15-10-13

Lullaby (W.H. Auden)

Een van Audens bekendste gedichten: een slaapliedje. Maar dan eentje à la Auden: tederheid die omringd wordt door denken en tasten, die niet bang van een groot gebaar in gedachten, en toch niet het gevoel verplettert, of vergeet. Zodoende wordt dit gedicht én een gevoelvol slaaplied (zoals het hoort, toch) én een credo van menselijke vrede en rust en verbondenheid...

Hieronder een poging tot eigen vertaling.



Slaaplied (W.Auden)
 
Laat je hoofd nu slapen, liefste,
Jij een mens, op mijn arm die niets gelooft.
Tijd en koorts, ze branden weg
Al die eigen schoonheid van het 
Denkende kind, en het graf zegt:
Kijk, het is toch een schim.
Maar in mijn arm tot morgenrood
Laat wie leeft maar liggen stil,
Sterfelijk, schuldig, maar voor mij
Zo totaal de schoonheid zelf.
 
Ziel en lijf zijn zonder perken:
Als geliefden nu gaan liggen
Op haar milde toverglooiing,
In hun zwijm van twee keer niets,
Hoe zwaar dan de blik die Venus zendt,
Van voelen dat van hoger komt,
Van liefde en hoop die ieder kent.
En dit onvatbaar inzicht wekt,
Zelfs tussen rots en ijskap, 
Bij een kluizenaar verrukking in zijn lijf.
 
Zekerheid en trouw, ze deinen
Als het midnacht slaat mee weg
Met het trillen van de klok.
En van de deftige verdwaasden
Stijgt een schrei, ijdel, leeg:
Dat elke duit van rekening,
Al wat kaarten bang voorspellen
Wordt betaald, maar niet vannacht
Niet nu een zucht en een gedachte
Noch een kus of blik raakt zoek.
 
Schoonheid, midnacht, uitzicht sterven:
Laat de nieuwe winden zachtjes
Rond je dromend hoofd maar wiegen
Dat de dag de welkom brengt
Die weer oog en hartklop zegent.
Tevreden met een sterfelijke wereld.
Middagen met slechts droogte zullen zien
Hoe je zomaar voedsel kreeg.
Nachten vol geschimp laten je gaan
Nu alle liefde naar je kijkt.
 
*
 
 
Lay your sleeping head, my love, 
Human on my faithless arm; 
Time and fevers burn away
Individual beauty from
Thoughtful children, and the grave
Proves the child ephemeral: 
But in my arms till break of day
Let the living creature lie, 
Mortal, guilty, but to me
The entirely beautiful.
 
Soul and body have no bounds: 
To lovers as they lie upon
Her tolerant enchanted slope
In their ordinary swoon, 
Grave the vision Venus sends
Of supernatural sympathy, 
Universal love and hope; 
While an abstract insight wakes
Among the glaciers and the rocks
The hermit's carnal ecstasy.
 
Certainty, fidelity
On the stroke of midnight pass
Like vibrations of a bell
And fashionable madmen raise
Their pedantic boring cry: 
Every farthing of the cost, 
All the dreaded cards foretell, 
Shall be paid, but from this night
Not a whisper, not a thought, 
Not a kiss nor look be lost.
 
Beauty, midnight, vision dies: 
Let the winds of dawn that blow
Softly round your dreaming head
Such a day of welcome show
Eye and knocking heart may bless, 
Find our mortal world enough; 
Noons of dryness find you fed
By the involuntary powers, 
Nights of insult let you pass
Watched by every human love.
 

 



De commentaren zijn gesloten.