04-06-14

De gedichten van vroeger, die ik uit het hoofd blijk te kennen... (A. Kossmann)

IMG_5514-001.JPG

 

De gedichten van vroeger, die ik uit het hoofd blijk te kennen

 

In mijn vak vermorzel je veel boeken. Lange tijd had ik de gewoonte om de bibliotheek waarin ik woon eens per jaar te ontvluchten, voor een maand of drie, en dan zwervend, of verblijvend op een geriefelijke rots in de Griekse zee zelf een boek te schrijven. Op reis heb je lectuur nodig, en in Athene zijn een paar uitstekende boekhandels. Zo kwam ik steeds weer thuis met een koffer vol boeken.

Hier, in het huis in Wassenaar waar ik na een autoongeluk en de ervaring van het doodgaan en drieëneenhalve maand ziekenhuis op twee krukken probeer te leren lopen, beschik ik over een voortuin en een achtertuin en uitzicht op een weiland met een hooiberg en koeien, maar gedichten zijn er niet, en dat is een gemis waarmee ik me kan verzoenen.

Ik beweer graag dat het onderwijs verkeerd is ingericht, en dat het met de dag verkeerder wordt. De kinderen moeten nuttige kennis verwerven, rekenen leren, Engels leren, elektrisch lassen leren, ze moeten een girobiljet leren invullen, en dat alles om geschikt te worden voor een baan in een maatschappij die praktische eisen stelt.

Aan het slot van hun opleiding zijn ze ‘klug als wie zuvor’, en als ze een loopbaan in het onderwijs kiezen, zuchten ze misschien wel eens, net als Faust, dat ze graag zouden willen zijn ontslagen van de plicht om ‘met zuur zweet te moeten zeggen wat ik niet weet’.

In de jaren – dat beweer ik graag – waarin het kind en de jongeling spelenderwijs kennis kunnen opdoen, moet je hun kennis aanbieden die op het eerste gezicht nutteloos is. Ze onthouden ook wat ze niet begrijpen, en een vriend vertelde mij dat hij op een School met den Bijbel was geweest, psalmen uit het hoofd had geleerd waarvan hij niets snapte, zijn geloof was kwijtgeraakt en nog steeds met intens genoegen zich de psalmen herinnerde. Zij waren, zou je kunnen zeggen, in hem gerijpt, ze hadden betekenis voor hem gekregen, en hij zou ze niet willen missen, hoe overbodig ze voor hem, de ongelovige, ook waren.

In de ontvankelijke jaren van mijn jeugd, toen het brein gretig was en het geheugen soepel, heb ik mijn schoolwerk slecht gedaan, zo slecht dat ik na een paar slordige jaren op het gymnasium door mijn vader gestald werd in een boekhandel, als volontair zonder taak en zonder ambitie. Ik las veel, vooral poëzie, en de omstanders vroegen zich, net als ik zelf, hoofdschuddend af wat er van mij zou worden.

Nu, - hier in Wassenaar gestald, betreur ik mijn verzuim van toen niet. Ik heb behoefte aan poëzie, maar ik kan mijn bibliotheek niet raadplegen, en mijn geheugen blijkt veel meer nutteloze kennis uit die verslonsde jeugdjaren te hebben bewaard dan ik vermoedde. Bijna elke dag zeg ik: ‘Yda, luister nou eens,’ en begin een gedicht op te zeggen. Laatst viel mij pure kitsch uit de mond: ‘Es is im Leben hässlich eingerichtet / Dass bei den Rosen gleich die Dornen stehn,’ en pas een paar minuten na mijn – ietwat langere – declamatie wist ik weer dat de biedermeier-dichter Victor von Scheffel de tekst had vervaardigd.

Ze komen te voorschijn, de gedichten van vroeger, die ik uit het hoofd blijk te kennen, zonder ze ooit uit het hoofd te hebben geleerd. Ze zijn de meest welkome gasten in dit huis van comfortabele verbanning. En als ik nu wél de school had afgemaakt? Dan zou ik nu misschien de merkwaardige produkten of de stelling van Pythagoras moeten ontvangen.

Poëzie heeft trouwens best nut. In 1944 verbleef ik in een dwangarbeiderskamp in Heidelberg, en ik werkte aan de spoor. Wanneer we aan de spoorweg stonden, om met een houweel steentjes onder bielzen te slaan, kwamen Engelse vliegtuigen ons aanvallen, felle vliegtuigen met machingeweren en twee bommen. We renden de spoorweg af en het veld in. Je moest dan plat op je buik gaan liggen, maar dat kon ik niet, ik vond dat te veel zelfvernedering; ik hurkte in een berm, sloot mijn ogen en zei de laatste twee strofen op van een gedicht van Johan Andreas dèr Mouw. Een lange, vuile jongen, gekleed in vodden en met klompschoenen aan prevelde regels die helemaal niets met zijn situatie te maken hadden maar die erg geruststellend waren:

 

Zo wil ik dan in nevel van bewustheid

Staan als een bergtop staat voor zonsopgang:

‘K zal, tot ik sterf, zijn als een orgelzang,

Een largo maëstoso van gerustheid.

Er is gezegd, dat ‘vreesloos Brahman’ is;

Als zij ben ‘k Brahman; niets kan mij doen vrezen.

Ja: in Zijn Zelfontvouwing viert mijn Wezen

Het eeuwig feest van haar herrijzenis.

 

Zomer [fragment]

 

 

uit: De seizoenen van een invalide lezer - Alfred Kossmann

 

IMG_5512.JPG 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

foto's: fragmenten uit werk van Brody Neuenschwander, de bekende Amerikaans-Brugse calligraaf. Foto's genomen tijdens de jongste Beaufort-tentoonstelling.

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.