09-06-14

Achterblijven (Inleiding op de geliefde 33)

IMG_7423.JPG

 

Achterblijven (Inleiding op de geliefde 33)

 

Hoeveel van mij is, in al die jaren, in jou achtergebleven. Dat je mij zo goed kent, dat je me zelfs kunt voorspellen. Dat je mijn geheugen bijhoudt en mijn wilde verhalen corrigeert. Dat je mijn verstrooidheden opwacht. Dat je weet wanneer het moment mij voetje licht. Of wanneer ik boos zal worden door de tragiek die nooit iets zegt, enkel een mens in het gezicht staart. Dat je de juiste humor hebt om mij te doen grinniken. Dat je mijn stilte zo goed kunt delen. Dat je al die kleine ritueeltjes tussen ons zo zorgvuldig bewaart. Zoals je alles zo zorgvuldig wil verzorgen en bewaren.

Als ik aan al dat achterblijven in jou denk, dan is het weer tijd voor een glimlach, van binnen. De van-binnen-glimlach is de meest ongrijpbare. Ze gebeurt in je, kleurt daar het moment als water dat opwelt in droge grond en laat je dan achter met een kleur die te diep is voor veel uitleg.

(Gelukzak, zei iemand, schreef iemand, toen ze in deze Inleiding lazen. Ja, het leven is een vreemde bron, gelijk verdeeld is het niet. Maar wie weet zijn er overal bronnen en bronnetjes, en hebben we ze nooit, of niet (lang) genoeg, leren zien. Een individueel leven is geen Universele Verklaring, maar een uniek verhaal, soms schokkend duister, meestal gespikkeld en bont, als in het beroemde gedicht van Gerard Manley Hopkins.)

Zonder dat ik dat zelf zo expliciet heb beslist, zijn duizenden stukken en stukjes van mezelf in jou, in andere mensen, in andere dingen, in andere plekken achtergebleven. Bram Vermeulen heeft er een van zijn mooiste liederen aan gewijd (‘Verlangen’), aan dat achterblijven of meegenomen worden, noem het zoals je wil. Mensen delen zich uit aan elkaar, aan kinderen, aan de weg die ze gaan, aan de overtuigingen van die weg, aan grote en kleine dingen, aan gekoesterde momenten, aan gezangen en geluiden, aan vertrouwen en zachtheid die ze zich nog herinneren van toen ze klein waren en die hen door de nachten loodsen, hoe dicht die ook zijn.

Het mooiste is wel dat we, uitgedeeld als we zijn in elkaar, samen ons nog verder hebben achtergelaten in zoveel meer. Onze zonen hebben nu ook al zonen, en weer nemen die grote happen uit onze genegenheid. Weer zien we de bloei van zo’n kindergezicht, de vreugde van te mogen ontdekken, de volheid van al wat er te ontdekken valt.

En vogel vliegt in de takken van de boom, naar ergens daar een nest. Al spreekt hij onze taal niet, we noemen hem merel, en de boom noemen we beuk. En de bladeren zijn groen, omdat het licht zich verliest in werkelijk alles dat er is, een wezenloos diep wezen, dat zonder onderscheid overal weer ontdekt wat er te ontdekken valt, elke dag opnieuw.

En de vrienden hebben andere kleuren, gespikkeld en bont; en als ze erover vertellen, dan glimlachen we vaak, omdat niemand zo is als zij.

Eeuwigheid is niet alleen dat we elkaars atomen delen, hergebruiken mogen. Eeuwigheid is ook dat we ons overal uitdelen, achterlaten, vergeten waar we komen, zonder ook maar aan eeuwigheid te denken. Koning David is een stamboom. Mijn zonen en kleinzonen zijn het ook. Net als de tuin, en de ogen van de kat. Net als de steen in de muur van de kathedraal, en de eerste noot van de Mattheuspassie. En niet het ding op zichzelf is eeuwig (want zelfs bergen en bergketens kunnen verpulveren en verdwijnen), maar de vreugde en het verlangen, die zijn eeuwig. Die bewaren we door ze uit te delen aan elkaar. Die versterken we door ze te bewaren in elkaar. Generatie na generatie willen mensen uitkomen op de Genesis-conclusie: zien dat het goed is...

De polders en de zee zorgen voor dat deel van mijn blik dat van verten houdt. De wolken voor mijn liefde voor licht, en randen, en het onmogelijke dromen. Gezichten herkennen mijn nieuwsgierigheid naar verhalen, hoe de grote beweging ook daar langskomt of al zo lang afwezig blijft. Woorden weten van mijn vele vragen, en van de klank die zingen wordt genoemd. Huid bewaart mijn tijd. En dat doet ook de dag, die voor mij ’s morgens alles weer nieuw maakt. Gelukkig maar, voor zo’n wonder ben ik veel te klein, maar ik mag er wel zonder voorbehoud in rondlopen. En ik mag afspreken, en dan werken twee mensen samen. En ik mag het artikel lezen, of de foto nooit meer vergeten, of de actrice nog horen na vele jaren. En soms, als vanzelf, ademen de doden in mij. Ik kijk door het raam, en het zijn mijn moeders ogen die staren. Ik vertel een anekdote en besef plots dat mijn vader aan het uitleggen is in mij. Hoeveel zal ik in bewaring gegeven hebben voor ik zelf sterf?

Bram Vermeulen eindigt zijn lied met een mooie gedachte: al wat we elders achterlieten, bij plek en moment en mens, doet ons blijvend verlangen. Verlangen om het terug te zien. En verlangen is een vorm van bijhouden en loslaten tegelijk...

 

Commentaren

prachtige tekst.

!

Je moet er zuinig mee zijn, maar hier poets ik 'm graag even op.
Ik bedoel: !

Gepost door: Uvi | 09-06-14

Bedankt cher Uvi ! (!)

Gepost door: Guido | 09-06-14

Vind ik leuk... zouden ze op facebook zeggen

Gepost door: Manu | 15-06-14

De commentaren zijn gesloten.