18-07-14

Ruzie en trots (Inleiding op de geliefde 35)

IMG_4213.JPG

 

Inleiding op de geliefde 35

Ruzie en trots

Maken we dan nooit ruzie? Ach wat is ruzie. Het woord is zo vaak veel te groot. Toen jij, jaren geleden, het recht opeiste om een opmerking te maken (“Ik mag toch iets zeggen, toch?”), toen is al een eerste angel uit dit grote woord getrokken. Als het zo logisch is als het klinkt – inderdaad, jij hebt evenveel recht van spreken als ik -  wat kan ik dan meer doen dan leren mijn mond te houden en te luisteren. Wetende dat je opmerking niet mijn hele persoon in vraag stelt, maar enkel dat ik weer het licht liet branden, of vergat je op te halen van het werk, of nog iets anders dat niet dodelijk was maar wel irritant.

Wat ook helpt is dat ik ondertussen door dat zwijgen en luisteren al heel wat heb bijgeleerd. Ik ben nog van het soort mannen dat met smaak eet, dan hun bord op het aanrecht zet en denkt dat ze flink hebben bijgedragen aan de afwas. En dat het leven verder mag gaan met de krant, of de teevee. Dat jij nog een uur bezig was met afruimen, schoonvegen, klaarzetten voor morgen (de boekentassen van de kleine mannen, hun nog vlug even schoongewreven schoentjes, een stuk fruit en een drankje voor hun brooddoos, hun rapport tekenen en een herfstblad op vraag van de juf), de was uit de wasmachine halen en ophangen, mentaal noteren dat straks de koffie op is, dat heb ik moeten leren door het van jou te horen, recht in mijn gezicht. Daardoor heb ik geleerd dat ik bijgod niet wist waar een huishouden begint, en waar het eindigt. En dat het tijd werd dat ik dat leerde. Al was het maar uit respect voor jou.

Het heeft van mij een andere man gemaakt. Strijken kan ik nog altijd niet, maar ik weet tenminste dat je je kleren beter netjes ophangt in plaats van ermee te gooien, dat je vuile was beter in de mand stopt in plaats van te laten vallen, en dat je het gewassen goed uit de wasmachine beter wat opplooit in de wasmand omdat dat het strijken makkelijker maakt. Kuisen is nog altijd een kleine straf, maar ik loop tenminste niet meer met mijn vuile voeten door jouw kuiswerk. En wat jij een kleine straf vindt, koken, dat is nu voor mij een genot geworden. Ach, ik hoop dat we het in ons huishouden wat meer eerlijk verdeeld hebben, met de jaren. Jij klaagt niet, dus ik vermoed dat het wel goed zit.

Als we, soms eens, onze stem verheffen tegen elkaar, dan is dat omdat er ergens toch een schroefje wat los zit: moeheid die al dagen zeurt, een toon die wat scherper klinkt dan bedoeld, domweg een misverstand. Ook de wind kan zo onverwachts in de bomen slaan dat je ervan opkijkt. Dat moeten zij verdragen en vergeten. Wij ook.

Liever merk ik dat je opmerkingen nu zoiets bij mij losmaken als trots. Trots dat ik een vrouw heb die stevig in haar schoenen staat, die zelfrespect heeft, die het moment aanpakt en niet de persoon, die niets achterna draagt. Soms, bij de vrienden, wil ik daar wel eens lachend allusie op maken, op dat verstand en die ruggengraat van mijn vrouw, opdat ze zouden weten dat in die stille, zachte mens een ferm motortje draait. En dan overdrijf ik romantisch: dat ik zonder haar allang onder een of andere luifel van een marmeren bank zou liggen, met kleren die vele oorlogen hebben gezien, en zelf verloren voor veel communicatie en inspiratie. Ik mag het dan al lachend zeggen, ergens diep van binnen hecht ik er geloof aan. Jij hebt die structuurloze mens wat meer gebinte gegeven, en hem geleerd dat orde adem geeft, en nieuwe ideeën. En jij hebt van mij geleerd dat je met angsten ook mag spelen, als zeepbellen, en dat de dag van morgen er is om mee te helpen, nu al, vandaag.

Een beetje trots zijn op elkaar is niet slecht voor het samenleven. Trots als vorm van dankbaarheid dan. Niet trots als hoge borst. Nee, geboren uit het besef dat je alles moet krijgen in dit leven. Leren krijgen dus, en je kan eraan meewerken door zelf wat je best te doen. Maar de hoofdzaak moet je krijgen, en dat krijgen is niet gelijk verdeeld. Je hebt het niet in de hand als je partner net niet wil luisteren. Als hij of zij de ongelijkheid, of erger, niet wil (leren) inzien. Als blindheid koning is,  of gemakzucht,  of de onderdrukking in je cultuur, of ander venijn. Samenleven is ook schoollopen bij elkaar, en de ene is al een betere leraar of leerling dan de andere.

Misschien zou ieder  die met een ander gaat samenleven, eerst een examen in humor moeten afleggen. Leren dat een ironische boodschap, naast de (misschien noodzakelijke) inhoud, ook de bedoeling heeft even te aaien. Dat een grapje toont dat je elkaar ziet als intelligente wezens. Dat je dan een opmerking kunt incasseren met een buiging, of een hand op het hart, of je beste beteuterde gezicht of zoen, of iets anders uit de wereld van het theater spelen. Hoe vaak heb ik een opmerking van je aanvaard met de trotse boodschap dat je toch wel een hele goede man gekregen hebt. Humor is iets dat ver staat van de mogelijke naaktheid van enkel incasseren en ondergaan.

Samenzijn moet gewoon een genot zijn, en humor is dat in verhevigde vorm. De verbeelding om meer te zien dan er is, ook in elkaar, dat is humor, en je krijgt er soms vleugels door, als kleine mens met korte armpjes.

 

 


De commentaren zijn gesloten.