25-12-13

Kerstgedicht van Ed Hoornik (1910-70)

IMG_3606.JPG


    Van de Westertoren tot de wolkenkrabber

    Ed Hoornik

 

Van de Westertoren tot de wolkenkrabber

riepen de klokken de nachtstad wakker.

 

Toen zijn de mensen kerkwaarts gegaan,

in de wintertijd bij een watermaan,

 

in de vlagende kou met gebogen ruggen,

over de krakende ijzel der hoge bruggen;

 

en zelfs de zwerver in zijn lompenpak

hief zijn hoofd naar de dieren en de voederbak.

 

Want elk jaar opnieuw vloeien vreugde en smart

in de witte bloem van een kinderhart.

 

Nu kom ook ik voor uw kribbe staan,

- het ene kind kijkt het andere aan -

 

en diep in mijn ogen brandt Amsterdam

met de rode lichten van de Munt en de Dam.

 

Nu vind ik u arm en van alles ontdaan,

net als de kinderen van de Jordaan,

 

in een bedstee geboren bij wastobbedamp,

en het zieke licht van een olielamp.

 

O, Kind, dat geen wieg en geen warmte had,

kom dicht aan het hart van deze donkere stad.

 

Kom in de stegen van het havenkwartier

bij meisjes en schooiers in hun roekeloos vertier,

 

kom voor de kozijnen van de stempellokalen,

en de knuppel van de agenten bij het uitbetalen,

 

en bij de Chinezen in de Bantammerstraat,

waar op de muur een godslastering staat,

 

en op de vlieringen van de logementen,

bij het lugubere kaartspel om gebedelde centen,

 

bij de zwangere vrouw in de polikliniek,

wier weeën begonnen op het terrein van de fabriek,

 

en op het Stationsplein in de portieken

waar ook in de Kerstnacht mensen verzieken.

 

O, Kind, aan de wereld als Verlosser beloofd,

de stad vergaat aan mijn doodziek hoofd.

 

Boven de kazernes in Wijk Oost brandt een ster,

maar Bethlehem en de herders zijn ver.

 

De herders hadden een droom en een lied,

wij hebben niets dan ons dagelijks verdriet...

 

Hoog gloeien de lichten op de Munt en de Dam,

maar een kind dwaalt verloren door Amsterdam.


(foto: Mont-devant-Sassy, Maasvallei, bij Verdun, Fr)

 

De commentaren zijn gesloten.