02-04-14

Over stil zitten en liggen

Een stukje uit januari. Maar het is niet omdat de wereld ondertussen in derde versnelling is geraakt, dat het stukje niet meer zou gelden...

IMG_8452.JPG

 

 Over stil zitten en liggen 

Door het raam kijken in januari en de tijd wat stil zetten. Wolken trekken als een zwaar tapijt over de lucht, de wind vlaagt hoorbaar rond het raam, maar ik ontsnap eraan. Hangend tussen mijn schouders mogen toekijken hoe de wereld jaagt, en zelf zo onbeweeglijk mogelijk blijven. Mogen blijven. Dan ben ik de jongen die onder het afdak de storm gadesloeg: het land en de boerderijen kop in kas, maar daarboven een oerwereld van lang voor de mensen, waar geen verlangen was of herinnering. Ik begreep het niet, zoals ik zoveel niet begreep toen, maar ik mocht erbij blijven. Zoals je op een terrasje heel dicht bij mensen kunt komen, al zeggen ze niets en lopen ze voorbij, traag of haastig, onhandig of sierlijk. Kijken als een poging te begrijpen, ik heb het vaker ervaren als stilstaande tijd. Toch zeker als tijd die vertraagt. En daar zit toch ook al het idee van stilstaan in.

Zo zit ik uit te kijken in dit hok van mij dat geen millimeter beweegt (tenzij op de grotere schaal van het uiteindelijke aftakelen van alles, maar goed, dat zit in mijn hoofd bij de afdeling theorie). Auto’s behouden hun doel (de auto is het enige wezen dat altijd weet waarheen, en zich nooit vragen stelt), mensen gaan op hun voeten door de straat (al bergen hun voeten de droesem van een heel leven, gaan zullen ze, en soms komen ze nog van de grond, als een kind huppelen wil), de straten zelf verliezen nooit hun zelfbewustzijn (geen wezens die meer klassebewustzijn hebben dan straten, spreek ze nooit met de verkeerde titel aan, zeg geen weg tegen een straat, of hij staat recht en gooit je eraf). Door die straten waaien nog restjes kerstmuziek, de etalages spelen Driekoningen na, maar dan zonder verhaal en uitkomst, en overal rondom vullen ramen zich met lucht, zwart en grijs en soms lichter, als waren ze echt de opening die ze beloofden. Zoals de plassen in het wegdek iets laten zien van de mogelijke werelden onder onze voeten. En alle stemmen van de mensen, dichtbij en onhoorbaar ver, dragen de wereld verder, zoals je een te groot voorwerp verplaatst, met beetjes, met kleine schokjes, met onverhoedse bewegingen, met genot en ongeduld. Morgen is er weer een dag, dat is bijna zeker, maar wat we vandaag kunnen doen is meegenomen.

Alleen de zieken, in hun eindeloos bed, in die eindeloze ziekenhuisgangen, onder dat eindeloos ziekenhuislicht, alleen de zieken bewegen niet, net als ik. Alles aan hen is veel trager geworden, en ze kijken naar hun raam als naar een belofte, of een herinnering. Het helpt als af en toe een glimlach binnenkomt, en handen die juist aanvoelen. Ik heb geen pijn en mijn adem laat een volle toon horen. Toekijken is zo anders dan moeten wachten. Wachten is zo lastig vaak. Wij hebben het ongeduld van levende wezens, van een lichaam waar bloed door stroomt en energie in wacht, ook ongeduldig. Hoe moeten we ziek dan noemen? Als tijd die rond je oren voorbij kleppert, norse tijd die zich verspilt aan het teveel dat er blijkbaar is, en waar jij niet bij bent. Deuren, stemmen, geluiden, ruimtes, een hele meute mensenactiviteiten staat op het punt op te vliegen, en jij hangt aan de grond. Iets of iemand heeft een gewicht op jou gelegd.

Daarom, om hun zwaarte, zal ik deze vooravond wachten met de zieken en het besef in mij loslaten van mijn lichaam gevuld met tijd en ruimte, met warmte en gewicht. En luisteren naar al die cellen die hun eigen keuze hebben tussen bewegen en stilstand, en me afvragen hoe ze dat zovele jaren zonder mij oplossen. En de grond danken en de lucht, in naam van mijn voeten en van mijn adem. Het is duidelijk dat het vliegen van de ene vogel de loop van een andere mee helpt sturen, dat zie je zoals ze met het geweld van een jeugdbende door de lucht zwalken. Zal het de stillen in de ziekenhuisbedden iets helpen als ik aan hun stilliggen denk? Als wij gevoelig blijken te zijn voor de grote beweging, kunnen wij dan niet ook elkaars kleine beweging even aanraken? Ik hoop het.

(Ik sla een oude stuk krant open en vind dit citaat van de Schot Alasdair MacIntyre: “Ik kan de vraag ‘wat moet ik doen’ pas beantwoorden als ik de daaraan voorafgaande vraag kan beantwoorden: ‘In welk verhaal of geheel van verhalen ben ik opgenomen?’”)

7-1-14

De commentaren zijn gesloten.