dag begonnen. En dan, voor het donker doorbreekt, komt over die steeds blekere sneeuw een blauw te staan dat in alles uitzonderlijk is. In zijn tint: zo’n onwaarschijnlijk uniek blauw. In zijn stilstand: rechtopstaand, voor je wachtend, je aankijkend, zo lijkt het wel, alsof blauw ook een wezen is met bewustzijn, net als jij. Een ontmoeting is het. Een kostbaarheid, die je meeneemt naar huis, als het zwart uiteindelijk toch alles oprolt en wegjaagt. Zwart is afwezigheid, hoe mooi afwezigheid ook kan zijn, of hoe angstaanjagend. Maar dit blauw heeft, in al zijn stilte, dingen gezegd waar je nog lang aan terug zal denken.

Misschien is het omdat blauw een speciale relatie heeft met licht. Blauw in glasramen, blauw in vallende, brekende golven van de zee, blauw in kinderogen. Moeder licht maakt alle kleuren, schijnt het. Maar ik vermoed dat het blauw toch een lievelingskind is...
 
 
(foto: Cassel, Noord-Frankrijk; eigen foto van een schilderij van Monet in Gettymuseum, L.A.: hooioppers in sneeuwlandschap bij avondval)

De commentaren zijn gesloten.