26-05-14

Tijd... (Inleiding op de geliefde 31)

PICT0454.JPG

 

Tijd...

Hoeveel tijd is er in ons achtergebleven. Die handen van ons, hoe die dunner zijn geworden en toch nog altijd de handen zijn van toen, en nog altijd de eerste aanraking kennen. Al was het maar in de herkenning als je mijn hand grijpt: dat alles klopt, ja dat is jouw hand, en dat vanzelfsprekendheid ons invult zonder dat we dat nog hoeven te bepalen, opstellen, verwerken, klasseren.

Het vreemdste is ons gezicht. Hoe het meisje en de jongen zo onmerkbaar een tweede, derde, vierde gezicht kregen, als lagen boven elkaar, die, soms merk ik dat, ook licht afgeven. Dan zie ik je twintiggezicht nog oplichten door je zestiggezicht, en dat is niet verwarrend, want net als die handen zo eigen gebleven.

En alle verhalen in ons. Ze praten soms nog even luid als toen. Of lachen, of zijn ontroerd als toen. Dat is zelf ontroerend. Alsof wij veel en veel uitgebreider zijn dan dit ene moment nu. Niet deze kleine cel van vel houdt ons gevangen, of anders en beter gezegd, biedt ons onderdak, nee we leven zowat overal en op zoveel andere momenten. Zoveel opgestapelde, zorgvuldig bewaarde levens, in momenten en plekken die daar toen waren, met stukken van ons, en die we nu meedragen, met stukken van toen. Je denkt als je jong bent, dat je huid je bewaart voor de buitenwereld. Je weet als je ouder wordt, dat de buitenwereld je huid bewaart. En je blikken. En je woorden. En zoveel van wat je deed. Vanavond zijn we uitgenodigd op een etentje. Is dat niet mooi dat je, voor je vertrok naar je werk, op tafel een briefje hebt gelegd, met daarop: vandaag geen warm eten. Je weet dat ik, gewoontebeest, zonder denken aan die warme maaltijd zal beginnen, en mij dan flink voor het hoofd zal slaan als alles bijna klaar is en ik ontdek dat al dat werk niet nodig was. Jij houdt dat allemaal bij, als vanzelf. Een stukje in je hersenen waar je die vroegere verstrooidheden hebt liggen, niet op een hoop gegooid, maar zo dat ze op tijd kunnen gaan zwaaien en alarmeren. 

Ouwe foto’s tonen een moment: hoe we jong en enkelhuidig waren, met die dunne laag van onwetendheid die nog op ons lag, dat kinderlijke, dat gretige ook. Maar vandaag, maal drie ouder geworden, lijken we soepele 3-D foto’s, die zich plooien en schuiven en veranderen. Etsen van meester tijd, ons gezicht, boven op dat eerste van toen we elkaar voor het eerst ontmoetten. Beeldhouwwerken van het fijnste brons, onze handen, maar nog altijd gedragen door de kootjes van toen, en van later, dezelfde die ooit in het graf zullen liggen en koppig weigeren te vergaan.

Wegen de jaren, maken ze onze lichamen zwaarder? Er zijn dagen dat je daar ja op zou willen antwoorden. Als je je opricht uit bed, of zelfs uit je stoel, en die rug weegt plots iets teveel. Of als je hoofd water moet torsen dat noch helder noch rustig is. Maar soms is er weer die lichtheid van toen, die vanzelfsprekende kracht van bestaan, in oppakken, verleggen, antwoorden, opmerken, glimlachen, alsof dit lichaam het nog allemaal weet, en kan overnemen als het nodig blijkt. Of zomaar, om ons een plezier te doen.

Tijd is de rijkdom waarmee elk wezen zich vult. De boom, zowel als het meisje met haar dunne gezicht en haar fijnkrullende haar, ze zijn met de jaren gevuld met al wat in en door en langs hen dreef, en waaruit zoveel kleine en grote kostbaarheden achterbleven, zovele vragen en antwoorden, zovele nabijheden die nooit meer zouden weggaan.

Tijd is ook wéten, van het soort waar een accent op mag: het soort dat misschien zich wel uitstrekt in de breedte, als de horizontaal sterke takken van een oudere boom, maar vooral in de diepte. Diepte, dat is het besef, gaandeweg uit tijd gemaakt, van waar je sappen komen. Aha, daarvan leef ik dus, zo stroomt het leven mij dus binnen. Het komt van diep, dat besef, en het schept de kalmte om op één plaats te kunnen blijven staan. Dat het goed is, die plek, die schaduw, die bladeren met hun ene vorm, die lucht en vogels en vruchten die even willen uitrusten.

Dat wéten, van jou naast mij, van jou in mij geschoven, aslof we drinken van hetzelfde besef van leven, dat wéten, daar ben ik dankbaar voor. Dankbaarheid is nog zo’n tijd-woord: je beseft maar goed wat dankbaarheid is, als je er een heel leven van hebt geleefd...

 

*

(de andere stukjes uit Inleiding op de geliefde vind je door op de knop rechts te drukken)

Commentaren

Prachtig, Guido, gelukzak.

Gepost door: Uvi | 27-05-14

Ja, Uvi, het leven is niet gelijk verdeeld. In niets trouwens...
Maar content zijn is toch ook een kunst, en baart oefening niet kunst? Leren zien wat je wel hebt?
Enfin, het laatste wat ik wil is moraliserend overkomen :-)

Gepost door: guido | 27-05-14

moraliserend ...

hoeft niet Guido, ik ben een dikke gelukzak.
Te beginnen met verwondering ...

Gepost door: Uvi | 27-05-14

De commentaren zijn gesloten.